Soms straalt de wandtekening van Otto Zitko, dan weer dooft hij uit. Een interview.
...

Soms straalt de wandtekening van Otto Zitko, dan weer dooft hij uit. Een interview.ALS het prille begin van het nieuwe Museum van Hedendaagse Kunst in Gent als een genesis zou verteld worden, dan kan de Oostenrijkse kunstenaar Otto Zitko (36) er in optreden als de schepper van hemel en aarde. Of anders als een kermisbouwer. Zijn reusachtige wandtekening, die het gelijkvloers langs de trap met de verdieping verbindt, opent een roetsjbaan van wel planetaire dimensies. Drie weken voor de anderen in De Rode Poort aan de slag gingen, voerde hij een fysieke strijd om de gigantische witte muur in zijn greep te krijgen. Ik kon uw wandtekening slechts werkelijk zien als er een stralend licht op viel. OTTO ZITKO : Het is een wand, bewerkt met houtskoolstift, praktisch helemaal met koolstof bedekt. Volgetekend met lijntekeningen, maar zo sterk dat het bijna een zwart vlak wordt. En in zoverre is het een vlak dat het licht eigenlijk opslokt. In die zin kan het tot een zekere graad wellicht ook verdwijnen, wanneer het donker wordt... omdat het zelf donker is... hoewel het zo sterk present is. Bij royaal licht heeft het een envergure die zelfs aan de Sixtijnse kapel doet denken. ZITKO : Dat is de monumentaliteit. Het heeft zelfs de schwung van het bijbelverhaal van Michelangelo. ZITKO : Het zijn cirkelbewegingen van de hand, van het lichaam en als het ware abstracte composities in plaats van figuratief. Het gaat, zeker in vergelijking met een Michelangelo, om het volledig uitputten van de dimensie, van dit monumentaal oppervlak. En van het boven-lichamelijke ? ZITKO : Boven-lichamelijk, nja, omdat het een relatie legt met de ruimte ook. Het is geen wand, het beïnvloedt de kwaliteit van de ruimte, het wordt door het licht beïnvloed, beïnvloedt het licht, een wisselwerking. Ik heb er ook een toespeling in gelegd naar iets wat je vaak aantreft bij plafondfresco's uit de barok, uit de Renaissance. Denk aan de paleizen met van die monumentale schilderingen waar je tegenwoordig als in musea binnengaat. Daar ligt voor de beschouwer bij wijze van kijkhulp vaak een spiegel op de grond, zodat hij niet direct omhoog moet kijken. Je kijkt in de spiegel en je ziet het plafond. Daarop zinspelend heb ik, vis à vis op de trap een spiegel aangebracht, al is het hier dan niet vertikaal. En tegelijk gaat het hier om een fragment uit het grote vlak. Dat wil zeggen : het fragment is van gelijke betekenis als het grote vlak. Je kan dus zowel het fragment als het hele vlak waarnemen als zelfstandig geheel. Het architectuurgegeven is nu zo dat je het hele vlak slechts vanuit bepaalde standpunten kan waarnemen. Van hieruit zit de trap in de weg, en als je op de trap staat, heb je een schuin zicht. Aan de balustrade, op de overloop, kan je het hele beeld zien. Maar anders zie je slechts fragmenten. En dus heb ik ook de spiegel gebruikt als verwijzing dat het werk ook fragment kan zijn. Dat is een belangrijk verschil met renaissance en barokfresco's waar... ZITKO :... altijd slechts het geheel belangrijk is. Het geheel, bij u, betekent : tot in het oneindige. ZITKO : Ja, ja, omdat het allemaal kan verdergaan. Als je wil is dat de nalatenschap van Jackson Pollock, het boven het formaat uit gaan, om zo te zeggen. Enerzijds het formaat reeds als heelheid, als afgesloten harmonisch geheel, maar toch slechts weer een fragment van wat meer zou kunnen zijn... Jan Hoet vond dat het de virtuositeit van Jackson Pollock niet heeft. ZITKO : De dimensie is zo groot dat het die mate van virtuositeit niet toelaat. Dat laat dit vlak niet toe. Is dit werk gemaakt om te blijven of om te verdwijnen ? En wat is de relatie met de lichamelijkheid ? ZITKO : Dan zijn we bij Leonardo da Vinci. Hij beschouwde de hele kunst als experimenteerveld, als laboratorium. Ook met grote monumentale oppervlakken heeft hij geëxperimenteerd, en er mislukkingen mee beleefd. Er is de ?Veldslag bij Anghiari? een werk dat al tijdens zijn leven niet meer bestond, dat zelfs nooit voltooid geraakt is. Hij heeft met materiaal geëxperimenteerd dat zichzelf vernietigd heeft. Precies zoals het ?Laatste Avondmaal? in Milaan tijdens zijn leven opgebroken werd en eigenlijk al weer vernietigd werd. Het ging echter altijd om het experiment. Een kwestie van gestalte geven en tegelijkertijd ook weer van verdwijnen : het moet niet voor de eeuwigheid zijn. Die wanden van mij worden normalerwijze ook weer vernietigd. Voor tentoonstellingen, musea of galeries : het is altijd slechts tijdelijk werk. Dat is zeer belangrijk : natuurlijk kan het blijven, maar het is niet voor de eeuwigheid bedoeld. Dat is één punt. En ook de lichamelijkheid heeft iets met Leonardo da Vinci te maken. Nog eens die ?Slag van Anghiari? : het is wel degelijk een slag. Zulke monumentale werken zijn een strijd tussen het eigen lichaam en de wand, het bedwingen van zo een dimensie. Uit Leonardo's voortekeningen zien we dat het om pure lichamelijkheid gaat. Bij u... ZITKO : Daar gaat het om een afbeelding. Vroeger werd lichamelijkheid nog door het beeld van het lichaam voorgesteld. Bij mij is het geabstraheerd, veel directer. Heeft u veel ontwerpen gemaakt ? ZITKO : Ik maak nooit ontwerpen. Bij zulke werken kan je dat niet doen. Het is geen conceptueel werk, dat ik dan projecteer, zoals bij voorbeeld Peter Santino, of Sol LeWitt. Mijn concept is : geen concept te hebben. Er op afgaan, spontaan, en de wand doorgronden. Door de enorme dimensie kan het ook mislukken. Op de foto's van de eerste fase is het alsof er nog geen oriëntatie is, de eenheid is ver te zoeken... ZITKO : Het is allemaal open, er kan van alles gebeuren. Het kan in dat stadium blijven, het is een work in progress. En de beslissingen moeten tijdens het werken getroffen worden. Welke weg je dan opgaat, dat zit in het werk. Daar komt uw lichamelijkheid aan de orde, vast verbonden met bepaalde bewegingen. ZITKO : Het is een bepaald vocabularium dat gebruikt wordt. Dat is zeer gereduceerd, en wel tot mijn mogelijkheden van een lichamelijke beweging. Ik kan slechts de arm uitstrekken en ik kan hem weer terugtrekken, dat is mijn lichamelijk vocabularium. Ik kan ook de romp buigen, ik kan een grotere boog maken, ik kan een cirkel trekken, en een lijn. Ik kan slechts zo ver gaan. Bij zulke dimensies neem je werktuigen, een verlenging van de arm, met een lange stok. Dan wordt de actieradius van de cirkel groter, maar het vocabularium blijft hetzelfde : ik kan slechts een cirkel trekken. Als de stok te lang wordt, kan ik hem niet meer houden. Dat is dan uw levenswerk. ZITKO : Dat is de lichamelijkheid die ik kan inbrengen, waarmee ik dat werk de baas word. En waar u nooit van afwijkt ? Dan blijven er geen nieuwe uitdrukkingswijzen over, geen nieuwe hindernissen om te overwinnen ? ZITKO : Natuurlijk zoek ik nieuwe hindernissen. Voor uw lichaam ? ZITKO : Voor mij. ?Mij? betekent : mijn lichaam. En ik ben geen sportman. Het is me nu niet te doen om sportieve topprestaties. Dat ben ik niet, dat is niet mijn bedoeling. Toch wil ik min of meer tot aan de grenzen gaan van wat lichamelijk uitvoerbaar is, en zonder grote hulp van techniek. Natuurlijk heeft men hulpmiddelen nodig : een machine die mij omhoogdraagt, stellages, ladders. Maar het gaat mij niet om de eerste beklimming van deze wand. Dan is voor u altijd het belangrijkste : de ervaring. ZITKO : Het gaat om de ervaring van het overwinnen van een dimensie. Niet een wand of een top bereiken maar een ervaring scheppen en doorgeven. Een ruimte-ervaring : en dat is dan precies de abstractie van lichamelijkheid, dat is het resultaat en de abstractie van mijn ervaring bij het werken. Mijn lichamelijke ervaring kan ik u niet doorgeven, u hebt slechts de ruimte-ervaring. Die kan ik u doorgeven. Dat is het wezenlijke. En het gaat ook hierom : wat kan ik met het medium doen, het medium van de tekening, van de lijn ? En het gaat ook om nieuwe hindernissen, in zoverre dat ik altijd in situ werk. Elke ruimte, elk museum, elk nieuw oppervlak dat zich aandient is in een nieuwe ruimte, een nieuwe omgeving, heeft een nieuwe materialiteit. Elke wand is anders, vereist een ander materiaal. Wil ik een materiaal nemen en het pakt niet, dan moet ik een ander nemen. En zo veranderen, van werk tot werk, de omstandigheden. De kleur komt er niet bij kijken ? ZITKO : Ja ook, maar het gaat niet zozeer om kleurigheid, het is momenteel beperkt tot de lijn. Het is geen schilderkunst. Het is een tekening, bepaald door de wand, door de verschillende ruimtelijkheden, of het nu houtkoolstift is, of gekleurde oliestift, of grafiet, dat hangt van de gegeven omstandigheden af : de keuze van het materiaal. Stelde de wand in het Gentse museum bijzondere eisen ? ZITKO : Het is een normale wand. Het was een kwestie van dimensie en van een bepaalde tijd, nodig voor de voltooiing van het werk. Moest de wand niet glad gemaakt worden ? ZITKO : Omgekeerd, voor houtskool moet het ruw zijn. De houtskool zelf had een glad uitzicht, hier en daar. ZITKO : Het wisselt, de delen wisselen omdat de ondergrond van de wand verschillend is. Het is gips, en dan is het weer een andere laag. De houtskool pakt verschillend, ook op dit vlak, en daarom zijn er verschillende delen. Als ik een gat gips, dan is het oppervlak glad. Gips is glad, muurpleister is ruw. En daarom is er dan een breuk. Jan Braet De Rode Poort, tot 2.2.97 in het Citadelpark, Gent. Otto Zitko aan het werk in De Rode Poort : schepper van hemel en aarde.De voltooide wandtekening : het overwinnen van een dimensie.