Stel, u gaat morgen naar de winkel om aardappelen te kopen. Daar liggen ze, minstens een tiental soorten, keurig verpakt in kleurrijke plastic zakjes met prijzen tussen de 1,5 en 4 euro per kilo. Eén zakje valt meteen op: mooie, zacht glanzende, rode aardappelen voor twee euro per kilo. Koopje! Althans zo lijkt het, want de aardappelen kosten eigenlijk veel meer, alleen is dat helemaal niet duidelijk als we voorbij de winkelrekken struinen. Ze werden verbouwd aan de andere kant van de aarde: in Canada. Het transport met vrachtwagens en schepen berokkent schade aan het milieu, aan onze wegen en aan onze gezondheid: een prijs die waarschijnlijk hoger uitvalt dan de paar euro's die we aan de kassa betalen.
...

Stel, u gaat morgen naar de winkel om aardappelen te kopen. Daar liggen ze, minstens een tiental soorten, keurig verpakt in kleurrijke plastic zakjes met prijzen tussen de 1,5 en 4 euro per kilo. Eén zakje valt meteen op: mooie, zacht glanzende, rode aardappelen voor twee euro per kilo. Koopje! Althans zo lijkt het, want de aardappelen kosten eigenlijk veel meer, alleen is dat helemaal niet duidelijk als we voorbij de winkelrekken struinen. Ze werden verbouwd aan de andere kant van de aarde: in Canada. Het transport met vrachtwagens en schepen berokkent schade aan het milieu, aan onze wegen en aan onze gezondheid: een prijs die waarschijnlijk hoger uitvalt dan de paar euro's die we aan de kassa betalen. Dat brengt me meteen bij de essentie in het debat over het CETA-vrijhandelsverdrag met Canada, waar zo veel over te doen is. Waar het om zou moeten draaien in die discussie is niet het gebrek aan inspraak, want de Europese Commissie had bij de onderhandelingen de zege van de democratisch verkozen regeringen. De houding van de Waalse regering is daarom nogal misplaatst. De kwestie is vooral dat het verdrag helemaal niet leidt tot vrije handel. We nemen vaak zomaar aan dat handel leidt tot meer efficiëntie, maar we vergeten daarbij de verdoken kosten in rekening te brengen: de inefficiëntie van de eindeloos lange distributienetwerken, de energieverslindende koelhuizen en de bergen verpakkingsafval. De prijs op het product, die is zeer duidelijk, maar het hele systeem daarachter is dat niet. Er kan dus eigenlijk pas sprake zijn van een vrijhandelsakkoord als er ook een akkoord is over hoe die verdoken kosten worden vertaald in de prijs die wij in de winkel betalen. Het gebrek aan transparantie blijft niet beperkt tot de verdoken kosten. De globalisering confronteert ons ook nauwelijks met de omstandigheden waarin producten elders ter wereld geproduceerd worden. Nu is dat in Canada meestal niet zo'n probleem, maar we hebben tal van handelsverdragen met landen waarin de arbeidsomstandigheden gevaarlijk zijn. De invoerders doen er alles aan om dat te verdoezelen. We zien het merk, maar niet de moderne slavenarbeid die achter het merk steekt, of het verdwijnen van onze industrie als gevolg van die sociale dumping. Die dumping is overigens net zozeer het resultaat van onze eigen hang naar goedkoop als van de multinationals die landen tegen elkaar uitspelen. De Europese Commissie maakt zich sterk dat onze handelsverdragen tal van regels inzake milieu en arbeidsomstandigheden bevatten. Dat is ook zo, maar die regels zijn minder concreet en afdwingbaar dan de bepalingen over invoerheffingen en patenten. Met andere woorden: de huidige handelsverdragen zijn nog veel te eenzijdig om door te gaan als échte vrijhandelsverdragen, verdragen dus waarin de markt zo transparant is dat we als consument kritisch kunnen bepalen hoe onze aankopen onze economie beïnvloeden. Het is overigens in die geest van rationeel optimisme dat de hele liberale economische school en de vrijhandelsgedachte twee eeuwen geleden opgang maakte. Zoals Adam Smith in zijn Theory of Moral Sentiments stelde: mensen moeten voor hun keuzes de impact op hun eigenbelang kunnen bepalen. Hoewel Canada een van de fatsoenlijkste landen is waarmee je een verdrag zou kunnen onderhandelen, blijft het CETA-verdrag problematisch. Ook liberalen zouden dat vanuit hun eigen ideologie moeten inzien en mee streven naar échte, eerlijke en transparante vrijhandel. Zolang die uitblijft, zullen de voorvechters van een open wereld het onderspit blijven delven tegen populisten als Donald Trump. Hoewel het protectionisme dat zij bepleiten geen goede oplossing is, leggen zij wel degelijk de vinger op de wonde: deze vorm van globalisering heeft te veel gebreken, schaadt vaak onze belangen en heeft al lang niets meer te maken met een efficiënte werking van de markt. Deze vorm van globalisering schaadt onze belangen en heeft niets meer te maken met een efficiënte werking van de markt.