Goede schrijvers, aldus Paul van Ostaijen, zijn te herkennen aan het feit dat zij het kunnen stellen zonder vouwbeen. De slechte schrijvers, de ?beroepsliteraten?, alsook de dilettanten, hebben wel een vouwbeen nodig, benevens kladpapier en gomelastiek. Hij bedoelde dat honend, natuurlijk, om het gevestigde literaire establishment te kunnen hekelen dat zijn werk niet lustte, omdat het er andere literatuuropvattingen op nahield dan hij...

Goede schrijvers, aldus Paul van Ostaijen, zijn te herkennen aan het feit dat zij het kunnen stellen zonder vouwbeen. De slechte schrijvers, de ?beroepsliteraten?, alsook de dilettanten, hebben wel een vouwbeen nodig, benevens kladpapier en gomelastiek. Hij bedoelde dat honend, natuurlijk, om het gevestigde literaire establishment te kunnen hekelen dat zijn werk niet lustte, omdat het er andere literatuuropvattingen op nahield dan hij. Van Ostaijen meende dat dit establishment teksten in een keurslijf dwong, terwijl hij de indruk wou wekken dat literatuur de goede en dus niet met een vouwbeen of andere instrumenten uitgeruste schrijver onverhoeds overviel, zoals een strandwandelaar ook geen badpak draagt om een drenkeling uit zee te gaan redden, want dat dit nodig zou zijn, kon de wandelaar niet voorzien. Maar het honende van de vouwbeen-theorie kon er niet in liggen dat iemand een literatuuropvatting huldigde, maar wel in het feit dat het, volgens Van Ostaijen, de verkeerde poëtica was. Vorig jaar 1996, Van Ostaijenjaar organiseerde het Paul van Ostaijen Instituut van de KU Leuven een colloquium rond deze kwestie. De referaten werden samengebracht in het door Patrick Peeters en Erik Spinoy geredigeerde boek ?Het vouwbeen van de lezer? met teksten die vooral niét tot stand hadden kunnen komen zonder vouwbeen. Vijf teksten hebben het over Van Ostaijen (anniversaire oblige), één gaat over de criticus Jan Walravens, een ander over de dichter Jos de Haes. Deze teksten zijn een schoolvoorbeeld van le bon usage van verjaardagen : ze bezinnen zich over iets essentieels : de manier waarop de literatuur functioneert, zowel toen als nu. De poëticastudie wordt in ?Het vouwbeen van de lezer? op een voorbeeldige manier gecombineerd met de receptie-esthetica : wat beoogde een schrijver, al dan niet bewust, met zijn werk en hoe werd dat werk gelezen ? Deze vragen reveleren de pluraliteit van mogelijke lecturen, die niet in haast morele termen van goed en slecht tegenover elkaar moeten worden gesteld, maar die elkaar aanvullen. Want een badpak een idee over literatuur dragen we toch, of we het beseffen of niet. Marc Reynebeau Patrick Peeters en Erik Spinoy (red.), ?Het vouwbeen van de lezer. Over literatuuropvattingen?, Peeters, Leuven, 123 blz., 650 fr.