Als lid van het Comité-P doorbreekt hij voor het eerst de stilte : de afwijkende mening van ex-onderzoeksrechter Walter De Smedt.
...

Als lid van het Comité-P doorbreekt hij voor het eerst de stilte : de afwijkende mening van ex-onderzoeksrechter Walter De Smedt.DE BIJZONDERE COMMISSIES, die gelast zijn met de parlementaire begeleiding van de Vaste Comités van Toezicht op de Politie- en Inlichtingendiensten, geraken er zelf niet uit. Dit duurt nu al 21 maanden. Sinds Knack op 25 januari 1995 uit de doeken deed hoe het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten (Comité-P) dat dan toch verondersteld wordt het goede voorbeeld te geven zelf te kampen had met de ongewenste intimiteiten op het werk van de ondervoorzitter en met andere problemen, ging het van kwaad naar erger. In de plaats van de zaken uit te klaren en ondervoorzitter Georges Pyl desnoods naar huis te sturen, werd zijn lot verbonden aan dat van een ander lid, Walter De Smedt, met wie hij geregeld ruziede. Na een juridisch nogal betwistbare ontslagprocedure, liet het parlement het Comité-P aanmodderen. Intussen bleek ook het Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingendiensten (Comité-I) verziekt. Alweer door partijpolitiek touwtrekken. Zo werd het lot van beide Comités, van hun voorzitters en van hun leden, de inzet van een politieke koehandel, parlement en regering onwaardig. Het regeerakkoord van juni 1995 bepaalde dat ?de wetgeving en de werking van de toezichtscomités op de politie- en de inlichtingendiensten zal worden geëvalueerd.? Die evaluatie resulteerde in het verslag van 16 februari 1996, de aanbevelingen van 28 maart en het daarbij horende wetsvoorstel van Kamerlid Robert Delathouwer (SP), voorzitter van de parlementaire begeleidingscommissie in de Kamer. Allemaal parlementaire stukken waarover de schaduw van de regering hangt. Door de onvoorwaardelijke PS-steun die Véronique Paulus de Châtelet als voorzitter van het Comité-I geniet, is de toekomst van beide comités zelfs een regeringszaak geworden. En kan de CVP maar moeilijk Freddy Troch, de voorzitter van het Comité-P, laten vallen. Alhoewel. De vergadering van de parlementaire begeleidingscommissie van maandag 30 september, waarop het ontwerp van het jaarverslag van het Comité-P besproken werd, draaide uit op een regelrechte confrontatie tussen enkele leden van het comité en de parlementairen. Enerzijds was er de bevestiging dat Walter De Smedt een afwijkende mening zou publiceren. Anderzijds was er vooral het ?Voorwoord?, waarin de vier overige leden ongezouten hun mening schreven over de aanpak van de parlementaire begeleidingscommissie. Daarin wordt het resultaat van haar evaluatie ?vrij bedenkelijk? genoemd en wordt de evaluatiecommissie onder meer verweten haar eigen verantwoordelijkheden te ontlopen en aan te sturen op ?het zoveelste politiek compromis.? Deze passages zijn vandaag echter niet meer terug te vinden in het definitieve jaarverslag. Toch beklaagt het Comité-P zich in zijn Jaarverslag-1996, een document van 132 bladzijden, over de miskenning door Binnenlandse Zaken en Justitie en de verzelfstandiging van de dienst Enquêtes in samenwerking met de gerechtelijke autoriteiten. Dat deze dienst zo alvast zijn geloofwaardigheid uit de brand sleepte, komt bij het comité niet op. Het jaarverslag gaat verder in op de moeilijke en soms gespannen verhoudingen tussen de burgemeesters en hun hoofdcommissarissen van politie. Ook worden enkele gewelddadige misbruiken aangeklaagd bij administratieve aanhoudingen. Over het gebruik van informatie door politiediensten trekt het comité onder andere conclusies op basis van één onderzoek, dat bovendien nog niet is afgerond. Het hoofdstuk over technische en wetenschappelijke politie heeft dan weer alles weg van een betoog pro domo van een lid van het comité, dat zijn functie als directeur van het labo van de gerechtelijke politie bij het parket in Brussel weldra opnieuw zal kunnen opnemen. Walter De Smedt van zijn kant herinnert in zijn ?afwijkende mening? van 51 bladzijden aan de belemmeringen bij de uitvoering van de wettelijke opdrachten van het comité, zijn interne gebreken en zijn mogelijke toekomst. Is dit nu uw publieke testament als lid van het Comité-P ? WALTER DE SMEDT : Sinds de conclusies van de parlementaire onderzoekscommissie ter bestrijding van het banditisme en terrorisme en het antwoord daarop van de toenmalige regering met het zogeheten Pinksterplan van 1990, was het duidelijk dat er binnen de roomsrode coalitie over politie en justitie zeer uiteenlopende strekkingen waren. Die tegenstellingen vind je vanzelfsprekend terug in het Comité-P, dat de samenwerking, de coördinatie en de doelmatigheid van de politiediensten moest behartigen. Het parlement had van ons moeten verwachten dat wij adviezen uitbrachten, waarmee het zowel zijn constitutionele controle op de regering kon uitoefenen als zelf met kennis van zaken kon debatteren over politiële en justitiële aangelegenheden. Dit debat werd echter tot op heden vermeden. Het Comité-P heeft daarover nooit een eigen visie ontwikkeld. Het werd zelfs niet geraadpleegd bij de hertekening van het politielandschap. DE SMEDT : Ik heb herhaaldelijk geprobeerd de discussie op gang te brengen om zo tot beleidsadviezen te komen. Het comité heeft zich echter beperkt tot de politiek minder gevoelige klachtenbehandeling. Dat kunnen ook de interne inspectiediensten van politie en rijkswacht. Mocht het comité die klachtenbehandeling bovendien aan de dienst Enquêtes gedelegeerd hebben, dan was er zelfs meer tijd vrij gekomen voor de fundamentele problemen. U hebt makkelijk spreken. U zit daar voor de VLD, terwijl anderen uitdrukkelijk met de regeringspartijen rekening moeten houden. DE SMEDT : Ik zit daar niet voor de liberalen, maar als liberaal. Dat is een groot verschil. U bent binnen het comité vooral bevoegd voor de gerechtelijke politie. Sinds vorig jaar is binnen de regering sprake van een verdeling van de gerechtelijke opdrachten tussen de gerechtelijke politie en de rijkswacht. Bent u daarbij geraadpleegd ? DE SMEDT : Helemaal niet. Heeft het comité ooit toezicht kunnen uitoefenen op de rijkswacht ? DE SMEDT : Neen. Aan de hand van zijn oprichtingswet van 18 juli 1991 dacht het comité dat wel te kunnen. De inspecteur-generaal van de rijkswacht dacht daar anders over omdat de inspectie-generaal van de rijkswacht als een dienst van Binnenlandse Zaken wordt beschouwd. SP-minister van Binnenlandse Zaken Johan Vande Lanotte gaf hem gelijk. Ook hier betreurde ik dat het comité het daarbij liet. Zeker omdat er tijdens de voorbereidende werkzaamheden van de wet meermaals op gewezen werd dat het comité ook zijn eigen rechtspraak moest maken. Het bewijst hoe moeilijk maar hoe noodzakelijk externe controle op de rijkswacht en de gerechtelijke politie is. Dit betekent echter niet dat er geen aandacht besteed kon worden aan de criminele politie in het algemeen. Nu wordt er toch effectief werk gemaakt van een mogelijke taakverdeling van gerechtelijke opdrachten, krijgen federale magistraten wellicht meer armslag en zo meer ; zij het opnieuw zonder het advies van het Comité te vragen. DE SMEDT : Feitelijk maakt zeker de georganiseerde criminaliteit geen onderscheid tussen de politiediensten. Een individuele moord kan vrij vlug verband houden met drugshandel en het witwassen van de opbrengsten ervan. Zo kom je al gauw van een incidenteel naar een structureel gebeuren. Vergeet ook niet dat de georganiseerde criminaliteit alle vormen kan aannemen. Als ze maar renderen. Een taakverdeling dreigt zo zelfs contraproductief te worden. Het is blijkbaar te eenvoudig artikel 22 van het Wetboek van Strafvordering in ere te herstellen en de parketmagistraat niet alleen te laten kiezen met welke politiedienst hij of zij de opsporing en de vervolging van misdrijven wil uitvoeren, maar hem of haar ook te verplichten erop toe te zien dat die opdrachten ook degelijk worden uitgevoerd. De zogeheten consensusnota van 3 juli over de taakverdeling en de specialisatie van verschillende politiediensten zet als het ware het Wetboek van Strafvordering op zijn kop en laat de politiediensten kiezen wat zij willen doen. Zo wordt de politieoorlog geïnstitutionaliseerd. Hoe kan er dan een einde gesteld worden aan die oorlog ? DE SMEDT : Laten we eens terugdenken aan de situatie na de Eerste Wereldoorlog. Toen werd ons land ook geteisterd door allerhande benden en kwam de Wet van 1919 ter oprichting van de Gerechtelijke Politie bij de parketten (GPP) tot stand. Wat toen werd geschreven, is van een verbluffende actualiteit. Intussen rijst echter de vraag of de GPP met de Bijzondere Opsporingsbrigades (BOB) van de rijkswacht moet samengaan of vice-versa. Het is immers niet houdbaar beide naast elkaar te laten bestaan. Onderzoeksmagistraten hebben vooral speurders nodig die weten wat nuttig is voor het onderzoek. De politiediensten zijn er niet voor zichzelf maar voor de gebruiker, in dit geval parketmagistraten en onderzoeksrechters. Die stellen andere eisen dan de burger. Die is als primaire gebruiker vooral gediend met openbare ordehandhaving en de behandeling van zijn klachten. Daarom pleit ik voor één federale politie die bestaat uit een algemene federale politie, zijnde de rijkswacht zonder de BOB, en anderzijds uit een federale criminele politie, zijnde een fusie van de GPP mét de BOB. De leiding van deze criminele politie zou het beste in handen komen van een directoraat-generaal, samengesteld uit niet-politiemensen. Die zouden meteen de sluis vormen tussen de federale politie en de voogdijministers. De gemeentepolitie blijft vanzelfsprekend instaan voor de basispolitiezorg. De professionalisering van de gemeentelijke politiekorpsen verloopt trouwens zo gunstig dat die zeker niet mag afgeremd worden. Zie maar hoe het Gentse politiekorps nu hervormd wordt. De Algemene Politiesteundienst (APSD), die nu tussen de verschillende politiekorpsen zweeft, zou dan onder leiding van de directie-generaal komen. Zou er dan ook een strengere controle zijn op de zogeheten pro-actieve recherche en de operationele analyses ? Iets waarop de rijkswacht en de regering nu aansturen. DE SMEDT : Wettelijk gezien, is de opsporing van misdrijven de taak van alle officieren van gerechtelijke politie, onder wie de procureur. Het onderzoek à charge et à décharge is het monopolie van de onderzoeksrechter. In de praktijk is het parket zich steeds meer met het onderzoek gaan inlaten, zodat er ambtshalve minder tijd overblijft om nog aan opsporing te doen en daarover bepaalde strategieën te ontwikkelen. Er is dus een evolutie van de wet naar de gewoonte. Nu dreigt er met de pro-actieve recherche, een verschuiving van de opsporingsbevoegdheid van het parket naar de politiediensten. Dan verglijden wij naar de slechte gewoonte. Ook daarover is in dit land nooit gedebatteerd. Wat nu pro-actieve recherche wordt genoemd, is slechts een moderne vorm van opsporing. Met dien verstande dat het parket nog steeds de leiding heeft of zou moeten hebben. Ik stel vast dat de parketten echter nauwelijks of niet meer in staat zijn die opsporingsopdracht uit te oefenen. Zodat er steeds vaker een van de drie federale magistraten wordt bijgehaald ; zeker met betrekking tot de zware en georganiseerde criminaliteit. Zij zijn het levende bewijs dat de procureurs in gebreke blijven in hun onderlinge en grensoverschrijdende coördinatie. De politieke discussie zal zich weldra toespitsen op de vraag of de federale magistraat al dan niet de macht krijgt om elk van de 27 procureurs desgevallend instructies te geven. DE SMEDT : Volgens het Wetboek van Strafvordering kan dit niet, omdat de procureur nog altijd de leiding heeft. Op basis van hetzelfde wetboek kan de procureur-generaal wel een bevel tot vervolging geven. Hier ligt dus een mogelijk vergelijk, aangezien de federale magistraten ressorteren onder het college van procureurs-generaal en de federale magistraten volgens het voorliggende wetsontwerp wel degelijk officier van gerechtelijke politie zullen worden. Ook het Comité-P krijgt een nieuw wettelijk statuut. DE SMEDT : Dat wetsvoorstel maakt een einde aan de onafhankelijke externe controle. Het hervormt het Comité-P tot een orgaan van inwendige controle. Het zal voortaan slechts de goede uitvoering van de beleidsrichtlijnen mogen controleren. Zo wordt het Comité-P niet langer een instelling van het parlement maar van de regering. Zij het wel op kosten van het parlement. Zie maar de verschillende toelatingen die het parlement en desgevallend de betrokken minister moet geven voor het Comité-P nog onderzoeksopdrachten zal mogen uitvoeren. Het comité wordt met andere woorden niet meer beschouwd als een adviesorgaan. Behoudens de evolutie van de wet over de gewoonte naar de slechte gewoonte, ligt de kern van het probleem bij politie en justitie in de onduidelijkheid over de inhoud van de begrippen zoals gezag, leiding en toezicht. Zolang daarover geen duidelijkheid komt, zullen alle voorgestelde oplossingen lapmiddelen zijn. En binnen de kortste keren voor nieuwe problemen zorgen. Frank De Moor Walter De Smedt van het Comité-P : Het echte debat werd vermeden. Omzeggens alle leden van het Comité-P hebben het na drie jaar werking moeilijk of willen er weg.Het Comité-P heeft het, mede door partijpolitieke bemoeienissen en de incompetentie van bepaalde leden, verknald.