Copyright Der Spiegel. Vertaling Piet de Moor
...

Copyright Der Spiegel. Vertaling Piet de Moor 'Leven om het te vertellen', Gabriel García Márquez. Oorspronkelijke titel: Vivir para contarla. Uit het Spaans vertaald door Aline Glastra van Loon, Mariolein Sabarte Belacortu, Arie van der Wal & Mieke Westra. Paperback euro 22,50. Gebonden euro 29,90. 580 blz. Uitgaven van J.M. Meulenhoff. Voor België: Standaard Uitgeverij. Verschijnt op 17 januari 2003.In 2002 was Gabriel García Márquez al diegenen te snel af die hem op een dag zouden zeggen: 'Dat was jij' of 'Dat heb jij gedaan' of 'Dat heb je verzonnen'. Gabo zegt simpelweg: 'Dat herinner ik me.'En zo herinner ik me mijn García Márquez. In het midden van de jaren vijftig leidde ik een literair tijdschrift in Mexico dat zich verzette tegen het culturele chauvinisme van die tijd en dat het 'cactusgordijn' trachtte te overwinnen. We vonden contact met andere Latijns-Amerikaanse tijdschriften die er net zo over dachten. Dat bracht me samen met de nog jonge, maar toch al grote Colombiaanse schrijvers Alvaro Mutis en Gabriel García Márquez. Nog voor ik Gabo persoonlijk leerde kennen, wist ik al wie hij was, want ik had in Mexico De uitvaart van Mamá Grande uitgegeven. Wie was deze schrijver die zo lichtend-helder schreef, die de tropen uit de klauwen van het literaire folklorisme bevrijdde en hen toch de triestheid liet die de antropoloog Lévi-Strauss als hun belangrijkste kenmerk had herkend? Om niet voor de verleidingen van het exotisme te bezwijken, maande García Márquez ons aan om ons huiswerk te doen en 'altijd weer een melancholiek, moeilijk, hard proza te lezen'. García Márquez werd beloond voor zijn eigen creatieve ambitie om tegen de stroom van de gemakkelijkheid in te zwemmen. Zijn oeuvre werd zo geliefd dat het alleen nog maar met een andere roman uit de Spaanse taal vergeleken kon worden die ook 'melancholiek, moeilijk, hard' is - de Don Quichot van Cervantes. Onze eerste ontmoeting vond plaats in Mexico-Stad, in een vervallen huis in de Calle de Córdoba, dat door Gabo Dracula's huis werd genoemd. Ik geloof dat we vanaf dat moment vrienden waren. Vanaf mijn tweeëndertigste kan ik de hoofdstukken van mijn leven met de mijlpalen van mijn vriendschap met Gabo afbakenen. Hijzelf zei daarover: 'Als we ooit eens onze memoires schrijven, zullen de lezers op bladzijden stuiten die ze kunnen inwisselen.' Het literaire leven in het Mexico van de jaren zestig draaide rond twee cafés in de zone Rosa van de hoofdstad. Gabo en ik besloten om de ontmoetingen tot een vast ritueel te maken dat vanaf dat moment elke zaterdagavond in mijn vervallen huis zou plaatsvinden. Daar kwam voortaan heel de mensheid bijeen. Ze waren allemaal jong en veelbelovend, ze rookten en ze dronken allemaal. Enkelen bleven voor altijd veelbelovend en anderen besloten om zo hard te werken dat ze tot het bescheiden postuur van een genie zouden uitgroeien. Wij bewogen ons allemaal op het ritme van de tijd. Het bewijs: een buitengewone foto van Gabriel García Márquez bij de watoessi-dans. De meisjes waren allemaal mooi. En wie was mooier dan de tragische Arabella Arbenz, de dochter van de president van Guatemala die door de CIA omvergeworpen werd? Toen ze naar Mexico kwam, kwam ze eigenlijk naar de film. En Gabo en ik waren als scenarioschrijvers in ons metier even onzeker als Arabella in het hare. Samen schreven we het draaiboek voor De gouden haan naar een vertelling van Juan Rulfo. Overdag schreef de regisseur een scenario voor de smartlapzangeres Libertad Lamarque en 's nachts werkte hij met ons aan De gouden haan. Af en toe waren we zo verward, dat we de zangeres lieten kraaien en dat we de haan tango's lieten zingen. Op het einde zei Gabo tegen mij: 'Willen we werkelijk de Mexicaanse film redden of toch liever onze romans schrijven?' Daarmee waren de teerlingen geworpen. Ik trok naar Parijs terwijl Gabo besloot om Honderd jaar eenzaamheid te schrijven. Zijn vrouw Mercedes grendelde het huis af, sneed de telefoonverbinding af en vulde de ijskast. Een jaar later kreeg ik de eerste vijftig bladzijden. Ik las ze en was diep bewogen, was onthutst en vol dankbaarheid dat ik een vriend bezat met zo'n onmetelijk talent en zo'n grenzeloze generositeit. Want deze roman beperkte zich niet tot gave en overgave, hij verenigde als in een vergrootglas de grote tradities van de Spaans-Amerikaanse literatuur - stichtingsmythe, vernietigingsepiek, nieuwe schepping - en toonde meesterlijk dat al deze genres met elkaar verzoenbaar waren. En dat gebeurde in een periode dat er literaire dorheid heerste, een periode die bepaald werd door de steriele dictatuur van de Franse nouveau roman. García Márquez bracht ons terug op het terrein van de Mancha waar de epiek van het ridderschap, de schelmenroman, de bucolische roman, het byzantijnse complot, de roman in de roman en de gevangenis van de liefde elkaar met poëtische gulheid ontmoetten. De stroom van de literaire kennis die over de Eilanden in de stroom van Ernest Hemingway tot de Mississippi van William Faulkner vloeit, die een Spaanse tussenlanding maakt op het eiland Cuba van de romancier Alejo Carpentier met zijn magisch realisme, die Haïti en de francofone Cariben in het verhaal opneemt en Jean Rhys van de Wide Sargassa Sea niet vergeet, mondt uit in de rijke baai van García Márquez. Gabo is gefascineerd door het fenomeen van de macht. Wat onze relaties met de machtigen betreft, zou ik er twee willen beklemtonen. Op de eerste plaats: François Mitterrand, een demon van de intelligentie, van literaire vorming en politiek machiavellisme. In zijn notities schreef Mitterrand over García Márquez: 'Hij is een man die strookt met zijn werk. Hij kan alle kanten opvliegen, hij is geslepen en discreet.' Met William Styron, Arthur Miller en García Márquez nam ik in mei 1981 deel aan de plechtige inauguratie van president Mitterrand. Daarna waren we getuige van zijn eerste ambtelijke daad. Hij ondertekende twee decreten waarmee aan de Tsjech Milan Kundera en de Argentijn Julio Cortázar, die alle twee door dictaturen in Praag en Buenos Aires in ballingschap gedreven waren, het Franse staatsburgerschap werd verleend. Als een Franse president literair gevormd is, verrast dat nooit. Maar het verrast wel dat een Amerikaanse president boeken leest. Dat ontdekten Gabo en ik op Martha's Vineyard, waar Bill Clinton hele passages van Faulkner zomaar uit het hoofd kon opzeggen en ons verklaarde dat hij Don Quichot had gelezen en dat hij Marcus Aurelius tot zijn lievelingsschrijver had uitverkoren. Gabo en ik hebben vele - niet altijd gemeenschappelijke - literaire vrienden en vijanden gehad. Maar als we onze levens met zijn inwisselbare hoofdstukken nader bekijken, zien we onder de schrijvers een vriend die Gabo en ikzelf hoger inschatten dan wie ook. Het gaat om Julio Cortázar. Ik geloof dat noch Gabo noch ikzelf zonder Cortázars vriendschap zouden zijn wat we zijn en wat we nog zouden willen zijn. In Cortázar verenigden zich literair genie en persoonlijke bescheidenheid, universele vorming en burgermoed. Hij had alles gelezen en alles gezien om het te delen. Een van de onvergetelijke nachten van onze vriendschap: december 1968, in de trein van Parijs naar Praag. Kundera had ons uitgenodigd om de hoop overeind te houden dat in een land, dat door Russische tanks bezet was, een onafhankelijke Tsjechische cultuur zou kunnen blijven voortbestaan. Cortàzar breide verhalen aan elkaar als een Arabische verteller op de markt van Marrakesh. Toen we 's morgens vroeg in Praag arriveerden, bracht Kundera Gabo en mij naar een sauna. En toen we wilden douchen, voerde hij ons naar de Moldau en duwde ons, naakt als gepluimde kippen, in het ijzige water. Toen we blauw en bevroren uit de stroom kwamen, zei Gabo: 'Een ogenblik dacht ik, dat we in het land van Kafka samen zouden sterven.'Toen Cortázar stierf, belde ik García Márquez op, diep bewogen. Gabo gaf me het gedenkwaardige antwoord: 'Geloof niet alles wat je in de krant leest.' Dat klopt: in de literatuur bestaat geen sterfelijkheid. In Mexico-Stad trachtten Gabo en ik onthutst al die rebellieën, moorden en heksen te begrijpen - tot García Márquez het gelukkig idee had om het Mu-seum voor Antropologie te bezoeken. Hij bleef daar tien minuten voor de moedergodin Coatlicue met haar slangenjurk staan en draaide zich toen om met de opmerking: 'Ik heb het begrepen.' Wat hebben we begrepen? In de cafés van Parijs, in de bars van Venetië, tussen de tapas in Madrid en de wandelingen in Oviedo: dat de realiteit altijd romanesker is dan de fictie. Het gaat om die harde, smartelijke werkelijkheid van de Colombiaanse geboortegrond die zo trots op Gabo is dat hij in zijn geliefde Cartagena op straat begroet wordt met 'Hallo, don Nobel'. Het is een uitgezogen, gekaapte, geprostitueerde, uitgeputte en bedrogen geboortegrond. Terecht vindt Gabo zijn tweede vaderland in Mexico dat voor hem al datgene is wat het voor zoveel arme Mexicanen niet kan zijn: rust, geborgenheid, veiligheid. Hier kunnen we samen met onze vrouwen en kinderen, onze vrienden en onze Grote Mama - onze literaire agente en beschermengel Carmen Balcells - de passende eer bewijzen aan degenen die we lief hebben. Want onze herinnering is een buiging van respect. Of, zoals Gabo zegt: leven, om het te vertellen. 'Willen we werkelijk de Mexicaanse film redden of toch liever onze romans schrijven?'