Volgens mediadeskundigen zijn de eerste kenmerken van een nieuwe berichtgeving opgedoken : de civieke journalistiek wil de maatschappij weerspiegelen en mobiliseren.
...

Volgens mediadeskundigen zijn de eerste kenmerken van een nieuwe berichtgeving opgedoken : de civieke journalistiek wil de maatschappij weerspiegelen en mobiliseren.Enkele maanden geleden schreef de Franse krant Le Monde : ?De Dutroux-zaak is voor de Belgische kranten een vorm van doping geworden. Sinds de dood van koning Boudewijn hebben ze nooit zoveel verkocht als nu.? Over de Dutroux-zaak werd op overdonderende wijze bericht, vaak in nauwe samenwerking met de ouders van verdwenen kinderen (én met de speurders van Neufchâteau). Dat is niet zo evident, want in maart vorig jaar, na het doodschieten van zestien kindjes in het Schotse Dunblane, verzochten die ouders de media om het dorp dringend te verlaten. Sommige Belgische media voeren nu slag om de spreekbuis te zijn van de zogenaamde beweging van de nieuwe burger. Die nauwe osmose wordt door Benoît Grevisse van het ?media-observatorium? van Louvain-la-Neuve een vorm van civieke journalistiek genoemd. Daarmee legt hij de link naar het Amerikaanse fenomeen van de civic journalism (ook wel public journalism genoemd) : een journalistieke tendens die veel dichter wil aanleunen bij de burger en die zichzelf presenteert als een soort instrument van participerende democratie, als hét kanaal om de instellingen rechtstreeks te interpelleren. Vader van die beweging is Davis ?Buzz? Merritt, schrijver van het boek ?Public Journalism and Public Life : Why Telling The News Is Not Enough?. Civieke Journalistiek wordt in de VS vooral door de Pew Charitable Trust gepromoot, heeft een eigen onderzoekscentrum aan de universiteit van New York, en palmt inmiddels al heel wat media in, zoals bijvoorbeeld The Boston Globe en The Miami Herald. In de plaats van de afstandelijke, rationele reflexen van vroeger willen zij een journalistiek die bewogen is en die een missie heeft, die niet alleen opnieuw de spiegel van de maatschappij moet worden maar de maatschappij ook moet mobiliseren. In België heeft La Libre Belgique zich al expliciet in het kamp van de civieke journalistiek geschaard. BENOIT GREVISSE : Zeker in het begin van de Dutroux-zaak zag men hetzelfde effect als na de dood van Boudewijn : een soort stilzwijgende afspraak om geen rationele, kritische verslaggeving te brengen. Natuurlijk heeft dat met de rouwstemming te maken, maar het blijft toch merkwaardig. Na de dood van Boudewijn werden kritische columns gewoon geweigerd. Kortom, men mag niet ingaan tegen de stroming, tegen de collectieve emotie. Maar het gevaar is dat het unanimisme uitdraait op een soort totalitarisme van de publieke opinie. Positief is dat de media opnieuw een standpunt innemen, wat in de jaren tachtig verwaterd was. Alleen is het overal wel ongeveer hetzelfde standpunt, en dat op een zeer militante, virulente wijze : als advocaat van de zogenaamde revolutie van de nieuwe burger. Sommige kranten drukten heel expliciete boodschappen af : pedofielen, wij zullen jullie niet loslaten ! En voorlopig wérkt dat. Terwijl de journalistiek de laatste jaren aan geloofwaardigheid had verloren, zien de burgers de media nu niét als een van de gecontesteerde machten, maar als het klankbord van de straat. Maar wat als binnen zes maanden, volgens de wet van de sociale inertie, alles terugkeert naar het oude ? Dan is men misschien ook deze verslaggeving weer beu. Het eerste proces van O.J. Simpson was op televisie een voltreffer, maar het tweede was een flop. De uitzendingen van de Dutroux-commissie op de RTBf scoren voorlopig nog goed. Hoe vertaalt die civieke journalistiek zich in de dagelijkse praktijk ? GREVISSE : In de Verenigde Staten wordt veel gefilosofeerd over het feit dat men de verhouding tussen burger en politiek opnieuw moet uitvinden, met in het midden de media in een sleutelrol : hét instrument van participatie van de burger. Ik vrees dat in ons land wel enkele marketingtechnieken, maar minder de achterliggende ideeën worden overgenomen. Alleen La Libre Belgique zegt uitdrukkelijk dat ze civieke journalistiek, dichterbij de mensen en in naam van het volk, wil brengen. Een eerste truc is het minutieuze onderzoek van de correspondentie van de lezers. Niet alleen om de lezersrubriek en opiniepagina's te vullen. Maar vooral om de thema's of figuren te ontdekken die bij de bevolking bovendrijven, en die men dan in de eigen kolommen kan opnemen. Of men opent een telefoonlijn voor reacties op bepaalde onderwerpen. Het Franse tijdschrift Télé-7 Jours heeft door een actief beheer van de correspondentie vedetten zoals Patrick Roy ontdekt : tot dat moment zeker geen ster, maar blijkbaar toch erg geliefd. Hij werd prompt op de voorpagina gezet, met groot succes. Het Duitse weekblad Stern legt zijn nummers eerst via Internet aan de mensen voor, en naar gelang van de reacties kunnen de artikels nog aangepast of van plaats verschoven worden. Nog zo'n techniek is het organiseren van lezersontmoetingen met een of andere persoonlijkheid. In andere media komt dan weer voortdurend het trottoir aan bod : foto's en reacties van de man in de straat. Of men staat gewoon een pagina af aan een of andere vereniging. Die dingen kosten dus bijna niets, geven de burger het gevoel te participeren, en stimuleren de verkoop. Dat laatste is natuurlijk geen onbelangrijke factor voor de schrijvende pers, die eigenlijk al sinds de Tweede Wereldoorlog achteruitboert. Gaat het vooral om die commerciële voordelen ? GREVISSE : De pers had na de dood van Boudewijn de ervaring opgedaan dat zo'n collectieve emotie de oplagen fors doet stijgen. Maar zowel het overlijden van de vorst, als de hevige emoties bij de bevolking, waren toen vrij onverwacht. De media begrepen pas na enkele dagen welke specifieke rol zij in die collectieve emotie te vervullen hadden, toen er rijen mensen op de stoep stonden om kranten te kopen. Daarna kwamen al die speciale katernen, met posters van de koning, en met bijna geen inhoud : de mensen wilden het zo. De Dutroux-zaak daarentegen kwam als het orgelpunt van een proces dat al langer bezig was : zeker de Franstalige pers en bevolking leefde al ruim een jaar vrij intens met Julie en Mélissa mee. Volgens mij snapten de media nu vanaf de eerste dag dat ze hetzelfde effect konden bekomen als in augustus '93. Hoofdredacties volgen nauwkeurig de piekdagen van de verkoop, zoals na de begrafenis van de meisjes. Bovendien voelen de journalisten er zich intens bij betrokken : zowel in augustus '93 als nu hebben ze het gevoel een historisch moment mee te maken en de bakens van hun beroep te verzetten. Het is maar achteraf dat het gevoel komt : hebben we ons niet een beetje te veel laten gaan ? Vroeger moesten journalisten hun eigen emoties uitschakelen. Dat is voorbij ? GREVISSE : Het klassieke voorbeeld is het beeld van de journalisten die, na het opgraven van An en Eefje, vader en moeder Marchal snikkend in de armen vallen. Reporters stonden wenend commentaar te geven ! Anderen staken een witte bloem in hun knoopsgat. Net zoals kranten in augustus '93 met een rouwbandje verschenen. En zowel toen als nu boden redacties hun oprechte rouwbetuigingen aan. De reality shows zijn dan wel op hun retour, maar hun karakteristieken zijn in andere informatieprogramma's uitgezaaid. De sportverslaggevers waren daar de eersten mee : emotioneel erg opgaan in het spel en zich zelfs tooien in de kleuren van de ploeg. Simpel gezegd, kan men stellen dat er een evolutie was van een journalistiek van opinies naar een journalistiek van feiten in de jaren tachtig, en nu naar een journalistiek van emoties. Er is trouwens een opvallende comeback van de ik-vorm. Dat impliceert dat men zijn eigen zieleroerselen blootlegt. Merkwaardig toch : men pretendeert in naam van het volk te spreken, maar dan wel in de ik-vorm. De vraag is in hoeverre men echt weet wat het volk drijft, of alleen maar zijn eigen visie geeft zoals Léon Degrelle destijds ook z'n eigen versie van Le Pays Réel uitdroeg. Ik denk dat twee nieuwe fenomenen elkaar nu aanvullen : enerzijds die civieke journalistiek, anderzijds wat le compassionel genoemd wordt door de Franse socioloog Dominique Mehl. Mensen willen zich in emoties herkennen, ook al zijn die soms wat vals of vrijblijvend. En dan gaat het niet alleen om grote, uitzonderlijke gebeurtenissen zoals de dood van Boudewijn en de Dutroux-zaak. De manier waarop begin dit jaar het onderzoek van de ontvoering van de kleine Nicolas uit een Luiks ziekenhuis verslagen werd de politie viel samen met cameraploegen het huis van de ontvoerster binnen , sprak al boekdelen. Het compassionele is een vast bestanddeel van de journalistieke retoriek geworden. Zoals in een soap ? GREVISSE : Typisch is de feuilleton-stijl waarin de affaires verslagen worden : elke dag moet zijn episode hebben, ook al is er volstrekt niéts te melden. Neem nu de opgravingen in Jumet : wekenlang hebben woordvoerders van de rijkswacht gemeld dat ze die dag weliswaar niets gevonden hebben, maar dat ze de volgende dag zeker iets interessants zouden vinden. Dat is letterlijk hoe een Amerikaans feuilleton afsluit : kom en zie morgen ! Men weet hoe men dat soort verslaggeving moet voeden, en men doet er zijn voordeel mee, want zo wordt het onderzoek gelegitimeerd. Van wat bij de burger leeft, moeten de media nu sowieso veel kwantiteit brengen : sommige dagen was er in kranten of televisiejournaals letterlijk niéts anders dan de Dutroux-zaak. Een ander element is dat men zich aan een simpele, sterke verhaallijn moet houden : complexe dingen worden beter weggelaten. En die eenvoudige lijn wordt dan voortdurend herhaald. Want een kind wil een geliefd sprookje ook altijd maar opnieuw horen. Hoe vaak hebben we nu niet de illustratie van een naakte vrouw op een altaar van satanisten gezien ? Sommige media willen niet alleen informeren, maar ook mobiliseren ? GREVISSE : Er is een wil tot mobilisatie, maar heeft dat een politiek doel of gaat het vooral om marketing ? Ter herdenking van koning Boudewijn werd indertijd al een fakkelmars gesponsord door enkele media. Nu zouden sommige kranten zelf een protestmars georganiseerd hebben, als de ouders het niet gedaan hadden. Maar het mobiliserende zit vooral in de stijl. Zoals La Libre Belgique schrijft : alles moet veranderen en wij garanderen dat we de bewakers van de veranderingen zullen zijn. Daartegenover staat, bijvoorbeeld, het weekblad Le Vif/l'Express, dat vasthoudt aan een rationele benadering en daarvoor soms bekritiseerd wordt door zijn lezers. Dat bleek duidelijk na het spaghetti-arrest, waarvan Le Vif toen wel de juridische logica verdedigde, terwijl de meeste media tégen het arrest mobiliseerden. Gaan media, die hun afstandelijkheid laten varen, vlugger uit de bocht ? GREVISSE : De waakzaamheid kan natuurlijk té ver gaan : het schoolvoorbeeld daarvan is de beschuldiging van een onschuldige Vervierse magistraat, die met naam en gezicht in de pers als pedofiel werd opgevoerd. Of de eerste foto van de kooi waar Dutroux de meisjes opsloot : in werkelijkheid ging het om een foto van het keldergat, maar verticaal afgedrukt. Anderzijds leidde de exploitatie van de emotie en horror ertoe dat men de opgegraven beenderen van An en Eefje exclusief op het scherm bracht. Door de snelheid en de angst om iets te missen, maakte men vroeger ook fouten denk aan het vervalste massagraf van Timisoara in Roemenië maar nieuw is die gretige, militante ingesteldheid. Als men zich de vaandeldrager van de nieuwe waarden noemt, zou men toch geen loze geruchten mogen lanceren, en die daarna niet eens rechtzetten. Wie voor de media een nieuwe missie ziet die anders is dan de traditionele kritische, rationele rol moet ook maar bereid zijn het journalistieke model te hervormen, met alles wat dat voor deontologie en regulering tot gevolg heeft. Chris De Stoop De Dutroux-zaak : journalistiek met een missie.De dood van Boudewijn : het compassionele.