Nog geen honderd jaar geleden, in 1915, publiceerde Albert Einstein zijn algemene relativiteitstheorie. Die leek erop te wijzen dat het heelal niet onveranderlijk was, zoals men toentertijd nog aannam. Toch bleef Einstein geloven in een statisch en eeuwig universum, zonder begin en zonder noemenswaardige evolutie.
...

Nog geen honderd jaar geleden, in 1915, publiceerde Albert Einstein zijn algemene relativiteitstheorie. Die leek erop te wijzen dat het heelal niet onveranderlijk was, zoals men toentertijd nog aannam. Toch bleef Einstein geloven in een statisch en eeuwig universum, zonder begin en zonder noemenswaardige evolutie. In de jaren twintig kwamen de Russische wetenschapper Alexander Friedmann en de Belgische priester-astronoom Georges Lemaître los van elkaar op het idee dat het heelal een begin zou hebben gekend. Lemaître sprak over een 'oeratoom' waaruit alles zou zijn voortgekomen. In 1929 stelde Edwin Hubble vast dat de sterrenstelsels zich almaar verder en verder van ons verwijderen: het heelal, zo bleek, dijt uit. Het wordt met andere woorden almaar groter. Lemaître beschouwde dat als een bevestiging van zijn theorie: als het heelal steeds groter wordt, dan was het gisteren kleiner dan vandaag, eergisteren nog kleiner, en héél lang geleden zo klein dat het in een 'oeratoom' paste. Ook Einstein geloofde vanaf 1929 dat het heelal ooit een begin had gekend, en dus niet statisch maar dynamisch was. De meeste wetenschappers bleven echter geloven in het steady state model: volgens die theorie is het heelal eeuwig en onveranderlijk. Tijdens de debatten tussen beide kampen lanceerde de Amerikaanse wetenschapper Fred Hoyle (die dacht dat het steady state model klopte) de term big bang om de concurrerende theorie belachelijk te maken. Oorspronkelijk was oerknal dus een soort scheldwoord. In de jaren veertig begonnen de experimentele bevindingen er steeds sterker op te wijzen dat de oerknaltheorie klopte. Zo was de theorie onder meer in staat om de hoeveelheid waterstof en helium in het universum te verklaren. In de jaren zestig ontdekten Arno Penzias en Robert Wilson geheel bij toeval de zogenaamde kosmische achtergrondstraling, zeg maar: de gloed die we nog overal in het heelal kunnen waarnemen als een soort overblijfsel van de oerknal. Nog maar een dikke tien jaar geleden, in 1992, leverde de COBE-satelliet met een beeld van de varia-ties in die achtergrondstraling een welhaast definitieve bevestiging van de theorie. De metingen van Cobe zijn sindsdien almaar verder verfijnd. J.D.C.