In twee fasen verklaarden de handelsrechtbanken de glasgroep Verlipack failliet. Eerst de fabriek van Mol; daarna, na een mislukte poging tot gerechtelijk akkoord, de Waalse vestigingen van Jumet en Ghlin en alle nevenbedrijven. De aandeelhouders steken geen vers geld meer in hun verlieslatende groep. Zelfs het Waalse Gewest haakt af. Bijgevolg draaiden de bankiers de kraan dicht. Daardoor vallen 843 personeelsleden, van wie 280 in Mol, werkloos. De laatste holglasproducent verdwijnt - voorlopig? - van de industriële kaart.
...

In twee fasen verklaarden de handelsrechtbanken de glasgroep Verlipack failliet. Eerst de fabriek van Mol; daarna, na een mislukte poging tot gerechtelijk akkoord, de Waalse vestigingen van Jumet en Ghlin en alle nevenbedrijven. De aandeelhouders steken geen vers geld meer in hun verlieslatende groep. Zelfs het Waalse Gewest haakt af. Bijgevolg draaiden de bankiers de kraan dicht. Daardoor vallen 843 personeelsleden, van wie 280 in Mol, werkloos. De laatste holglasproducent verdwijnt - voorlopig? - van de industriële kaart. België heeft een lange geschiedenis inzake de productie van flessen en bokalen, lopend tot in de Gallo-Romeinse tijd. Het zogenoemde holglas was een welvarende bedrijfstak. Dat duurde tot rond de eeuwwisseling, toen de euforie van de Industriële Revolutie, waarin het land een voorloper was geweest, uitgeblust raakte. Er volgde een lange periode van fusies en fabriekssluitingen. Maar in de jaren zeventig was voor de Generale Maatschappij van België, toen nog echt de Société Générale de Belgique, het vet van de soep. Ze trok zich terug uit het holglas en dat deed de holding even kordaat als uit de steenkoolmijnen en het staal. De Frans-Belgische groep Empain veegde alle scherven bij elkaar tot de fusievennootschap Verlipack. Het verhaal van opeenvolgende mislukte reddingspogingen kon beginnen. Empain werd het zelf al snel beu. Door de stijging van de energieprijzen in de jaren zeventig, de tijd van de oliecrisissen, genoot de holding niet langer van het industriële werk. Om het faillissement te vermijden bevorderde de toenmalige economieminister Willy Claes (SP) de enig overblijvende holglasgroep tot een zogenoemde nationale sector. Ze kwam daarmee terecht in het slechte gezelschap van de al even noodlijdende sectoren staal, kolen, textiel en scheepsbouw. De belastingbetaler heeft daar niet veel plezier aan beleefd. Overgesubsidieerd om werkgelegenheid te redden, kostten de nationale sectoren veel geld en schiepen ze finaal weinig werk, terwijl aan ongeveer alle dossier geurtjes van malversaties met overheidsgeld kleven.DE TAPIJTENFABRIKANT KOMT REDDENKortom, Verlipack was een gemengd bedrijf, met de overheid en de holding Electrorail, zelf onderdeel van Empain als aandeelhouders. Maar in 1985 had Empain-baas Didier Pineau-Valencienne, de Parijzenaar die enkele jaren geleden een tijdje in een Belgische cel in voorarrest zat wegens vermeende benadeling van de Belgische aandeelhouders van zijn rijk, ferm genoeg van Verlipack en hij liet de groep op de klippen lopen. Ondanks een bod van American Can manoeuvreerde minister van Economie Mark Eyskens (CVP) het failliete boeltje in handen van de Brusselse hoogleraar Walter De Backer, die toen ook enkele textielbedrijven poogde te redden - tevergeefs -, en van de West-Vlaamse zakenman Gino Coorevits. Althans, zo zag het eruit, want niemand wist wie zich verschool achter het kluwen van Panamese en Luxemburgse vennootschappen, waarvan de beide heren zich bedienden. De Vlaamse tapijtreus Beaulieu van de familie De Clerk dook op en snel ging de groep zich als de echte eigenaar manifesteren. In 1989 trad zoon Dominiek De Clerck naar voren als voorzitter van de raad van bestuur van Verlipack. Wat bezielde de tapijtreus om een glasgroep over te nemen? Dominiek De Clerck argumenteerde in die tijd dat zijn groep met polypropyleen al sommige verpakkingen produceerde voor de farmaceutische, de cosmetische en de video-industrie. Met Verlipack zou ze daarin verder doorgroeien en het accent leggen op recycleerbare verpakking. Voor de duidelijkheid bevestigde De Clerck dat, als Beaulieu een bedrijf koopt, het niet is om het enkele jaren nadien met winst te verkopen. Op zijn Beaulieus heette het dat de glasgroep snel een winstgevend bedrijf zou worden. Maar sneller bleek dat de West-Vlamingen alles van tapijten afweten, maar niet de technologie in huis hadden om de razendsnelle evolutie in het holglas te volgen. Verlipack genereerde onvoldoende geld om te investeren en op eigen kracht te groeien. Dominiek De Clerck was pas een jaar voorzitter of hij kreeg al het parket van Brussel op zijn dak. De speurders waren op zoek naar mogelijke misbruiken met de 750 miljoen frank overheidssubsidies. Dat waren toen woelige tijden bij Beaulieu: onderzoeksrechter Bruno Bulthé neusde tegelijk in de overnamedossiers van Fabelta en Idealspun. Op de dag dat Beaulieu zelf Walter De Backer aanklaagde wegens gesjoemel met de subsidies, verongelukte de professor bij een verkeersongeval. Het Verlipack-dossier verdween in de mist, met veel halve akkoorden en onopgeloste vragen. VLAANDEREN STAAKT DE STRIJDIntussen was de glasgroep virtueel failliet, maar ze ontsnapte door een kunstige herwaardering van haar vastgoedvennootschap Verlimo. Voor Beaulieu was het duidelijk dat ze Verlipack niet alleen de baas kon. Heye Glas (dochter van Hermann Glas) uit het Nedersaksische Obernkirchen sprong bij. In 1997 namen de Duitsers 51 procent van de glasgroep over. Ze werden als nieuwe redders verwelkomd, want Heye Glas was technologisch wereldleider, met een omzet van acht miljard frank en 1500 werknemers. Met al dat reddingswerk kostte Verlipack de gemeenschap pakken poen. De groep Beaulieu had al 750 miljoen frank overheidssubsidies gekregen; bij de nieuwe redding door de Duitsers wilde Vlaanderen niet meer meespelen. De industriële overheidsholding Gimvindus trok zich uit het glasavontuur terug. Dat was nu mogelijk, omdat het economisch beleid voor de nationale sectoren tijdens een nieuwe staatshervorming was geregionaliseerd. De Vlaamse economieminister Eric Van Rompuy (CVP) stond op zijn strepen: als Heye Glas en Beaulieu hem zo'n prachtig industrieel plan voor de toekomst van Verlipack konden voorleggen, was er geen reden om nog overheidsgeld toe te stoppen. Wat chantage met de dreiging om de fabriek in Mol te sluiten kon de minister niet vermurwen. Van zo'n realistisch cynisme viel aan Waalse kant geen spoor te bekennen. "Dieu" Guy Spitaels (PS) was hevig vóór overheidsinterventie en hoefde niet eens Waals minister-president Robert Collignon (PS) hard onder druk te zetten. Het Waalse Gewest schoof, direct en indirect, nog eens 850 miljoen frank toe. De Waalse overheidsholding behield een minderheidsparticipatie. Dit alles op voorwaarde dat geen Waalse cent naar de Vlaamse fabriek van Mol zou vloeien. HET LIJKT WEL STERVENSBEGELEIDINGDe werknemers van Verlipack, hun aantal was in al die avonturen geslonken van 2600 tot een goeie 800, begroetten de komst van Heye met opluchting. Beaulieu liet een doodziek bedrijf achter, het kon nu alleen maar beter gaan. Niets bleek minder waar. De prijzen van de glasproducten daalden en Verlipack poogde zijn marktaandeel met nog lagere prijzen te redden. Zo vergleed de groep in een toestand van hoe meer glas hoe groter verlies. Niks nieuwe rendabiliteit dus, en van echte investeringen was al evenmin sprake. Heye stuurde gewoon zijn afgeschreven machines uit zijn Duitse fabrieken naar België. Mol verkeert dan ook in een verregaande toestand van veroudering. De Oven 12 voor groenglas dateert al van 1983 en ook de andere kreunen onder hun gezegende leeftijd. Ghlin en Jumet ogen enigszins (maar niet veel) beter. De vraag rijst of Heye Glas ooit wel de bedoeling had van Verlipack een winstgevende groep te maken. Achteraf bekeken lijkt het erop alsof de Duitsers op kosten van het Waalse Gewest een noodlijdende concurrent bij zijn sterven begeleidden. Verlipack was bovendien de kortste weg naar de Franse markt. Heye heeft, zo is nu wel duidelijk, bij de overname geen frank eigen middelen geïnvesteerd; hun inbreng bestond uit geld van het Waalse Gewest. Daarentegen staan in de boeken van de Belgische fabrieken op de onduidelijke post "diensten en diverse goederen" uitzonderlijk hoge kosten die naar het moederbedrijf vloeiden. De curatoren van de failliete fabrieken laten de lopende productie afwerken. Zij hopen daarmee de kansen op een zoveelste redding gaaf te houden.Guido Despiegelaere