Een bewegend beeld is prettiger om naar te kijken dan een grijze letterbrij. En makkelijker te ontcijferen. Op de televisie en het internet valt ook meer te beleven dan in het spannendste boek. En het nieuws moet je zien. Waarom dan nog lezen?
...

Een bewegend beeld is prettiger om naar te kijken dan een grijze letterbrij. En makkelijker te ontcijferen. Op de televisie en het internet valt ook meer te beleven dan in het spannendste boek. En het nieuws moet je zien. Waarom dan nog lezen? Worden we een volk van ongeletterden, gewend aan het absorberen van beeld en klank, maar niet meer geneigd een tekst te lezen? Is analfabetisme het natuurlijke product van de informatiemaatschappij? Alleszins stroomt de informatie. Of we lezen, televisiekijken of surfen, we doen het om informatie op te nemen. Alleen het debiet van de stroom verschilt. De hoeveelheid gegevens die via de televisie of een flitsende website binnenkomt, is vele malen groter dan wat een boek te bieden heeft. Het is ontstellend hoe weinig informatie een boek bevat. Een turf van duizend bladzijden lopende tekst zonder illustraties neemt op een harde schijf nog geen 5 megabyte in beslag. Op een eenvoudig dvd'tje is plaats voor achthonderd van dergelijke kanjers. Een laptop met internetaansluiting volstaat om de Wikipedia-encyclopedie te kunnen raadplegen die veel meer gegevens bevat dan de dertig delen van de Encyclopaedia Britannica, samen goed voor 55 kilogram en anderhalve meter op de boekenplank. Er staat haast niets in een boek. Mijn jongste boek is dan wel een dunnetje (84 blz.), maar op mijn computer neemt het amper 336 kilobyte in beslag. Dat is zoveel als een foto van middelmatige kwaliteit. Ik zal nooit genoeg te zeggen hebben om één procent van mijn harde schijf vol te schrijven. De kilobytes en megabytes drukken uit hoeveel informatie een bestand bevat, zeg maar het aantal nullen en enen dat nodig is om alle letters van een tekst of beeldpunten van een foto te beschrijven. Een boek beschrijft niet veel. Een film dompelt de kijker onder in een stroom van beelden die elkaar in fracties van seconden opvolgen en die elk meer afbeelden dan wat in een heel boek beschreven kan worden. Vanwaar komt dan de stellige indruk dat televisiekijken een eerder oppervlakkige bezigheid is, goed voor mensen die te lui zijn om een degelijk boek te lezen? In werkelijkheid neemt zelfs de halfingedommelde kijker veel meer informatie op dan de wakkere lezer. Dat is waar, maar het bevestigt juist de indruk. Een beeld beeldt iets af, een tekst verwijst alleen maar naar iets waarvan de lezer zelf nog een beeld moet maken. Wanneer in een film een paard steigert, ziet de kijker het paard steigeren. Het genoemde wordt afgebeeld. De lezer echter leest alleen maar: 'Het paard steigert.' Hij ziet letters en stelt zich daarbij iets voor. Het springende beest verschijnt nergens anders dan in zijn verbeelding. Lezen is verbeelden. De lezer ziet wat hij in zijn geest construeert op aanwijzing van de tekst. De kijker ziet wat een ander voor hem gezien heeft. We leven in een beeldcultuur, een beweeglijk en soms wat wild maar niet onplezierig bestaan. Niemand ontkent het genot dat het beeld verschaft. Wie het paard wil zien steigeren, heeft daar recht op. Maar het recht op het nog veel groter plezier van de verbeelding kan evenmin iemand ontzegd worden. De boekenlezer hoeft daarom de televisie niet te vrezen, al duwt ze hem haast de kamer uit. Eerder zal de televisie door het boek bedreigd worden, want in de wedstrijd om het genot, wint uiteindelijk het grootste altijd. De angst daarvoor bij de televisiemakers zal wel de reden zijn waarom op geen enkele Vlaamse zender een boekenprogramma bestaat. de auteur is natuurkundigeGerard Bodifée