Dertig jaar na zijn dood verscheen de eerste biografie over Camille Huysmans. Een gesprek met biograaf Jan Hunin.

Een ‘enfant terrible’, dat vond de historicus Jan Hunin een gepaste omschrijving voor Camille Huysmans (1871-1968). Het ontbreekt niet aan verhalen en verzinsels over deze non-conformistische, spotzieke en cultureel bevlogen socialistische politicus, die minister was, premier, burgemeester van Antwerpen, Kamervoorzitter en meer dan een halve eeuw in het parlement zitting had. En ze versluieren zijn reële politieke betekenis, zo suggereert Hunin in Het enfant terrible Camille Huysmans, zijn vuistdikke, gedegen, goed gedocumenteerde en bescheiden geschreven Huysmans-biografie.

Jan Hunin: Ik wou voor mijn proefschrift aan de KU Leuven graag een biografie over een interessant iemand schrijven, en ik vind Huysmans de meest kleurrijke figuur van deze eeuw in België. Het werd wel zwaar werk – het heeft me zeven jaar gekost – omdat die man met vanalles en nog wat bezig is geweest.

Kreeg u veel medewerking van de bewaarders van zijn politieke nalatenschap?

Hunin: Tja, men heeft me niet aangemoedigd om deze biografie te schrijven. Men vond het te ambitieus.

“Men” – de Antwerpse socialisten?

Hunin: Ik weet het ook maar van horen zeggen. Ik heb niets te maken met het Antwerpse socialisme, ik was gewoon een historicus die over dit onderwerp wou werken. Dat je geen contact krijgt met wie je wil zien, tja.

Was uw “Leuvense” herkomst een nadeel?

Hunin: Misschien maakte dat het nog erger, maar waarom heeft dan niemand van Gent of Brussel dat onderzoek gedaan? Ik begrijp die ideologische tegenstellingen niet goed. De wetenschappelijke geschiedschrijving is ondertussen toch volledig ontzuild?

Maar in uw inleiding stelt u precies het tegenovergestelde.

Hunin: In België blijft iedereen in zijn eigen universiteit. Een overstap naar een andere universiteit komt nauwelijks voor. In het buitenland is dat anders, daar kijkt men alleen naar de kwaliteit. Hoewel, ik denk dat die grenzen bij ons nu toch ook aan het vervagen zijn.

In de klassieke sociale geschiedenis zijn individuen van weinig belang; daar telt de doctrine, de beweging, de massa van militanten. Biografieën zijn zeldzaam. Corrigeert uw boek die tendens?

Hunin: We mogen toch het belang van de politieke component in de sociale geschiedenis niet uit het oog verliezen. Wat mij interesseerde, was hoe ik Huysmans begrijpelijk kon maken voor de lezer, in zijn milieu, in de factoren die zijn gedragingen het best verklaren.

U benadrukt dat Huysmans een overtuigd marxist was, wat niet zo evident bleek in de toenmalige socialistische partij, de BWP. En toch was hij geen man van de doctrine.

Hunin: Zeker niet, hij was een man de praktijk. Hij noemde zich wel altijd een marxist, maar wat dat ook betekende, het had zeker niets met het communisme te maken. Huysmans was daarin zeer standvastig; hij bleef zijn opvattingen altijd trouw, tot aan zijn dood. Huysmans’ marxisme heeft vooral te maken met een gerichtheid op de arbeider. Vandaar dat hij de man is geweest van de rooms-rode coalities, de eenheid van alle arbeiders, ongeacht hun religieuze overtuiging. Aanvankelijk sloot de BWP alleen kartels met de even antiklerikale als burgerlijke liberale partij. Vóór de Eerste Wereldoorlog waren contacten met de katholieke partij ook niet nodig, omdat de arbeidersbeweging daarin niets voorstelde. Dat veranderde eens het besef groeide dat de socialisten in hun eentje nooit de macht konden grijpen en dat er zich aan de rechterzijde ook een arbeidersbeweging ontwikkelde.

Die idee van die eenheid was dus meer een kwestie van pragmatisme dan van principe?

Hunin: Beide komen samen: als marxist vond hij dat, als er dan toch twee arbeiderspartijen bestonden, ze moesten samenwerken. En na de verkiezingsnederlaag van 1929 konden de socialisten niet meer geloven wat ze in 1925 nog konden hopen, toen ze 40 procent van de stemmen haalden: dat ze ooit de absolute meerderheid zouden verwerven. In de jaren ’30 verbreedde de kloof weer, toen de afkeer voor extreem-rechts bij de katholieken niet zo groot bleek als bij de andere partijen. Huysmans had er toen ook niets tegen om met de liberalen in zee te gaan. Na 1944 groeit de toenadering opnieuw, een proces dat duurt tot na de Schooloorlog van de jaren ’50. Het belangrijkste wat Huysmans heeft gedaan, is het uit elkaar halen van socialisten en liberalen, die vóór de Eerste Wereldoorlog zo goed als met elkaar verstrengeld zaten.

Vond Huysmans het een vergissing dat katholieke arbeiders voor de katholieke partij kozen?

Hunin: Hij vond zeker dat alle arbeiders thuishoorden in een arbeiderspartij, de socialistische, maar dat was nu eenmaal niet zo.

Samenwerken met de katholieke partij kwam dan neer op een pragmatische oplossing. Hij zag dat de christen-democraten altijd maar sterker werden, maar zich in de regering onvoldoende konden laten gelden. Hij was wellicht de eerste belangrijke politicus die heeft ingezien dat er geen weg terug was.

Al vroeg maakten sommige marxisten in de BWP zich zorgen over wat ze de verburgerlijking van de arbeider noemden. Ook Huysmans, maar die had kennelijk andere redenen.

Hunin: Huysmans was een levende paradox. Als intellectueel stond hij mijlenver van de arbeider af. Hij vond dat hij zich bijvoorbeeld ook niet moest gedragen of kleden als een arbeider, wat anderen wel deden. Wat hij wou, was de arbeidersklasse opvoeden, haar laten deelnemen aan de cultuur, zijn geliefde kunstenaars als Schubert of Molière toegankelijk maken voor het grote publiek.

Rond de eeuwwisseling bestond binnen de BWP nog een Section d’Art, die een progressief-burgerlijke kunstvisie verdedigde. Daar hoorde Huysmans niet bij.

Hunin: Nee, als marxist geloofde hij toen nog dat de arbeiders de bourgeoisie niet moesten naäpen, maar een eigen cultuur moesten ontwikkelen. Hij propageerde een soort sociaal-realisme, een propagandakunst. Wat toch sterk is voor iemand die zozeer behoorde tot de culturele elite. De Section d’Art stond trouwens niet open voor arbeiders en dat vond hij al te elitair.

U legt ook een band tussen Huysmans’ marxisme en zijn flamingantisme: de taal van de arbeider verdedigen. Volstaat dat als verklaring?

Hunin: Hij was gedreven door idealen van gelijkheid en rechtvaardigheid. Dat meer dan de helft van de bevolking geen eigen universiteit had, botste daarmee. Hij was eerst niet zozeer gewonnen voor de volledige vernederlandsing van Vlaanderen, wel wou hij de rechten van de taalminderheden verdedigen. Dus ook voor de Vlamingen in Wallonië. Pas aan het eind van de jaren twintig legde hij er zich bij neer dat de Walen met dat laatste nooit zouden instemmen en opteerde hij voor een Vlaams Vlaanderen en een Franstalig Wallonië.

Zijn antiklerikalisme inspireerde hem dus niet tot argwaan tegenover het sterk katholiek getinte flamingantisme, wat bij velen van zijn tijdgenoten wel het geval was?

Hunin: Dat is de kracht van zijn overtuiging. Je zou denken dat hij uit antiklerikalisme gewonnen was voor een samengaan met de liberalen. Nee dus. Bovendien was hij een soort Vlaamsgezinde franskiljon. Maar Huysmans bleef altijd principieel, om niet te zeggen koppig. Hij heeft bijvoorbeeld het socialisme niet laten varen toen hem dat aanvankelijk belette om zijn grote droom te verwezenlijken; leraar aan het atheneum worden.

Huysmans bleef lang actief in de Socialistische Internationale. Dat was toch niet echt een bewuste keuze?

Hunin: Nee, hij was gewoon de juiste man op het juiste moment toen ze daar een secretaris nodig hadden. Het was geen erefunctie, ze hield vooral veel werk in. In 1914 was hij nog altijd secretaris en trachtte hij het secretariaat te gebruiken om een belangrijke rol te spelen in de Europese politiek – het mislukte vredesoverleg in Stockholm. Hij stond natuurlijk graag in de belangstelling.

Maar als voorzitter van de Internationale deed hij er tijdens de Tweede Wereldoorlog niets mee.

Hunin: De aard van de oorlog was helemaal anders. Huysmans vond dat de Internationale zich moest inschakelen in de strijd tegen Duitsland, omdat dit ook in haar belang was.

Huysmans liet weinig ruimte voor extreem-links, was geen aanhanger van de Volksfrontgedachte, maar werkte wel met de communisten samen ten tijde van de Spaanse burgeroorlog.

Hunin: Dat was voor hem een verscheurend moment. Hij voelde zich in die oorlog betrokken bij de strijd tegen Franco, maar uit pragmatisme steunde hij ook de onafhankelijkheidspolitiek van de regering. Ook als burgemeester van Antwerpen moest hij concessies doen en met de Duitsers aanpappen om de belangen van de haven te verdedigen.In zekere zin ervaarde hij de Duitse inval in België in mei 1940 dan ook als een bevrijding: hij kon partij kiezen, het dilemma had zich vanzelf opgelost.

Huysmans stelde zich vaak eigenzinnig en controversieel op. Hoe kon hij zich politiek toch zo lang handhaven?

Hunin: De socialistische partij kende wel een democratische cultuur en liet de plaats op de lijst afhangen van een poll. Tot in de tweede helft van de jaren ’40 kwam hij daar altijd als eerste uit. Hij was nu eenmaal populair, een vertrouwenwekkende éminence grise, en bovendien viel hij als spreker op meetings niet te kloppen. Hij liet niemand koud.

Als 94-jarige klampte Huysmans zich nog zozeer aan zijn mandaat vast, dat hij een eigen partij oprichtte om toch nog eens verkozen te raken. Een beetje zielig?

Hunin: Het hoort erbij. Je moet hem nemen zoals hij is, dus ook met zijn slechte kanten. Zijn ijdelheid deed hem toen de das om. Maar het is datzelfde ego waardoor hij heeft kunnen doen wat hij heeft gedaan.

Het doet voor u niets af van zijn betekenis?

Hunin: Ik beschouw hem als de meest invloedrijke politicus van de 20ste eeuw. Hij is de man die het socialisme los heeft gemaakt van het liberalisme, die meer gewicht gaf aan de sociaal-economische dan aan de ideologische breuklijn, wat blijkt uit zijn onderwijs- en zijn taalpolitiek. Zonder hem had het met de vernederlandsing van Vlaanderen veel langer geduurd. Hij had een visie en was zijn tijd net genoeg vooruit om een echte rol te kunnen spelen.

Jan Hunin, “Het enfant terrible Camille Huysmans 1871-1968”, Meulenhoff-Kritak, Amsterdam-Leuven, 589 blz., 998 fr.

Marc Reynebeau

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content