De kreet klonk als een alarmbel: 'In tien jaar tijd zijn de Belgische bedrijven 21 procent marktaandeel kwijtgespeeld op de internationale afzetmarkten.' Bart Van Craeynest, van wie dit citaat uit De Tijd komt, is econoom bij de studiedienst van KBC. Hij lanceerde het cijfer wellicht niet toevallig in de eerste dagen van het nieuwe jaar. Volgens hem boert België namelijk achteruit omdat zijn concurrentiepositie verslechtert en de lonen ontsporen. En uitgerekend die twee thema's liggen nu al op de regeringstafel, en binnenkort ook op de onderhandelingstafel bij de sociale partners.
...

De kreet klonk als een alarmbel: 'In tien jaar tijd zijn de Belgische bedrijven 21 procent marktaandeel kwijtgespeeld op de internationale afzetmarkten.' Bart Van Craeynest, van wie dit citaat uit De Tijd komt, is econoom bij de studiedienst van KBC. Hij lanceerde het cijfer wellicht niet toevallig in de eerste dagen van het nieuwe jaar. Volgens hem boert België namelijk achteruit omdat zijn concurrentiepositie verslechtert en de lonen ontsporen. En uitgerekend die twee thema's liggen nu al op de regeringstafel, en binnenkort ook op de onderhandelingstafel bij de sociale partners. In zijn rekensommetje meldt Van Craeynest hoe onze concurrentiepositie afkalft sinds het einde van de jaren tachtig. Hoe we daarom 17 procent marge verloren hebben op onze belangrijkste concurrenten, vooral door de forse loonstijgingen. Dus meldt Van Craeynest dat er dwingende ingrepen nodig zijn, omdat een open economie als de Belgische een verdere verslechtering van onze concurrentiepositie onmogelijk kan dragen. Zou premier Guy Verhofstadt (VLD) de voorstellen van Van Craeynest al in een keurig mapje op zijn bureau hebben liggen, klaar om de loononderhandelingen aan te vatten? Misschien wel, misschien niet. Toen enkele maanden geleden het Global Competitiveness Report boven water kwam tijdens het World Economic Forum in Davos, en België het slechtst bleek te scoren van alle West-Europese landen, wuifde de eerste minister alle alarmkreten weg. Een rangschikking die België de poverste economische groei, het meest krakkemikkige ondernemersklimaat, een van de slechtste belastingsystemen en een van de meest dwingende overheidsinmengingen toedicht op basis van macro-economische cijfers, de kwaliteit van de overheidsinstellingen, de aanwezige technologie én een rondvraag bij 11.000 Europese bedrijfsleiders, kan niet betrouwbaar zijn, zo meldde de premier. Vorig najaar berekende het Verbond van Belgische Ondernemingen dat de loonkloof met onze buurlanden tot 2,9 procent was opgelopen, waardoor er 23.000 jobs op de helling stonden. De regering zweeg. En toen eind vorig jaar de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CBR) de schrik om het hart sloeg bij de gedachte dat de Belgische lonen volgend jaar 2,1 procent sneller zullen stijgen dan de Duitse, de Franse of de Nederlandse, gaf de regering weer geen kik. Pas in het begin van 2006, bij wijze van goede voornemens wellicht, gaf de onverbeterlijke positivo in Verhofstadt voor het eerst schoorvoetend toe dat België nood heeft aan maatregelen om zijn concurrentiekracht op te krikken. Maar om het herstel van de Belgische concurrentiekracht te verheffen tot hét thema van 2006, zal Verhofstadt zichzelf wellicht moeten omtoveren in een krachtdadige premier met thatcheriaanse allures. Het afschaffen van de automatische loonindexering, een van de maatregelen die genoemd worden om onze concurrentiekracht te herstellen, is voor de vakbonden even onbespreekbaar als een forse knip in de lonen. Vierkant tegen dat resolute njet ingaan, zou van de regering ware doodsverachting vergen. Of de overtuiging dat de liberalen tijdens de volgende coalitie hoe dan ook toch weer naar de oppositie verbannen zullen worden. FRANK DEMETS