Het gaat goed met het gezinsvermogen, dank u. Maar slecht met de koopkracht van de gemiddelde werknemer. Het vermogen ligt hoger dan ooit in de Belgische geschiedenis: samen waren de gezinnen einde 1997 goed voor bijna 44.000 miljard frank aan onroerend bezit, effecten allerhande, spaartegoeden... Sinds 1970 goeit dat bezit gemiddeld met 3,25 procent per jaar. Minder prettig nieuws echter voor werknemers: hunreële koopkracht neemt sinds 1974 met amper 0,1 procent per jaar toe. Hoe kan dat?
...

Het gaat goed met het gezinsvermogen, dank u. Maar slecht met de koopkracht van de gemiddelde werknemer. Het vermogen ligt hoger dan ooit in de Belgische geschiedenis: samen waren de gezinnen einde 1997 goed voor bijna 44.000 miljard frank aan onroerend bezit, effecten allerhande, spaartegoeden... Sinds 1970 goeit dat bezit gemiddeld met 3,25 procent per jaar. Minder prettig nieuws echter voor werknemers: hunreële koopkracht neemt sinds 1974 met amper 0,1 procent per jaar toe. Hoe kan dat? De situatie van de werknemers valt heel kort samen te vatten. Midden jaren zeventig kreeg een Jan Modaal nog ongeveer tweederde van zijn brutoloon mee naar huis of op zijn rekening. Nu nog slechts de helft. Het verschil zit hem in de sociale bijdragen en de belastingen. De overheid legt - ook al om redenen van solidariteit - alsmaar meer beslag op lonen en wedden. Werknemers draaien dus in hoge mate op voor de welvaart in onze maatschappij en dat is geen vrijblijvend cliché. Een studie van het ministerie van Financiën onderstreept die stelling. In de jaren zeventig, zo schrijft adviseur Reginald Savage in dat onderzoek, wentelde de overheid de financiële problemen voornamelijk af op bedrijven, op inkomensten uit vermogen, op zelfstandigen. In de jaren tachtig waren het vooral de werknemers die via allerhande overheidsingrepen het gelag betaalden. Zij werden aangesproken om de subsidiestromen naar bedrijven, de overheidsfinanciën en - vooral - de sociale zekerheid overeind te houden. Vandaar alsmaar meer rechtstreekse en onrechtstreekse afhoudingen of amputaties van de brutolonen. Voor wie het ondanks alles nog niet duidelijk zou zijn: de fiscale druk op lonen ligt in ons land vrij hoog. België staat in de klassering van landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) op de vierde plaats, na drie Scandinavische naties. En merkwaardig genoeg: in tegenstelling tot beweringen van de huidige regering, stijgt de fiscale druk opnieuw lichtjes. Dan het gezinsvermogen. Strikt genomen heeft dit niets te maken met koopkracht. Het vermogen op zich geeft zelfs een vertekend beeld van de reële situatie. De 44.000 miljard frank aan gezinsvermogen, betekent dat elke Belg, jong, oud, actief of gepensioneerd, gemiddeld 4,4 miljoen zou wegen. Voor een gezin met twee kinderen is dat dan 17,6 miljoen frank. De verklaring als zouden extreem welgestelde gezinnen dat gemiddelde zo hoog optrekken, slaat op niet veel. AUTOMATISCHE AANWASWij lijken in de eerste plaats zo rijk, omdat het begrip vermogen alle bezittingen dekt. Van de schapen op stal en het buitenverblijf, over de vaatwasmachine en de spaartegoeden, tot de pekinees en de pc. Een fiks gedeelte van dat vermogen ervaart de burger niet als dusdanig. Laten we een eenvoudig voorbeeld nemen. Als het klopt dat in ons land een televisietoestel zou staan per 2,5 burgers, maakt dat 4 miljoen schermen. Tegen een gemiddelde prijs van 15.000 frank per televisie, betekent dit 60 miljard aan "vermogen". De gestage, forse groei van het gezinsvermogen - de 3,5 procent per jaar - kan gedeeltelijk ook heel eenvoudig worden verklaard. Voor een stuk van de aanwas hoeft bij wijze van spreken niemand zich dubbel te plooien, die komt namelijk automatisch tot stand, dankzij het ontstaan van meerwaarden. Alweer een praktisch voorbeeld: het onroerend bezit. Grosso modo 170.000 miljard frank voor de Belgische gezinnen. Als de vastgoedprijzen per jaar slechts een luttel percentje stijgen, worden wij er met zijn allen jaarlijks 170 miljard frank rijker op. Dit tien jaar lang, betekent dus een automatische vermogensgroei van 1700 miljard frank. Of neem aandelen. Eind 1977 hadden gezinnen voor afgerond 8600 miljard frank aandelen in bezit. Dat cijfer slaat op de beurswaarde (genoteerde bedrijven) of inventariswaarde (niet-genoteerde ondernemingen) van al de effecten op dat ogenblik. Veronderstellen wij even dat al dat papier op de beurs van Brussel zou staan. Dat is weliswaar niet het geval voor de niet-genoteerde ondernemingen, maar die aandelen stijgen mee met een algemene beurshausse. Het rendement in Brussel komt voorlopig voor dit jaar en ondanks de recente bokkensprongen neer op gemiddeld 25 procent. Met andere woorden: een totale meerwaarde van 2150 miljard frank. Geld dat opnieuw bij het vermogen van de gezinnen wordt geteld. Vandaar ook dat de relatieve waarde van wat heet de binnenlandse financiële activa met marktwaarde de jongste decennia zo sterk steeg. Als die in 1970 een index van 100 meekregen (zie tabel), was die einde 1997 al opgeklommen tot 560. Gezinsvermogen is dus het totale privé-bezit, ongeacht de aard van de eigendommen, maar ook ongeacht de herkomst. Zo bestaat een gedeelte van het vermogen uit wat experts wel eens de "rollende componenten" noemen. Dat zijn voornamelijk erfenissen die van de ene generatie naar de andere "rollen". Dat vermogen heeft dan weer weinig uitstaans met het gezinsinkomen en helemaal niks met het bestedingspatroon. Met dien verstande dat de inkomsten uit vermogen - bijvoorbeeld rente op spaartegoeden, huurgelden of de coupons van een obligatie - kunnen bijdragen tot de vorming van het gezinsinkomen. En vice versa: het inkomen kan de basis vormen om een vermogen op te bouwen of verder te ontwikkelen. Maar wie dus vraagt waar de Belg zijn geld aan besteedt, heeft het niet langer over vermogen. EEN LAND VAN SPAARKOUSENWat doen wij dan met onze centen? Bijvoorbeeld sparen. Maar hier is het wel even uitkijken. In veel rudimentaire prentjes van het bestedingspatroon van gezinnen, gaat men uit van een zeer simpele mathematische bewerking: beschikbaar inkomen - consumptieve uitgaven = spaarquote. Dit naar analogie met de (correcte) becijfering: bezittingen - negatief vermogen (schulden) = netto vermogen. Uit de eerste aftrekking moet moet blijken dat België een land van spaarkousen zou zijn. Dat is ook zo, maar een gedeelte van de bruto spaarquote gaat niet het spaarvarken in. Het dient om aangegane schulden af te betalen. De schuldenaar gebruikt dat geld met andere woorden om een stukje van het negatieve vermogen uit te wissen. Over die spaarquote zijn in het verleden veel studies gepubliceerd. Ze becijferden dat tussen 14 en 20,5 procent van de gezinsbestedingen naar verschillende spaarproducten zou vloeien. Een van de meest recente onderzoeken terzake komt van het Centre de Recherche et d'Information Socio-Politiques (Crisp). Daaruit blijkt dat vooral de zelfstandigen in ons land zware spaarders zijn. Gemiddeld zetten gezinnen 14,1 procent van hun beschikbaar inkomen opzij, maar bij zelfstandigen loopt dat op tot 29,4 procent - bijna het dubbele van de doorsnee of ei zo na een derde van hun inkomen. Gezinnen die voor het grootste deel afhankelijk zijn van een bediendensalaris sparen gemiddeld 16,8 procent. In arbeidersgezinnen ligt het gemiddelde op 14,6 procent. Blijven over: gepensioneerden met een spaarquote van 5,5 procent en andere niet-actieven met 4,6 procent. De studie bewijst eens te meer dat sparen erg nauw samenhangt met het inkomen. Zo noteert het Crisp voor de laagste inkomens een negatieve spaarquote - schulden dus - en voor de hoogste eentje van ruim 32 procent. Midden jaren tachtig arriveerde in Brussel een buitenlander als hoofd Europa van een van de grootste uitgevers van kredietkaarten ter wereld. Twee maanden na zijn aantreden, had hij zich een beeld gevormd van het Belgische bankwezen en gaf dat tijdens een losse babbel ten beste. "Nergens ter wereld verdienen bankiers zo gemakkelijk hun brood als in België. Via de ene deur rijden brave mensen kruiwagens vol geld naar binnen. Zij krijgen 6 of 7 procent rente. Via de andere deur gaat het geld weer naar buiten, nu tegen 9 en 10, zelfs 11 procent. Het verschil is pure winst en het kleingeld dat tussen de twee deuren blijft hangen, stopt de bankier in overheidspapier." Het spaarobsessie van de Belgen leidt concreet nog altijd tot een erg comfortabele matras voor de Belgische banken. Maar er is meer dan alleen geld op deposito's, waar het nog een productieve bestemming kan krijgen. Volgens Jef Vuchelen, hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit Brussel, en Leo Van Hove, assistent aan dezelfde instelling, zit er ruim 150 miljard frank opgepot in biljetten. Tussen twee haakjes: in totaal is er slechts voor een tegenwaarde van 400 miljard frank aan biljetten in omloop. Naar het waarom van deze totaal onproductieve manier van sparen, hebben beide heren het raden. Wellicht heeft het iets te maken met fiscale motieven en een ingebakken wantrouwen tegenover financiële instellingen. EEN POTJE IN HET BUITENLANDBinnen het globale spaarwezen van gezinnen functioneren communicerende vaten. Die heten dan aandelen, deposito's, pensioenfondsen, verzekeringen of vastrentende effecten. Hier maken we de jongste jaren opmerkelijke verschuivingen mee. Door de historisch lage rentestand geraakten, bijvoorbeeld, klassieke termijndeposito's, de kas- en spaarbons in onmin. "Nieuwe producten" als pensioen- of aandelenfondsen en privé-obligaties deden het uitstekend. Maar de Belg leert door de succesverhalen van de beursvloeren ook rechtstreeks beleggen in aandelen. Een cijfer: in 1997 kochten de gezinnen voor 106 miljard frank aandelen, terwijl de beurs van Brussel in de jaren tachtig op dagomzetten van amper een miljard frank draaide. En nog een kanttekening: van de 106 miljard frank ging 64 miljard naar niet-genoteerde effecten, dus voornamelijk deelbewijzen in familiebedrijven. Als aandelenbelegger is de Belg geen haantje de voorste binnen Europa; gemiddeld investeren burgers uit onze buurlanden nog altijd twee keer zoveel van hun geld in beursgenoteerde aandelen. Wel bouwen we stilaan een aardig vermogen op in het buitenland. Gemiddeld steeg de reële groei van de activa van Belgische gezinnen buiten de grenzen tussen 1992 en 1997 met bijna 11 procent per jaar (zie tabel). Dit ontgaat ook Jean-Luc Dehaene (CVP) niet. Voorjaar 1998 noemde de premier het nog "paradoxaal dat de enorme Belgische spaaroverschotten hun bestedingsmogelijkheden moeten zoeken in het buitenland terwijl tegelijkertijd een aantal Belgische bedrijven wordt overgenomen door buitenlandse investeerders". Wat doen we tenslotte met het geld dat we niet sparen? Dat gaat naar de fameuze consumptie-uitgaven. Sinds midden jaren zeventig verloopt dit bestedingspatroon volgens min of meer vaste sjablonen. Een kwart van dit geld wordt besteed aan aankoop, huur en onderhoud van de eerste, eventueel tweede woning. Behuizing vormt daarmee de duurste post in de gezinsbegroting. Minder dan de helft daarvan - goed 12 procent - geven gezinnen uit aan vervoer en communicatie. Weer een trapje lager vinden we cultuur, ontspanning en onderwijs terug (zo'n 8 procent); dan meubelen, huishoudtoestellen, kleding en schoeisel (goed 6 procent) en tenslotte gezondheid (bijna 5 procent). Veel interne verschuivingen zitten er tussen deze posten in de loop der jaren niet in. Midden jaren zeventig ging, bijvoorbeeld, 7,5 procent van een gemiddeld gezinsbudget naar cultuur, ontspanning en onderwijs; ruim een decennium later vallen die uitgaven dus nauwelijks 0,5 procent hoger uit. Toch zijn er twee grote uitzonderingen op deze algemene tendens: de sectoren voeding, drank, tabak aan de ene kant, "andere goederen en diensten" aan de andere. Voor eten, drinken en genotsmiddelen daalden de uitgaven de jongste tien jaar van ruim 22 procent naar minder dan 18 procent. Een omgekeerde beweging zien we bij de post diverse goederen en diensten: van 15 naar ruim 18 procent. Dit is tenslotte de dienstenmaatschappij. JOS GROBBEN