... zijn even lang de uren, laat ons verduldig zijn. Dit gezegde zal wel juist zijn, maar eenieder zal erop durven zweren dat één tandpijnnacht er voor drie telt.
...

... zijn even lang de uren, laat ons verduldig zijn. Dit gezegde zal wel juist zijn, maar eenieder zal erop durven zweren dat één tandpijnnacht er voor drie telt.Zo ook dacht men in de gantsche werelt ende sonderlinghe in de Nederlanden over het jaar 1596. Het was een weinig benijdenswaardig jaar en de kroniekschrijver steekt dit ook niet onder stoelen of banken, want hij vat zijn tekst aan met : ?In het jaer van 1596 soo den winter boven alle menschen ghedenckenisse seer slap behaghelijck ende ghematight was, nochtans en waren de gheesten der cryghsmannen sulcks niet, want onverzadig gierig en hebzuchtig lopen de benden soldaten Henegouwen, Artois, Vlaanderen, Gelderland en Namen af om er te plunderen, brandschatten en roven en bij dit alles moeten we bedenken dat we maar de vierde januari zijn.? Ook in het zonnige zuiden vloeide de adrenaline bij stromen. De koning van Frankrijk had namelijk zijn zinnen gezet op Marseille dat in de handen was van de consul Casault die een groot verknochtschap vertoonde tegenover de koning van Spaigne. Nu had den Hertoghe van Guise, die kazak gekeerd had en weer de Franse vorst bijviel, reeds de forteres van Grasse bezet en de torren van Bouc een sterkte van zeer groot gewicht in handen gekregen. Maar den Duc de Guise was een man met weinig geduld, al deze schermutselingen hadden zijn patientie uitgeput, daarom verzon hij een zeer eenvoudig plan dat vierhonderd jaar geleden eerder populair was en ook heden ten dage niet geschuwd wordt. Het plan luidde : ?laat ons den consul Casault vermoorden?. Niets is gemakkelijker. Twee mannen nemen elk een mes, leggen zich in een hinderlaag, Casault komt buiten, steek en nog eens steek, dus zij doorsteken desen consul ten twee steden zijn lichaam en de man graast op groenere weiden. Er is nog wat geroep en geschiet en de vorst van Frankrijk krijgt Marseille op een dienbord gepresenteerd. HET HEEFT LANG GEDUURD maar hier zijn ze weer, de Turken. Den Heere Palfius dede omtrent de halve maent Februarius een grote roovinghe op de Turken omtrent de poorten van Weitze en keerde met grooten rijckdom en roof wederom naar Cran, maar tevergeefs want een weinig later deden de Turken ook eene grote roovinghe op de Christenen zodat de stand omtrent Cran en Weitze één één bedroeg. Een weinig later kreeg den Prins van Transylvaniën een raar gedacht, hij ontnam namentlijk de privilegiën en vrijheden van den edeldom van Seckler (volk van Transylvaniën die hen aan de oostsyde houden als geburen van die van Moldaviën) dewelke sy seer liefhadden deze privilegiën. Deze natie is gesproten uit de Scythen en hunne wetten en costuymen ghebieden dat officien en commissien bij loten geheven worden. Niemand is daer onedel gerekent, hoewel dat hij acker man is oft schipper. Maar de oorlogsmannen, die hun privilegiën afgenomen zagen, hebben eenen oproer en binnen oorloge ghepeynst te doen. Maar de prins van Transylvaniën is er de man niet naar om zo maar te laten betijen. De 25 samenzweerders worden gevangen en op de pijnbank van waarheidsserum voorzien. Deze bank, die reeds zovelen van het leugenpad heeft afgebracht en terug op de rechte weg gezet, brengt ook deze keer de ware toedracht aan het licht en de 25 worden gejusticeerd. Gelukkig wordt een beschrijving hiervan aan ons bespaard, waarschijnlijk door plaatsgebrek want de schrijver is van geen kleintje vervaard en mag bij het uitbeelden van zulke taferelen bij de vroege realisten gerekend worden. Half april stonden dan weer de Kosacken in Hongarije op en wilden niemand aanhoren maer wierden van het Keijzersvolck soo ghetroetelt dat zij na 1.000 man te hebben gelaten zich lieten gezeggen. Wie de Kozakken al eens heeft horen zingen of zien dansen zal wellicht een klein begrijp hebben van wat het zeggen wil als deze zangers de baldadigheid in hun peer hebben. Iemand anders had anderhalve maand tevoren zich zelf getroeteld maar dan in een heel andere betekenis. De Bassa van Temerswaria vertrok naar Belgrado om plaats te ruimen voor zijn opvolger. Zijn verblijf aldaar had hem geen windeieren opgeleverd want zijn rijkdommen en juwelen werden geladen op tseventigh waghenen. Zoiets gaat niet onopgemerkt voorbij en ja, het konvooi werd overvallen en leeggeplunderd. Bij dit alles verloor de Bassa het hoofd, het werd dan ook door de rovers naar Alba Julia gestuurd, hierover wordt niet veel gewag gemaakt, het mag onder de faits divers van die tijden gerekend worden. Een ander van deze kleine berichtjes handelt over een genaamde Tompa Istvan die uit Turkije met brieven, waarin nogal wat nieuws over het Turkse leger en de sterckten rond en in de stad te lezen stond, naar Hongarije wilde reizen. Aangehouden werden de documenten door de Turken gelezen. Zij schudden het hoofd en vroegen elkaar : ?wat doen wij met zo iemand ?? De uitkomst lag zowel symbolisch als letterlijk voor de hand. Als tweezak zoude hij in tweeën gesneden worden. De chronikeur vermeldt niet of dit in de lengte dan wel in de breedte zou gebeuren, maar Godt den Heere, die hem sijne dagen noch langher uytgehestelt hadde, heeft hem soo wonderlijck verlost, dat hij naeckt ende bloot zijnde de doodt ontquam. Op dit vrolijk wonder eindig ik graag het eerste gedeelte van het onzalige jaar 1596. Gommaar Timmermans