Vanaf de eerste staatshervorming in 1970 hebben de Franstaligen met succes waarborgen geëist om hun numerieke minderheid te beschermen. Het resultaat is een heel arsenaal aan mechanismen. Daarbij valt niet alleen op dat de minderheid van de Duitstaligen in het federale België op dat vlak helemaal uit de boot valt, omdat de grondwet de Kamer en de Senaat enkel indeelt in een Nederlandse en een Franse taalgroep. Ook weegt het zoeken van een communautair evenwicht veel zwaarder door dan het beschermen van de (Franstalige) minderheid. Dat stelt professor Hendrik Vuye, directeur van de nieuwe rechtenopleiding van de Universiteit Hasselt, in het tijdschrift Publiekrechtelijke Kronieken.
...

Vanaf de eerste staatshervorming in 1970 hebben de Franstaligen met succes waarborgen geëist om hun numerieke minderheid te beschermen. Het resultaat is een heel arsenaal aan mechanismen. Daarbij valt niet alleen op dat de minderheid van de Duitstaligen in het federale België op dat vlak helemaal uit de boot valt, omdat de grondwet de Kamer en de Senaat enkel indeelt in een Nederlandse en een Franse taalgroep. Ook weegt het zoeken van een communautair evenwicht veel zwaarder door dan het beschermen van de (Franstalige) minderheid. Dat stelt professor Hendrik Vuye, directeur van de nieuwe rechtenopleiding van de Universiteit Hasselt, in het tijdschrift Publiekrechtelijke Kronieken. 'Eigenlijk gaat het louter om conflictbeheersing tussen Vlamingen en Franstaligen', aldus Vuye. Zo zijn er de bijzondere wetten. Ze vergen een tweederdemeerderheid én een meerderheid in beide taalgroepen. Die dubbele meerderheid is bijvoorbeeld nodig om de grenzen van de vier taalgebieden (het Nederlandse, het Franse, het Duitse en het tweetalige Brussel-Hoofdstad) te wijzigen. Voorts moet de ministerraad, die maximaal vijftien leden telt, bestaan uit evenveel Nederlandstalige als Franstalige ministers. Alleen voor de eerste minister wordt van deze regel afgeweken. Taalpariteit is er eveneens tussen de twaalf rechters van het Grondwettelijk Hof, dat het wetgevend werk van de verschillende parlementen toetst aan de grondwet. Een berucht mechanisme is de alarmbelprocedure, waarover bijna tien jaar werd onderhandeld vooraleer ze in 1970 onder de rooms-rode regering-Eyskens in de grondwet (artikel 54) werd opgenomen. Aanvankelijk werd gedacht aan een parlementaire verzoeningsprocedure, maar al snel kreeg de regering een hoofdrol in deze procedure. Ze wordt in werking gesteld als minstens drie vierde van de leden van een taalgroep in het federale parlement met een motie duidelijk maakt dat een wetsontwerp of -voorstel 'de betrekkingen tussen de gemeenschappen ernstig in het gedrang' brengt. De motie schort de parlementaire behandeling van het ontwerp of voorstel op en komt terecht op de tafel van de ministerraad. Die heeft 30 dagen om met een gemotiveerd advies terug naar het federale parlement te gaan. Een taalgroep kan over een ontwerp of voorstel slechts eenmaal aan de alarmbel trekken, maar dan wel in de Kamer en in de Senaat. De politieke praktijk leert Vuye dat regeringsmeerderheden, om te overleven, moeizame akkoorden verkiezen boven deze procedure. Tot nog toe luidde de alarmbel één keer, op 4 juli 1985 toen de Franstaligen zich verzetten tegen de integratie van de Economische Hogeschool Limburg in het toenmalige Limburgs Universitair Centrum. Ze meenden dat de financiering ervan ten koste zou gaan van een soortgelijke operatie tussen een technische hogeschool en de universiteit in Mons. Uiteindelijk liep deze confrontatie met een sisser af. Bij de staatshervorming van 1988-1989 ging de bevoegdheid voor onderwijs naar de gemeenschappen en Vlaanderen liet de integratie van de twee Limburgse instellingen toe vanaf 1991. Een soortgelijke techniek is die van het belangenconflict, dat kan worden ingeleid door het ene parlement omdat het zich door een wetgevend initiatief van een ander parlement ernstig benadeeld voelt. Op dat moment start een periode van 60 dagen om het conflict via overleg op te lossen. Lukt dat niet, dan brengt de Senaat binnen 30 dagen een advies uit. Vervolgens heeft het taalparitaire Overlegcomité van alle regeringen (federaal en deelstaten) nog eens 30 dagen om zich over het conflict en het advies uit te spreken. De afwikkeling van een belangenconflict (dat als mechanisme niet in de grondwet, maar door een gewone wet van 1980 geregeld is) belet niet om nadien toch de alarmbel te luiden. In het dossier B-H-V hebben de Franstaligen een eerste keer een belangenconflict gestart via het parlement van de Franse Gemeenschap, toen op 7 november vorig de jaar de Vlaamse meerderheid in de bevoegde Kamercommissie het splitsingsvoorstel goedkeurde. Een bisnummer is intussen ingezet door de Franse Gemeenschapscommissie in Brussel. Vuye: 'Terwijl de Vlamingen die techniek met het Vlaams Parlement maar één keer kunnen toepassen, is er aan Franstalige zijde een wonderbaarlijke veelvuldigheid van regeringen en parlementen: in het Waals Gewest, de Franse Gemeenschap, het Brussels Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie. Daardoor en ook door de combinatie van procedures kan een wetgevend initiatief zowat eindeloos worden geschorst en hebben de Franstaligen bijna een vetorecht. Desondanks zou een Vlaamse meerderheid in bijvoorbeeld de B-H-V-kwestie haar wil uiteindelijk kunnen doordrukken. Maar dat is de theorie. In de realiteit zal er een onderhandelde oplossing uit de bus moeten komen. Misschien is dit wel de kern van de Belgische politiek: terwijl men hoopt te werken voor de eeuwigheid, is enkel een laatste crisis bedwongen.' 'Communautaire conflictbeheersing behelst de wil om te komen tot onderhandelde oplossingen, en dat zowel aan Vlaamse als aan Franstalige zijde', zegt Vuye nog. Terwijl de vijf meerderheidspartijen en -kartels van Leterme I ter zake voorlopig weer de vertrouwde schema's volgen, zijn volgens de professor tijdens de mislukte oranje-blauwe formatie na de verkiezingen van 2007 'de grenzen van het Belgische model van conflictbeheersing verkend'. Tegelijk waarschuwt hij ervoor om deze grenzen niet te verleggen met een paritaire Senaat. Die mogelijkheid werd al eens geopperd in de aanloop naar 1970. Ze werd in april 2002 ook opgenomen in een politiek akkoord van Verhofstadt I. En als interim-premier diepte Guy Verhofstadt (Open VLD) het idee in januari andermaal op in zijn communautair verslag aan de koning. Maar volgens Vuye is het dan gedaan met 'conflictbeheersing door onderhandeling', omdat de stemmen van de Franstaligen een groter gewicht krijgen in de Senaat en ze de Vlaamse meerderheid op die manier kunnen afblokken met een volwaardig vetorecht. 'Dan wordt elke wet een bijzondere wet en kan er niets meer beslist worden zonder de Franstaligen', meent Vuye. Hij citeert daarbij ook uit de memoires van Gaston Eyskens, die in 1970 dacht van een dergelijk scenario verlost te zijn, maar toch niet zeker van zijn stuk was. 'De idee van een paritaire Senaat, die komt er. De Vlamingen zijn sullen genoeg om dat te doen', aldus Eyskens. Patrick Martens