De omstandigheden willen dat het Agusta/Dassault-proces deze week van start gaat, net een dag nadat de scholen weer aan hun jaar zijn begonnen. Als er de leraars en de leraressen tussen de kennismaking en het uitreiken van de nieuwe klasagenda's door nog tijd rest, zouden ze de aandacht van hun leerlingen kunnen vestigen op wat zich daar, voor het Hof van Cassatie, afspeelt. Als het onderwijs jonge mensen graag tot toch enigszins bewuste burgers wil vormen, doet zich een kans voor om aan de hand van levende poppetjes duidelijk te maken hoe een en ander in elkaar zit.
...

De omstandigheden willen dat het Agusta/Dassault-proces deze week van start gaat, net een dag nadat de scholen weer aan hun jaar zijn begonnen. Als er de leraars en de leraressen tussen de kennismaking en het uitreiken van de nieuwe klasagenda's door nog tijd rest, zouden ze de aandacht van hun leerlingen kunnen vestigen op wat zich daar, voor het Hof van Cassatie, afspeelt. Als het onderwijs jonge mensen graag tot toch enigszins bewuste burgers wil vormen, doet zich een kans voor om aan de hand van levende poppetjes duidelijk te maken hoe een en ander in elkaar zit. Dat drie gewezen ministers, en niet van de minste, zich moeten verantwoorden, is natuurlijk niet mis. Hoewel, het is ook geen primeur meer: Guy Coëme werd enkele jaren geleden voor soortgelijke feiten door datzelfde hof veroordeeld in de Uniop-zaak. Het is ook geen geheim dat andere politici van andere partijen het voorbije decennium ternauwernood aan vervolging zijn ontsnapt. Denk aan het obussenschandaal. Of aan de manier waarop een paar handige bliksems na de sluiting van de Kempense Steenkolenmijnen miljarden overheidsgeld achterover sloegen, terwijl hele regeringen er stonden op te kijken. De socialist Serge Moureaux zei vorige zondag op televisie: "Wie dat helikoptercontract ook had gekregen, betaald was er toch. Dat ging toen namelijk altijd zo." Het was niet duidelijk of hij zelf op dat moment begreep hoe ontluisterend die uitspraak eigenlijk wel was. Voor wie lessen wil trekken uit dit proces, is het ook aangewezen om aandacht te besteden aan de traditionele toespraken waarmee de hoge magistratuur ook dezer dagen het gerechtelijk jaar opent. Er zal daarbij hier en daar wellicht harde taal worden gesproken over het zogenaamde Octopus-akkoord, waarmee verschillende politieke partijen de werking van de politie en de justitie willen hervormen. Dat is niet zonder belang, want het is in wezen bijna een direct gevolg van de grote Witte Mars van oktober 1996: het is het antwoord op de roep om een gerecht dat beter werkt en instellingen die zich in de eerste plaats met de mensen bezighouden en niet met zichzelf. Het kan geen kwaad om jonge mensen, en zij niet alleen, eraan te herinneren hoe een democratische rechtsstaat hoort te functioneren - ze zien nu te vaak alleen hoe het niet moet. Hoe de machten tegenover elkaar zouden moeten staan, en elkaar in evenwicht houden. Het voortdurende gekibbel tussen de magistratuur en de wereld van de politiek van de voorbije jaren, bijvoorbeeld, kan niet eindeloos duren zonder dat daar ongelukken van komen. Het parlement kreeg recent wel mensen en middelen om de concurrentie met de almachtige regeringen aan te kunnen; of daar voldoende gebruik wordt van gemaakt, is hier even niet aan de orde. Er kan in die zin begrip worden opgebracht voor het ongenoegen in de justitiepaleizen over bepaalde delen van de justitiehervorming; om de mening van de rechters zelf is namelijk niet gevraagd. Het was misschien een kleine moeite geweest. Hele Japanse multinationals zijn gebouwd op de simpele idee dat elke arbeider weet dat er rekening wordt gehouden met zijn opvatting over hoe de productie op zijn werkvloer beter kan worden georganiseerd. Net zo was de voordracht van de socialist Didier Batselé door de Kamer en de minister van Justitie tot raadsheer bij het Hof van Cassatie op dit moment en in deze omstandigheden hogelijk ongepast. De macht heeft haar kleed van arrogantie nog niet afgelegd.Toen de Agusta-zaak begin 1995 aan het licht kwam, wist Louis Tobback dat voor een generatie in de politiek het einde in zicht was. Dat waren pijnlijke woorden, want hij sprak niet over vreemden. Hij had het over mensen in zijn partij en daarbuiten, met wie hij lang samen was opgestapt. Tobback had gelijk, maar toch blijft er van de vernieuwingsoperaties die daarna zo stormachtig de kop opstaken, nog maar weinig over. De hele ID21 van Bert Anciaux, bijvoorbeeld, blijft bij gebrek aan veel concrete inhoud alsnog steken in een poging om enkele mensen een goede plaats op een lijst te bezorgen. Bij de VLD botsten Guy Verhofstadt en Marc Verwilghen frontaal; daar is een wonde geslagen die nooit meer geneest. In de CVP blies Johan Van Hecke smadelijk de aftocht, een vertrek waar nog weinigen om treuren. Het is daarom belangrijk dat ook aankomende kiezers weten hoe zo'n land in elkaar zit. De stem die ze misschien volgend jaar al uitbrengen, kan verstrekkende gevolgen hebben. Op een nieuwe Jean-Pierre Van Rossem zit niemand te wachten. Dat het niet zo eenvoudig is, bewees de Zwitser Dumeni Columberg met zijn rapport over de Belgische taaltoestanden voor de Raad van Europa. Nochtans een deskundige van een respectabele internationale instelling. Het toont ook het gevaar. Want het is niet het luxeprobleem van de Franstalige ingezetenen van enkele Brusselse randgemeenten dat ons in de eerste plaats moet bekommeren. Er zijn nog wat agendapunten die eerst aan de beurt zijn: diegene namelijk die de mensen zelf daar de voorbije maanden hebben op geplaatst.