De oorlogsliteratuur over de Eerste Wereldoorlog wordt dan ook vooral beheerst door Britse, Duitse en Franse chroniqueurs. In de Oorlogsdomeinreeks van Uitgeverij De Arbeiderspers worden momenteel de voornaamste internationale monumenten opnieuw afgestoft. Het Vuur (1916) van Henri Barbusse krijgt nu een vervolg met Dat hebben we gehad (1929) van Robert Graves en in het voorjaar verschijnt Oorlogsroes (1920) van Ernst Jünger. In de Vlaamse literatuur is er niet direct een evenknie te vinden van deze grote drie. Filip de Pillecyn stak zijn ontgoocheling over dat literaire vacuüm in 1919 niet onder stoelen of banken: 'Onze oorlogsliteratuur is slechts een leemte van vijf jaar.' Recente bloemlezingen, zoals die van A.G. Christiaens bij uitgeverij Davidsfonds ( De Grote Oorlog. Novellen over 14-18), tonen tussen het kaf toch ook heel wat koren. Wie verder graaft met de pioniersstudie van Frederik Deflo ( De literaire oorlog. De Vlaamse prozaliteratuur over de Eerste Wereldoorlog) als gids, wordt weldra geconfronteerd met een intrigerend lappendeken van alle mogelijke literaire probeersels van de meest verscheiden auteurs en vooral amateurs van het bombastische woord. Er zijn een heleboel pathetische missers bij, zoals De dood van Yper (1916) van Caesar Gezelle, neef van Guido. Maar dus ook aangrijpende passages die vaak al het talent van de latere rasverteller verraden, zoals in het geval van Ernest Claes.
...

De oorlogsliteratuur over de Eerste Wereldoorlog wordt dan ook vooral beheerst door Britse, Duitse en Franse chroniqueurs. In de Oorlogsdomeinreeks van Uitgeverij De Arbeiderspers worden momenteel de voornaamste internationale monumenten opnieuw afgestoft. Het Vuur (1916) van Henri Barbusse krijgt nu een vervolg met Dat hebben we gehad (1929) van Robert Graves en in het voorjaar verschijnt Oorlogsroes (1920) van Ernst Jünger. In de Vlaamse literatuur is er niet direct een evenknie te vinden van deze grote drie. Filip de Pillecyn stak zijn ontgoocheling over dat literaire vacuüm in 1919 niet onder stoelen of banken: 'Onze oorlogsliteratuur is slechts een leemte van vijf jaar.' Recente bloemlezingen, zoals die van A.G. Christiaens bij uitgeverij Davidsfonds ( De Grote Oorlog. Novellen over 14-18), tonen tussen het kaf toch ook heel wat koren. Wie verder graaft met de pioniersstudie van Frederik Deflo ( De literaire oorlog. De Vlaamse prozaliteratuur over de Eerste Wereldoorlog) als gids, wordt weldra geconfronteerd met een intrigerend lappendeken van alle mogelijke literaire probeersels van de meest verscheiden auteurs en vooral amateurs van het bombastische woord. Er zijn een heleboel pathetische missers bij, zoals De dood van Yper (1916) van Caesar Gezelle, neef van Guido. Maar dus ook aangrijpende passages die vaak al het talent van de latere rasverteller verraden, zoals in het geval van Ernest Claes. Allicht omdat de aanval van de Duitsers voor veel Belgen letterlijk als een donderslag bij heldere hemel kwam (augustus 1914 was weerkundig een uitzonderlijk mooie maand), waren de eerste indrukken van de beginnende oorlogsverschrikking ook zo scherp.Deze bloemlezing werd opgevat als een chronologisch journaal op het tempo van de Duitse invasie. De gekozen auteurs worden geciteerd als nieuwerwetse journalisten die vanuit hun standplaats en vanuit een heel persoonlijk perspectief berichten over het woeden van de oorlog. Een korte situering van de literaire reporter ter plaatse leidt telkens de fragmenten in.Oedelegem, 4 augustus 1914: KermisstemmingNorbert Edgard Fonteyne (1904-1938) verwierf na zijn dood kortstondige roem met de postume publicatie van zijn jeugdherinneringen ( Kinderjaren). Fonteyne vertelt in dit fragment hoe hij als tienjarige in Oedelem bij Brugge het uitbreken van de oorlog als een heuse kermis ondergaat. *Onze woonkamer vol zon; vader leest de krant, terwijl moeder haar huiswerk doet. Namen die we vaag kennen worden in een eentonige reeks afgelezen: Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland ... België ... Engeland ... Terwijl moeder van kommer zwijgt slaat vader zich op de knie, en vloekt van ontzetting: 'Heel Europa!'. Dat is voor mij de aanvang van de oorlog. En daarop een plotselinge verwarring; gaan en komen, trams, auto's, gendarmen; praten en samenscholen, plakkaten en papieren; en elke dag heeft zijn verrassing. Van die eerste dagen kan ik in mijn herinnering maar niet de kermisstemming afscheiden: aan de muren hangen proclamaties die net als de kermisaffiches met de nationale kleuren omzoomd zijn, en grote prenten waarop in mannekensbladenkleur, ter onderrichting, de legeruniformen aller naties staan afgebeeld. De etalages staan vol met portretten van alle bevriende vorstenhuizen, en met bonte postkaarten waarop de soldaten van de Verbondenen elkaar theatraal de hand reiken. Alle ernstige arbeid ligt stil, er is volk in de herbergen en er is geen school. De muziekmaatschappij wijdt speciale repetities aan de nationale hymnen van de Verbondenen, en eenieder die men op straat ontmoet, draagt een driekleurige strik, die aan de schietroos van een kermiskraam herinnert; alleen zijn sommige nu zo groot als een koolblad omdat ze tevens, beschermend om de Belgische heen, de Franse driekleur bevatten. En wij kinderen zijn tevreden omdat het oorlog is, en omdat we met zo'n buitengewone gunst bedeeld worden.*Aarschot, 19 augustus 1914: DroomFilip de Pillecyn (1891-1962) mag dan wel beweren dat er geen Vlaamse oorlogsliteratuur is, maar zelf bewees hij het tegendeel met de novelle De Rit (1927). De Pillecyn maakte de Duitse doortocht in Aarschot als soldaat zelf niet mee maar hij was sinds 1915 wel oorlogsvrijwilliger en kreeg een opleiding als huzaar te paard. In deze tijdloze novelle laat hij een cavalerist terugdenken aan een rit naar het pas bezette Aarschot. *Wie het genot van de angst niet heeft gekend, zal nooit kunnen beseffen hoe rijk de vreugde van die rit in mijn leven is bijgebleven. Nooit sedertdien heb ik dat zo diep in mij gevoeld; dat was alsof ik in één ademtocht al de koelte uit de bronnen en al de gloed van een reusachtig vuur zoog. Later heb ik nog uren gekend van verschrikking, van beestig onderwerpen aan het slijk waarin de obussen hun gesis kwamen doven om los te knallen. Maar dat was anders; dit hier was geen verschrikking, machteloos ondergaan, blind, doof. Op het front was het de indruk van een zware klomp die langzaam op uw hoofd neerkomt; het gevoel van iemand die ligt vastgebonden op de spoorlijn en de trein hoort naderen die over hem zal donderen. Dit hier was een schone kans; wij waren opgetild in die klare, gonzende lucht van de zonnige dag. De galop stierf uit. Wij keken elkaar aan. Daar was er geen of zijn ogen schitterden. De handen klopten strelend over de nek van de paarden. Auguste stak een sigaret op. De droom was voorbij.*Namen, 21 augustus 1914: Rrrank!Ernest Claes (1885-1968) was 29 toen hij als vrijwilliger van de compagnie univerre, een contingent ex-universiteitsstudenten, verstrikt raakte in de vestingoorlog rond Namen. Met Namen 1914 debuteerde Claes trouwens, maar veel laurieren hebben hem de oorlogsjaren niet opgebracht. Hier vertelt hij hoe hij als soldaat een Franse gewonde tracht te redden. Daarbij raakt hij zelf gekwetst. Twee maanden later wordt Louis-Ferdinand Destouches alias Céline ( Reis naar het einde van de nacht) te Poelkapelle verrot geschoten. Hij is voortaan voor vijfenzeventig procent invalide. Claes had meer geluk, zo bleek achteraf. *'Voulez-vous me porter derrière cette maison?' vraagt hij, 'j'ai une balle dans la jambe.' Het is een deerlijk klein kereltje, ijselijk bleek. Ik kniel naast hem neer en met veel moeite krijg ik hem op mijn rug. De kogels fluiten ons onophoudend om het hoofd. Het soldaatje weegt zwaarder dan ik dacht en ik moet al mijn krachten inspannen om recht te komen. Hij houdt beide armen stijf om mijn schouders geklemd, en ik hoor zijn mond pijnlijk hijgen naast mijn oor. Ik meen hem weg te dragen naar het huisje langs de weg, maar ik heb pas een paar stappen gedaan of een schril fluitende granaatkartets komt op ons toe, en barst open met een nijdige rrrank! vlak boven onze hoofden. Ik krijg een schok die mij bijna omverwerpt, de Franse soldaat uit een doffe zucht, zijn armen laten los. Ik buig mij over hem neer, zijn rechterarm is bijna afgeslagen, de mouw weggerukt, en de lichte stof van zijn hemd kleurt snel rood van het overvloedig bloeden. Op het achterhoofd heeft hij eveneens een fel bloedende wonde. Hij doet nog eens de ogen wijd open, staart mij vlak in het gezicht, fluistert: 'Jésus, Marie! ... Adieu ...' en na een laatste stuiptrekking over heel zijn lichaam ligt hij stil. Weer dat akelig dreigend fluiten, een tweede kartets knakt boven me en ik krijg een geweldige slag in de rechterzijde. Ik voel een stekende pijn alsof plotseling een gloeiend ijzer op mijn naakte huid wordt gedrukt. Mijn mantel is verscheurd, het is door mijn jas gegaan, door mijn hemd, en ik voel de natte lauwigheid van bloed. Mijn hoofd duizelt. Een nieuwe schok op mijn linkerschouder nu, maar zonder grote pijn, iets als een zware vuistslag die mij machteloos maakt. Ik keer mij om en wil wegkruipen. Meteen voel ik al mijn weerstandsvermogen, al mijn uithoudingskracht weg. Het is me of met één knak al mijn zenuwen, al mijn spieren zijn doorgesneden. Een derde slag als een stomp in mijn rug, als een felle prik van een stekend voorwerp. Nogmaals barst een granaatkartets boven mijn hoofd, en aan dezelfde linkerschouder word ik een tweede keer getroffen.*Lobbes, 22 augustus 1914: Gruwelijk grandioosRaymond Brulez (1895-1969) studeerde Germaanse filologie toen het oorlog werd. Zijn mentor August Vermeylen zond hem naar Morlanwelz om er Nederlands te geven aan Waalse scholieren. Zo kwam hij in contact met de bevallige Jeanne die bijzonder levendig kon vertellen hoe de Duitsers aan de oevers van de Samber te Lobbes, niet ver van Morlanwelz, de beschieting begonnen. In het Pakt der triumviren (1951) herinnert zich de negentienjarige Brulez het volgende tragisch-hilarische militair tafereel, zoals opgetekend uit de mond van Jeanne. *Nog voor de ochtendmist boven de vallei volledig was opgetrokken zette de kanonnade in. We hadden een goed uitzicht op de spoorbrug en verwachtten met ongeduld dat ze de lucht zou ingaan. Maar geen enkele ontploffing deed zich voor. Ha, die Franse zorgeloosheid! Vanachter het huisje van de baanwachter liepen plots drie Feldgrauen naar de brug op een drafje, als wie door een regenbui wordt verrast. Ze waren nog niet ten halve of een Franse mitrailleuse ging aan het tikken. Een soldaat plonsde het water in, de twee anderen maakten ijlings rechtsomkeert en schuilden opnieuw achter de gevel van het baanwachtershuis. Ruim twee uur lang gebeurde er niets merkwaardigs, tot boven Thuin rookzuilen van branden opstegen... Vader riep naar moeder: 'Het brandt! Komt zien: het is gruwelijk en grandioos!' Maar uit de keuken weerklonk moeders antwoord: 'Wilt ge misschien dat ik het eten laat aanbranden?' - 'Hier is het spektakel maar pover', smaalde vader. Hij leek wel een ontgoochelde toeschouwer in een circus, die nijdig vaststelt dat op een zijpiste interessanter toeren worden vertoond. *Ingooigem, 30 augustus 1914: VerademingStijn Streuvels (1871-1969) hield er tijdens de oorlog een dagboek op na, In oorlogstijd, dat pas tien jaar na zijn dood integraal werd gepubliceerd. Streuvels maakte de oorlog van op een afstand mee. Hij hoort het bulderen van de kanonnen in de verte en tracht met de fiets te gaan kijken wat er gebeurt. Maar veel krijgt hij niet te zien. Als drie Duitse officieren bij hem worden ingekwartierd die Streuvels vervolgens met sympathie beschrijft, krijgt hij het verwijt om al te Duitsvriendelijk te zijn. In dit journaaluittreksel maakt hij de bedenking dat door de oorlog het leven teruggebracht wordt tot zijn essentie. Streuvels is daar blijkbaar niet rouwig om. *Alles ten andere, de hele samenleving is ernstiger geworden _ men heeft alle bijkomstigheden van 't leven laten varen. Ik denk soms als men ons nu bijvoorbeeld een van onze politieke bladen moest voorleggen, gelijk ze er uitzagen een paar maanden geleden nog, met al hun drukte om niets en al hun venijnige inzichten en kleinzieligheid. Nu is alle politieke kleur verdwenen _ alsof er iets van die aard nooit bestaan had. De bladen zijn geworden hetgeen ze moeten zijn: informatie en de goede richting aanwijzen voor de gedachten. 't Leven is door de oorlog gezuiverd en ontdaan van een aantal onnuttige bijkomstigheden; wij zijn verlost van ondergeschikte dingen die een overwegend belang en een valse waarde gekregen hadden in de samenleving _ de dingen zijn in hun elementaire verhouding hersteld. Het is iets als een verademing niet meer te horen van literatuur, kunst, verzen en Vlaamse beweging!*Afsnee-Melle, 7 september 1914: Slagveld brandveldCyriel Buysse (1859-1932) verbleef slechts twee maanden in het Gentse Afsnee vooraleer hij eind september samen met zijn echtgenote in Den Haag toevlucht zocht voor het oorlogsgeweld. Ondertussen bleef hij voortdurend terugkeren naar het Vlaamse front, al was het maar om zijn zoon René te bezoeken. Buysse schreef tijdens zijn excursies in de Vlaamse velden talrijke impressies neer waaruit hij later kortverhalen puurde. Een plasje bloed in het zand heette een van zijn betere oorlogsnovellen. Deze vertelling gaf trouwens de naam aan een bloemlezing internationaal oorlogsproza die Chrisje Brants in 1995 uitbracht bij uitgeverij Balans en waar naast enkele zeldzame Vlaamse literaire fragmenten de meer bekende buitenlandse bijdragen opvallen. Toen hij nog in Afsnee was, hoorde hij eind augustus het kanonnengebulder van de naderende Duitsers. Enkele dagen later ging hij in Melle zelf kijken naar de resultaten van dat oorlogsgeweld. *De vijand nadert! Lange tijd hebben de mensen nog kunnen hopen en twijfelen, doch nu niet meer, want zij horen hem komen! De ganse dag heeft in 't verschiet een dof gedreun gebromd, als van een heel ver onweer. Veel mensen zeiden: het is een onweer; doch de schone hemel bleef de ganse dag strakblauw en toen begrepen zij wel dat het iets anders was. Zij kwamen angstig-luisterend op de heuvel, waar de eeuwenoude, houten molen zijn vier rode wieken als biddende armen naar de einder uitstrekt, en daar hoorden zij, wijd over de zachte golving van de schone landouwen, het doffe bonzen duidelijker en wisten dat het ver kanongebulder was. Zij zagen bleek, de mensen, en sommigen beefden en hadden tranen in hun ogen. Zij aanhoorden die machtig-doffe dreuning als de dreigende stem van het naderend onheil en voelden dat er geen ontkomen was. Hopeloos staarden zij ver in de lucht en daarna om zich heen op de aarde, als zochten zij een hol om zich in te verschuilen. Doch nergens was voor hen een toevluchtsoord en gedrukt en bang verlieten zij de heuvel en gingen zich weer in hun triestige huizen verbergen. Het slagveld! Dat slagveld was eigenlijk een brandveld. Het rook er naar brand en er was brand nog overal. Gehele rijen huizen waren uitgebrand, boerderijen waren afgebrand, 't kasteel was afgebrand. Een brand op grote school, dat was het slagveld! Hier en daar een dode koe of een dood paard; hier en daar nog een onbegraven landsverdediger of vijand, 't gezicht tegen de grond, de benen opgetrokken, als 't ware slapend... 't Affuit van een kanon lag, half verzonken in een droge sloot, nog op te branden en overal waren de weelderige veldvruchten vermorzeld en vertrapt, als door een hagelstorm geteisterd.*Hofstade, begin september 1914: Geen romantisch WaterlooFranz de Backer (1891-1961) werd tweemaal gekwetst als infanterist. Hij schopte het tot luitenant en later tot hoogleraar in de Germaanse Filologie. Met Longinus (1934) schreef hij een van de meest markante exponenten van Vlaams oorlogsproza. Na een nogal langdradige inleiding komt hij terzake en vertelt hij lucide en zonder tierlantijntjes over zijn frontervaringen. In september 1914 maakte hij als brancardier in Hofstade bij Mechelen voor het eerst mee wat oorlog echt betekende. *Hoorde geweerschoten. Kreeg een shrapnel. Zag niets. Tot we opeens woedend toegeroepen werden, neer te liggen, en, als bij toverslag, daar lagen veel soldaten, in een stoppelveld en langs de grachten. Wij hadden gezocht naar een opstelling in dichte gelederen, visioenen gehad van massa's soldaten in grote, regelmatige, levende vierkanten op elkander aanrukkend in een ontzaglijk veld vol rook en schelle vlekken van vlaggen, onder het geschal van klaroenen en het gebulder van geschut. En dit dan was de oorlog: niet een romantische chromo van Waterloo: een verborgen-liggen in een stil veld, onder de zomerzon, en nu en dan enkele schoten in onverwacht en nijdig gespetter. Met enigen kropen wij langs de grachten. Toen zag ik, met zijn aangezicht in de aarde, een grote soldaat als een donkere vlek, bewegingsloos. De arm was afgerukt, de borstkas open, de purpergrijze long ontbloot. Vliegen bromden rond die ontzetting. 'k Sneed het identiteitsplaatje weg van een vettig, bebloed snoertje rond de hals, en keerde de ongelukkige, en sloot zijn gebroken, starende ogen. Mijn lippen trilden. Wat verder lag een soldaat te kreunen. Toen ik nader kwam sloeg hij wild met zijn armen in de lucht, plots gulpte bloedig schuim uit zijn mond, en hij bleef heel stil. In een herberg gaf een vrouw me enkele gestoofde peren; 'k ben thans beschaamd, maar die peren herinner ik me zo duidelijk als de eerste doden en gekwetsten zelf.*Hove, 4 oktober 1914: Baaierd van lichtPaul van Ostaijen (1896-1928) maakte zoals bekend een opmerkelijke poëtische collage, Bezette stad, naar aanleiding van de bezetting van Antwerpen. Heel wat minder bekend is het krantenartikel dat hij schreef toen hij samen met zijn broer Constant uit zijn geboortedorp Hove bij Antwerpen wegvluchtte voor de oprukkende Duitsers. Van enige avant-gardistische nieuwlichterij is hier nog geen sprake. Van journalistieke zin voor het pittige detail des te meer. *Ik ben van den buiten. Mijn dorpje ligt links langs de weg van Antwerpen naar Kontich. Het heet Hove en was een heel rustiek dorpje, tot de oorlog uitbrak. Toen kwamen onze soldaten, eerst weinig, dan al langer meer, volgens dat het Belgische leger naar de stelling van Antwerpen teruggedreven werd. Er kwamen er soms zoveel dat het helemaal onmogelijk was ze allen te herbergen niettegenstaande het groot aantal ruime danslokalen (zeven voor een dorpje van tweeduizend inwoners!). Later heb ik de fantastisch droevige aftocht van een machtige Rode-Kruiskolonne bijgewoond. Rond middernacht, werd ik gewekt door een zonderling gerucht. Ik stond op en ging aan het venster kijken. De Lintse steenweg, die sierlijk langs de velden heen kronkelt, lag in een baaierd van licht. Snel kwam het licht dichterbij om even snel weer te verdwijnen. Het waren automobielen, aan beide kanten wapperde klappend een Rode-Kruisvlaggetje, rillend in de herfstkoelte. Langs de landelijke weg rolden nu onophoudelijk de automobielen en geen dorpeling was er of hij stelde zich het ergste voor, want er waren toen de allerslechtste berichten verspreid. Oh neen, deze nacht zo schielijk verlicht, fantastisch als een sproke van een onbekend land, zal ik nooit vergeten. 's Zondagsmorgens hoorden wij reeds de shrapnels over ons dorpje gillen. De meeste Hovenaars, ook de burgemeester, waren reeds vertrokken. 's Middags gingen wij, mijn broeder en ik, ook heen.Frank HellemansMet dank aan Piet Chielens, provinciaal coördinator van het Ieperse oorlogsmuseum In Flanders Fields.