Eigenlijk is deze titel zowel misleidend als onwaar, want ?een dominee als meermin? staat al veel dichter bij de waarheid, maar heeft dan weer het nadeel dat hij de verbeelding minder naar de keel grijpt dan de eerste versie.
...

Eigenlijk is deze titel zowel misleidend als onwaar, want ?een dominee als meermin? staat al veel dichter bij de waarheid, maar heeft dan weer het nadeel dat hij de verbeelding minder naar de keel grijpt dan de eerste versie.Op 3 december 1804 werd het kind Robert Stephen Hawker geboren in een domineesfamilie. Opgroeiende werd hij naar de Latijnse school gestuurd door een suikertante. Na een woelig verblijf aldaar schreed hij Oxford-waarts om er te studeren aan het Pembroke College. Spijtig genoeg was zijn vader als hulppredikant arm als een kerkmuis zodat Robert op eigen stoom moest zien te varen. Bij het vernemen dat zijn doopmeter Charlotte I'ans een jaargeld van 200 pond alsmede een mooi herenhuis en stukken grond had geërfd, stapte hij er resoluut naartoe, vroeg haar om de hand, kreeg die en huwde de 41-jarige vrouw die een jaar ouder was dan zijn moeder. Op zijn 25ste werd hij benoemd als hulppredikant in North Tamerton. Nooit had de parochie zo een hulppredikant gezien. Hij reed op een pony zonder zadel, vergezeld door zijn lievelingsvarken Gyp, een zwartharig Berkshire zwijn dat door hem gewassen en geroskamd werd tot het blonk als een stoofplaat. Het liep naast hem als hij ging wandelen en ja, had zelfs toegang tot de zitkamer, maar wanneer de meester het beval naar buiten te gaan, deed het dit met grote waardigheid ?zijnde een verstandig en gehoorzaam dier.? Tot zijn vreugde werd aan onze jonge geestelijke de post aangeboden om de kerk van Morwenstow te bemannen. Voor Morwenstow, het noordelijkst gelegen dorp op de kust van Cornwall, voorbij Tintagel en Bude, moet men de veilige A39 verlaten en zich op een kruiwagenspoor begeven. Toen hij er arriveerde, had de gemeente sedert honderd jaar geen inwonende predikant meer gehad. De pastorie lag in puin en de kerk stond er verwaarloosd bij, langzaam en vredig wegrottend temidden manshoog onkruid en netels. Ook de gewetens der inwoners waren met duivelsgaren en bijgeloof overgroeid in die honderdjarige slaap waarin slechts heel zeldzaam een donderpreek gehouden werd. Kortom, Reverend Hawker belandde in een parochie van schurken. Struis van postuur en met een smeedijzeren ziel werd hij verliefd op de egelachtige gemeenschap die hem toevertrouwd was. Morwenstow was een dorp buiten het gewone, het kreeg tot zijn verbazing een even ongewone predikant. De ceremonie tijdens de kerkdiensten was helemaal van eigen vinding en om dit nog kracht bij te zetten, droeg hij steeds scharlaken handschoenen. Bij de doop nam hij de boreling, stak die hoog boven zijn hoofd en liep er mee de kerk door met wapperend paars gewaad, bulderend ?wij aanvaarden dit kind in de schoot der kerk van Christus?, een dramatische voorstelling waar de rabauwen wel voor te vinden waren, want men reisde van heinde en verre om door hem het doopsel te laten toedienen. Als hij naar zijn kerk kwam, werd hij gevolgd door negen van zijn huiskatten die tijdens de dienst op het koor rondliepen. Tijdens de voorlezingen sprongen zij op de kansel en hij aaide hen verstrooid achter de oren en onder de kin. Zijn hondje zat braaf waar onze misdienaar zit. Dit vertoon was zelfs een gemeenschap aan wiens ziel in een eeuw niet gesleuteld was, enkele graden te heet en toen iemand een opmerking maakte op dit ?beestenspel? in de kerk, antwoordde hij : ?Alle dieren, zuiver zowel als onzuiver, moeten hier toevlucht kunnen vinden?. Wat hem bijzonder ter harte ging, waren de drenkelingen van de schepen die toen op de klippen te pletter liepen. Dan waagde hij lijf en leden, gekleed in een wijnrode jas, paarse hoek en zeelaarzen aan, om te redden wat er te redden viel. Ook de dagloners vergat hij niet en wanneer het vroor, deed hij zijn ronde bij arme gezinnen met dekens voor de warmte, brood en kaas voor de honger en een fles gedistilleerd voor de geest. Slordigheid was zijn grootste gave. Zijn kerk lag vol met oude kerstversieringen, wilde marjolein, boerenwormkruid en tijm. Hij zette wel eens meubelen uit zijn keuken in de kerk en de sacristie bestond uit een oude paardestal die aan de noordkant van het koor tegen de kerk leunde. Daar hij met een nogal heidense en bijgelovige kudde parochianen te doen had, vond hij een goed idee om die eens de schrik op het lijf te jagen. Tijdens de volle maan van juli 1825 roeide hij naar een rotsblok die amper boven het water uitstak, verborg zijn scheepje aan de achterzijde, ontkleedde zich en trok een zwarte oliejekker over zijn benen en heupen, daarna vervaardigde hij zich een pruik van zeewier die aan zijn knieën reikte en wierp die over het hoofd. Met een handspiegel waarin het maanlicht weerkaatste, trok hij de aandacht van een nachtelijke wandelaar. Zodra deze als aan de grond genageld stond, uitte hij weeklagende geluiden die geleidelijk overgingen in een vorm van zingen. Een kwartier later stond er een kleine menigte op het strand vergaderd om ook de zeemeermin te zien over wie zoveel generaties gefluisterd en gefantaseerd hadden. Dan dook zij weg, de zee in, en de dorpelingen trokken met wijdopen ogen naar de pub om er hun emoties onder bier te zetten. Nog verscheidene dagen met de afnemende maan zong de meermin en naar men zei, kamde zij haar haren. Na vier of vijf nachten vond onze reverend het ogenblik gekomen om de zeenimf te laten verdwijnen, het half naakt op een rots liggen begon hem ook lichtelijk tegen te steken. Daarom zong hij naar beweerd wordt ?God save the Queen? en verdween voorgoed als meermin van het toneel. Wat hij zijn geloofsgemeenschap hiermee wilde bijbrengen is tot nog toe onduidelijk. Wat verstaanbaar is, want zulke opgezweepte geesten kunnen wij in ons vlakke of amper geheuvelde zielelandschap niet volgen. Zij betreden paden die nummer noch naam dragen en hun voetsporen worden zonder hun medeweten door de alomgevreesde en toch ook weer aanbeden Middenweg uitgewist. Gommaar Timmermans