Een geschiedenisboek, een jaarschrift en een lexicon over het theater bij ons.
...

Een geschiedenisboek, een jaarschrift en een lexicon over het theater bij ons.SINDS DE Tweede Wereldoorlog is de belangstelling voor wat vroeger gebeurde sterk toegenomen. Gelijktijdig heeft ook het theater in het algemeen en het gesproken toneel in het bijzonder een hoge vlucht genomen. Het aanbod is almaar groter geworden en dat roept niet alleen vragen op omtrent de kwaliteit van wat er gespeeld wordt, maar ook over de oorsprong en evolutie. In Nederland en Vlaanderen zijn er universitaire studies in de theaterwetenschap en af en toe wordt zelfs over theater gepubliceerd. Dat is niet vanzelfsprekend in een land waar geschiedenis als schoolvak wordt ondergewaardeerd en de burger het lezen van essays niet gewoon is. Het succes van het onlangs verschenen boek ?Een theatergeschiedenis der Nederlanden? is dan ook tegelijk verwonderlijk én verheugend. De eerste 6.000 exemplaren zijn verkocht, er komt dus een tweede druk. Dit standaardwerk over ?tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen? omvat 120 bijdragen op nagenoeg 1000 bladzijden en is overvloedig en mooi geïllustreerd. Uitgangspunt voor de tientallen deskundige medewerkers was dat theater beduidend meer is dan het aanschouwelijk maken van een tekst. ?Elke keer dat een tekst wordt gepresenteerd, toont de regisseur als produkt van tijd en omstandigheden, zijn lezing van de tekst en geeft daarmee een beeld van de samenleving, zoals die op dat moment gezien kan worden?, aldus Rob Ehrenstein, de hoofdredacteur van het boek. De geschiedenis van het theater dient dan ook gezien te worden als een opeenvolging van kunstevenementen die onlosmakelijk met het maatschappelijk-culturele en zelfs politieke gebeuren zijn verbonden. Daarom is niet uitgegaan van enkel maar geschreven bronnen, maar is ook naar allerlei audio-visueel materiaal gezocht, al is dit niet zo frequent voorhanden wat de vroegere eeuwen betreft en moet wat gevonden is wel eens naar het theater toe ?gedecodeerd? worden. Ehrenstein laat het verhaal van het theater in de Nederlanden in de 11de eeuw in Vlaanderen beginnen met ?Ordo Stellae?, een kerstspel waarin Herodes een grote rol speelt. Het wordt toegeschreven aan Theodoricus, die in de Sint-Pietersabdij van Gent verbleef en later abt werd in Sint-Truiden. Dit stuk werd niet alleen geregeld gekopieerd maar was ook van belang voor de navolgers, om niet te zeggen dat het mede aan de basis ligt van de ontwikkeling van het liturgisch toneel in de Middeleeuwen. Nog vóór de val van het Romeinse rijk was het toneelspelen in verval geraakt. Wel waren er nog de mimen, die het met de dansers, goochelaars en andere jonglerende kunstenaars konden doen zonder tekst en die zeer populair waren. Door zowel de kerkelijke als de burgerlijke overheid werden ze argwanend bekeken. Soms werden hun optredens verboden of werden ze door allerlei verordeningen vernederd en tegengewerkt. Tot een geestelijke wellicht op het idee kwam dat acteren kon worden aangewend in verband met liturgie en ter versterking van het geloof. Eenmaal dat de dialoog terug was ingevoerd, is het gesproken toneel, niet zonder moeilijkheden echter, weer in handen gekomen van de makers zelf. Interessant aan ?Een theatergeschiedenis...? is dat het niet een chronologische opsomming geeft van feiten, namen en titels, maar dat een aantal merkwaardige evenementen als kapstok zijn gebruikt om er een waaier van duidende informatie en beschouwingen aan op te hangen. Daarbij wordt ook ruim verwezen naar randliteratuur. De schrijvers van het boek maken geen aanspraak op volledigheid, maar in het hoofdstuk over de betekenis van de kleine theaters in Vlaanderen mocht Malpertuis (Tielt) toch minstens vermeld zijn geweest. ?Een theatergeschiedenis der Nederlanden? eindigt in 1993, maar de materie is daarmee niet uitgeput en het verhaal niet ten einde. Dit boek nodigt dan ook uit tot meer onderzoek en tot aanvullende publicaties. ARTAUD.Met ?Balkon/Balcon? wordt daar al enigszins, hoewel onbedoeld, aan tegemoet gekomen. Deze eerste editie van een drietalig (Nederlands, Frans, Engels) jaarboek over de podiumkunsten in België kwam tot stand dankzij de uitstekende samenwerking tussen het Vlaams Theater Instituut (VTI) en het Maison du Spectacle-La Bellone, beide in Brussel. Het is een overzichtsnummer van wat er de jongste vijftien jaar op het gebied van de podiumkunsten in de Franstalige- en Nederlandstalige gemeenschappen is gebeurd en dat het onthouden waard is. Aan de enorme groei en bloei die het kinder- en jongerentheater in die periode kent, wordt evenwel voorbijgegaan. Het boek is natuurlijk meer dan een inventaris van toneel-, dans- en toneelschrijfkunst. Er worden ook stellingen geformuleerd over de acteursopleiding en het theaterbeleid. Vooral wat dat laatste betreft is er een groot verschil tussen de beide landsdelen. Uit een opmerkelijk artikel van Jacques De Decker (die onder meer werk van Hugo Claus in het Frans vertaalde) blijkt dat de Vlaamse acteur er beter voor staat dan zijn Franstalige collega. Film en televisie werken volgens De Decker in Vlaanderen in het voordeel van de toneelspeler, terwijl die media bezuiden de taalgrens de spelers gewoon over het hoofd zien. In het volgend nummer van ?Balkon/Balcon? wordt directer op de onmiddellijke actualiteit ingespeeld, belooft VTI-directeur Ann Olaerts, die een sterke impuls gaf aan het initiatief. Nu maakt zij zich echter meer zorgen over het voortbestaan van een aantal andere initiatieven van het VTI. Cultuurminister Luc Martens (CVP) mag dan al beweren dat hij het VTI ruimschoots tegemoet komt, Olaerts ziet zich genoodzaakt de geplande uitgaven van boeken over kunst en beleid en over kunst en educatie te schrappen bij gebrek aan geld. Geldgebrek zorgt ook voor weddederving en eventueel verlies van personeel. ?Het VTI zorgt voor de noodzakelijke omkadering van een aantal projecten.?, aldus Ann Olaerts, ?Maar de vraag is of de overheid dit VTI en deze omkadering wel wil. De overheid zegt goed te vinden wat wij doen, maar doet niets om het in stand te houden.?ZEPPOS.Tijdens het Theaterfestival in Brussel gaf het VTI het startsein voor het uitgeven van een Kritisch Theaterlexicon, een naslagwerk in afleveringen. In een eerste fase zijn er een reeks geschreven portretten gepland van 100 belangrijke Vlaamse theatermakers uit de twintigste eeuw. Later kan daar ook een reeks over gezelschappen aan toegevoegd worden. Het lexicon wordt gemaakt in samenwerking met de universiteiten en wordt gezien als een onderdeel van een historisch project rond de podiumkunsten in Vlaanderen vanaf 1900. De eerste vier afleveringen gaan over Senne Rouffaer, Dries Wieme, Jan Walravens en Rudi Van Vlaenderen. Jan Walravens is bij velen wellicht alleen als letterkundige bekend en als stuwende kracht achter het tijdschrift Tijd en Mens (1949-1955). Maar Walravens zag in zijn blad ook een rol voor het theater weggelegd. Gaston Burssens, Hugo Claus en Tone Brulin konden er stukken in kwijt. Van Brulin verscheen daar ook een eerste Vlaams essay over het Theater van de wreedheid van Antonin Artaud, die invloed had op Claus' ?Thyestes?. Belangrijker nog was dat Walravens in 1953, samen met Bert Parloor en Staf Knop, in Brussel Het Kamertoneel stichtte dat jammer genoeg maar knap twee toneelseizoenen meeging. Naast werk van Brulin en Claus werden vooral stukken van buitenlandse toneelvernieuwers, zoals Adamov, Beckett, Ionesco, Genet, geïntroduceerd. Walravens schreef ook zelf toneel, maar zijn stukken zijn nooit gespeeld. Zijn betekenis voor het toneel in Vlaanderen ligt dan ook in zijn rol als bezieler en inspirator. Qua opvattingen over theater sluit hij aan bij wat in ?Een theatergeschiedenis der Nederlanden? overvloedig wordt aangetoond : theater, hoe literair het ook mag geschreven zijn, bestaat slechts écht als het wordt gespeeld. Daarin is de verstandhouding tussen acteur en regisseur van primordiaal belang. Senne Rouffaer is zowel acteur als regisseur en ook Rudi Van Vlaenderen en Dries Wieme waren het. Maar naast hun enorme creatieve ontplooiing en realisaties zijn ze op het organisatorische vlak bezig geweest. Ook daarin toonden ze zich bijzonder creatief. Veel van wat ze presteerden dreigde in de archieven, zo die er al waren, te blijven steken om er vergeten te worden. Daar is nu aan verholpen. Rouffaer is bekend als film- en tv-acteur (?Kapitein Zeppos?, 1964) en als lesgever. Hij is echter vooral toneelacteur, een eminent Shakespearevertolker onder meer. Als regisseur toonde hij affiniteit met werk van onder andere Johan Boonen, dat hij in de KVS (Brussel) creëerde. Hij blijft zeker in de herinnering als de openbaring in ?Maria Magdalena? ( Friedrich Hebbel) in de memorabele regie van Jan Decorte. Van Vlaenderen was de stichter en bezieler van Toneel Vandaag, dat met ?Thyestes?, in de regie van Claus, tot Parijs doordrong. Hij was de eerste directeur (van 1962 tot 1973) van het Ritcs in Brussel waar regisseurs en technici worden opgeleid. De regie-afdeling bracht hij er tot bloei. Tot de eerste lichtingen behoorden onder meer Franz Marijnen, Gilbert Deflo, Dirk Buyse, Marcel Destoop, Eric Dekuyper, Pol Dehert, Jan Decorte. Voor zijn Brabants Kollektief voor Theaterprojecten (BKT) zag hij een laboratoriumfunctie, waar jonge theatermensen zich konden bekwamen en nieuwe Vlaamse stukken werden voorgesteld. Dries Wieme was niet alleen een topacteur in verschillende gezelschappen, hij was ook de man achter de Werkgemeenschap van de Beursschouwburg, achter Jeugd en Theater en het Brialmonttheater. Wat ontbreekt in deze ambitieuze portrettenreeks zijn illustraties. In elk boekje moet men het stellen met één foto van de behandelde figuur. Actiefoto's zouden meer duidelijk maken over visie en vertolking, en minstens een idee geven over decor en aankleding. Ook hier is een gebrek aan middelen voelbaar. Het ?Kritisch Theaterlexicon? wordt kennelijk geschreven vanuit het besef dat theater een voortdurend gevecht is om erkenning, zoals men ook als theatermaker elke dag opnieuw wordt geboren. Roger Arteel ?Een theatergeschiedenis der Nederlanden?, Amsterdam University Press, 2790 fr.?Balkon/Balcon?, 500 fr. en de 4 eerste delen van het ?Kritisch Theaterlexicon?, 750 fr. Info : 02/201.09.06 (VTI). Affiche van R.N. Roland Holst voor Vondels Lucifer door Het Tooneel in 1918 in Amsterdam : een beeld van de samenleving. Dries Wieme : theater is meer dan het tonen van een tekst.