Wie zei ook weer dat literatuur een spiegel van deze tijd moet zijn? Als er heel wat ellende op deze planeet heerst, dienen de schrijvers dat op een literair verantwoorde manier in hun romans te signaleren. Maar hoe kun je als auteur de sores van deze wereld in een pakkende roman verpakken? Hoe schrijf je tegenwoordig geëngageerd proza?
...

Wie zei ook weer dat literatuur een spiegel van deze tijd moet zijn? Als er heel wat ellende op deze planeet heerst, dienen de schrijvers dat op een literair verantwoorde manier in hun romans te signaleren. Maar hoe kun je als auteur de sores van deze wereld in een pakkende roman verpakken? Hoe schrijf je tegenwoordig geëngageerd proza?Ward Ruyslinck kreeg al van bij zijn debuut, "De ontaarde slapers" (1957), een brandmerk mee. Ruyslinck, aldus criticus Jan Greshoff toen, staart zich blind op een "boedelstaat van alle denkbare ellenden". In zijn nieuwste roman, "Traumachia", is het niet anders. Vanaf de eerste bladzijde plegen mensen collectief zelfmoord en naarmate het einde nadert, sneuvelen er heel wat andere personages of klappen ze mentaal dicht. Ook de Schotse cultschrijver Irvine Welsh ontpopte zich met "Trainspotting" (1993) tot een talentvol exponent van de jongste lichting zwarte romantici. Zijn nieuwste roman, "Smeris", is een keiharde kroniek van het kwaad in deze wereld. In zekere zin is "Smeris" het Schotse pendant van "American Psycho". Aan de hand van een losgeslagen politieman onderneemt de lezer bij Welsh een hellevaart die qua intensiteit herinnert aan de lotgevallen van de seriemoordenaar bij Bret Easton Ellis. Hoe komt het dat je als lezer wordt meegezogen door het relaas van Welsh, terwijl je in het geval van Ruyslinck onberoerd blijft bij al de gerapporteerde ellende? Ruyslinck maakt het zich te makkelijk hoezeer hij ook zijn best doet om een hallucinant portret op te hangen van een wereld die uit haar voegen is geraakt. Het hoofdpersonage is een criminoloog die dolgedraaid door alle mogelijke vormen van geweld uiteindelijk zelf gewelddadig wordt. Ruyslinck laat een hele pléiade van eigentijdse geweldplegingen de revue passeren: van verkrachting tot baldadig spookrijdertje spelen. De echtgenote van de criminoloog wordt er zowaar depressief van, hoezeer ze ook haar best doet om in de columns van haar blad te reflecteren over al die negativiteit. Ook de echtgenoot-wetenschapper zoekt natuurlijk naar verklaringen voor het onheil. Waarom kookt de wereld over? Hij gaat naar een spreekbeurt van een beroemd cultuurfilosoof die het in "Ontaarding en ontwaarding" over een nieuw maatschappijbeeld heeft. Traumachia of de strijd van het kwaad is, aldus deze zogenaamde volgeling van Marcuse, nog nooit zo intens geweest. Voordat hij zijn analyse echter mag afmaken, zijn er neofascisten die hem het zwijgen opleggen. Daarom moet de lezer het maar stellen met de analyse van de criminoloog die het niet verder brengt dan tot het herkauwen van reuzegrote neoconservatieve clichés: "Volgens mij (...) zijn de twee belangrijkste oorzaken van de snelle toename van criminaliteit (...) de ethische normvervaging en de materialistische levensbeschouwing."DE MODALE KLEINBURGERRuyslinck laat de lezer meekijken in het hoofd van de good guy die registreert hoe alles misgaat in deze samenleving. Dit criminologisch cameraoog heeft weinig interessante gedachten en vertikt het daarenboven om in te zoomen op de staaltjes van zinloos geweld die het tegenkomt. Het kwaad krijgt dus nauwelijks smoel bij Ruyslinck en wordt ook nergens adequaat geanalyseerd. Ruyslinck voegt niets toe aan het gangbare zwart-witdenken van de modale kleinburger die zich hoofdschuddend afvraagt in wat voor een slechte wereld hij toch leeft. Welsh daarentegen durft het kwaad wél in het gezicht te zien. Hij kiest het perspectief van de bad guy, de smeris, die graag een extra graantje meepikt door overuren te kloppen of door te werken op zon- en feestdagen. Het getuigenis van politieman Bruce Robertson wordt aanvankelijk onderbroken door monologen van zijn echtgenote die bij hem weg is. De vreetlust van het hoofdpersonage krijgt plots een andere wending wanneer Welsh uitpakt met een primeur in de literatuurgeschiedenis. Hij laat namelijk een lintworm aan het woord. Door de lopende tekst geregeld te onderbreken met de contouren van een darmkanaal opgevuld met woorden, evoceert Welsh de gedachten van twee parasieten in de onderbuik van Robertson. En wat meer is: de waarheid komt écht uit de mond van een lintworm. De monologue intérieur van de worm deint geleidelijk aan uit tot een heel dossier over het ziektebeeld van het hoofdpersonage. Het kwaad wordt door Welsh dus niet alleen immanent beschreven, vanuit de gevoelens en gedachten van Robertson zelf, maar krijgt ook een plausibele verklaring mee door de bijzondere geboorte en jeugd van Robertson: "De impuls om te kwetsen en te overheersen, om de leegte van binnen op te vullen. Je denkt aan de man die je verwekt heeft. Je bent vervuld van trots en minachting." Wanneer Robertson afrekent met zijn echte vader in de gevangenis, liquideert hij het beest in zichzelf. Welsh heeft een speciaal flair voor cynische, dubbele bodems. Dat Robertson een moord moet onderzoeken waar hij zelf bij betrokken is, is slechts een van die dubbelzinnigheden die de hele roman overwoekeren. Robbocop, zoals zijn koosnaampje suggereert, is een machomonster van het zuiverste soort. Hij weet iedereen tegen elkaar uit te spelen totdat hij finaal de trappers verliest en ten onder gaat op een hallucinante manier. Welsh probeert, zoals gezegd, de logica van de duivel te doorgronden door diabolisch mee te denken en mee te doen met de smeris van dienst. "Filth" of "smeerlapperij" heette de roman in het Engelse origineel en smerig, uiterst smerig is het leven van deze eigentijdse Beëlzebub. Niet alleen zitten zijn genitaliën en billen onder het eczeem, maar ook zijn gedachten zijn van een moeilijk te evenaren wormstekige natuur. De handelingen van deze exemplarische slechterik zijn navenant. Toch weet Welsh op een overtuigende manier de lezer mee te laten gaan in de perverse wereld van de smeris door eveneens de menselijke, al te menselijke trekjes van Robertson uit de verf te laten komen. Vooral op het einde van de roman krijgt de antipathieke held haast een aura van martelaarschap. Het lijkt alsof Welsh een piëta voor het monster in ieder van ons heeft willen beitelen. GORDIJN VAN IRRATIONALITEITWie niet wil of durft beseffen dat er een potentiële, diabolische smeris in ieder van ons schuilt, vervalt in de platitudes van Ruyslinck. Ruyslinck laat zijn hoofdpersonage weliswaar zelf agressief uithalen, maar langer dan enkele zinnen blijft hij niet stilstaan bij deze plotse daad van geweld. Onmiddellijk verdwijnt het rode waas voor de ogen van de criminoloog. De lezer wordt niet uitgenodigd om mee te komen kijken achter het gordijn van de irrationaliteit. Ruyslinck zoekt het kwaad op de eerste plaats buiten zichzelf in iemand anders die hij dan ook nog eens flou in beeld brengt. Op die manier werkt Ruyslinck het misverstand in de hand dat misdadig gedrag vooral een zaak is van jonge nietsnutten die zich bandeloos overgeven aan onbegrijpelijke perversiteiten. Welsh is de betere romancier omdat hij met een groot inlevingsvermogen laat zien hoe een grenzeloos najagen van eigen kicks tenslotte zichzelf vernietigt. Via het commentaar van de ex van Robertson én van de lintwormen suggereert Welsh een mogelijke voedingsbodem voor zoveel smerigheid. Het is dan ook het toppunt van ironie dat Welsh zijn supergeëngageerde roman laat voorafgaan door een stoïcijnse uitspraak van Arthur Schopenhauer waarin uitgerekend het desengano of het niet geëngageerde, afzijdige beschouwen van het leven wordt aangeprezen. Ward Ruyslinck, "Traumachia", Manteau, Antwerpen, 228 blz., 695 fr. Irvine Welsh, "Smeris", De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 377 blz., 999 fr. Frank Hellemans