Het pas verschenen derde deel van de catalogus The Flemish Primi- tives uit de collecties van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel (KMSKB) behandelt de meesters die tussen het eind van de 15e en het begin van de 16e eeuw de rij Vlaamse Primitieven afsloten. Ze werkten dus in een periode van overgang tussen de late Middeleeuwen en de moderne tijden. De zeventien paneelschilderijen zijn nu grondiger in kaart gebracht dan in doorsnee gebeurt met een patiënt bij zijn gezondheidsspecialist. Gezien hun gemiddelde leeftijd van vijfhonderd jaar, stellen de werken van Jheronimus Bosch, Albrecht Bouts, Gerard David, Colijn de Coter en Goossen van der Weyden het relatief goed, zo blijkt.
...

Het pas verschenen derde deel van de catalogus The Flemish Primi- tives uit de collecties van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel (KMSKB) behandelt de meesters die tussen het eind van de 15e en het begin van de 16e eeuw de rij Vlaamse Primitieven afsloten. Ze werkten dus in een periode van overgang tussen de late Middeleeuwen en de moderne tijden. De zeventien paneelschilderijen zijn nu grondiger in kaart gebracht dan in doorsnee gebeurt met een patiënt bij zijn gezondheidsspecialist. Gezien hun gemiddelde leeftijd van vijfhonderd jaar, stellen de werken van Jheronimus Bosch, Albrecht Bouts, Gerard David, Colijn de Coter en Goossen van der Weyden het relatief goed, zo blijkt. Het kostbaarste schilderij in de collectie is de enige Kruisiging die Bosch ooit als hoofdmotief schilderde, hoogst sereen en verstoken van kwelduivels. De achtergrond is een mooi panoramisch zicht op 's Hertogenbosch, de vaderstad van de kunstenaar. De frêle Christus met de fladderende lendendoek doet aan Van der Weyden denken (maar dan zonder de emotionele expressie), de ingetogen Moeder Maagd aan Dirk Bouts. Het gezondheidsrapport maakt melding van de precaire toestand van de verflaag en van onvoorzichtige retouches. De restauratoren moesten de eenheid van de compositie zien te herstellen. Gemeenschappelijke trekken met De Aanbidding der Koningen en De Tuin der Lusten (beide in het Prado) maken de toeschrijving aan Bosch aannemelijk, schrijven Cyrille Stroo en Pascale Syfer-d'Olne. Ze gaan niet in debat met de Oostenrijkse specialist Fritz Koreny, die in de ondertekening van De Tuin der Lusten de hand van Bosch' anonieme superleerling ontwaarde. De Boschiaanse duivels worden wél ontbonden in De bekoring van Sint-Antonius. De triptiek, geproduceerd in het atelier van Bosch, is een kopie van het werk uit het museum van Lissabon, dat als een originele Bosch wordt beschouwd. Houtwormen hebben hun gangen gegraven tot in de verflaag en veroorzaakten gaatjes in het centrale paneel. Niets om zich overdreven zorgen over te maken. Stroo en Syfer-d'Olne reserveren het gros van hun commentaren voor de interpretatie van dit pandemonium. Zoals verwacht voelen ze niets voor de verklaring dat Bosch zelf een aanbidder van heksen of van de duivel was. Ze sluiten zich aan bij Dirk Bax die al in 1949 vaststelde dat Bosch de zonden van zijn tijd afschilderde, en zijn inspiratie vond in de spreekwoorden, gezegden, woordspelingen en metaforen van de populaire cultuur. Als evangelie wordt ook Paul Vandenbroecks theorie aangenomen, als zou Bosch de zedenmeester van de bourgeoisie geweest zijn. Passies zijn er om onder controle gehouden te worden, geld moet met mate worden uitgegeven, het gevaar loert overal, zoals de brave Sint-Antonius aan den lijve ondervond. Voor de toeschrijving van de Brusselse Bekoring doen ze een gokje in de richting van de superleerling, die overigens al in 1560 gesigna- leerd werd in de geschriften van Felipe de Guevara. Aan de hand van de Aanbidding der Wijzen en de Maagd met kind en soeplepel proberen de auteurs de wat ge- kneusde reputatie van Gerard David op te vijzelen. David, afkomstig uit het Nederlandse Oudewater en actief in Brugge als hekkensluiter van de grote generatie der Vlaamse Primitieven, wordt gewoonlijk als niet zo creatief aangezien. Inderdaad recycleerde hij vlijtig motieven en compositionele structuren uit eigen en andermans werk. Maar het oordeelkundig selecteren en combineren mag best wel 'creatief' genoemd worden, heet het in de KMSKB-catalogus. Een beetje hetzelfde is aan de hand met Colijn de Coter, die in Brussel het gat moest helpen vullen dat door de dood van Van der Weyden was nagelaten. Zijn veelvuldige vormelijke ontleningen aan het oeuvre van Rogier, probeerde hij te updaten met een overvloed van ornamenten naar de mode van het Antwerpse maniërisme. Met een Sint-Michiel en een Maagd met Vier Apostelen bezitten de KMSKB twee luiken van een altaarstuk dat er oorspronkelijk zes telde. Het veelluik is ooit in zes gelijke stukken gezaagd om ze als afzonderlijke schilderijen te kunnen verkopen. Bepaalde motieven die op die manier onvolledig waren, werden gewoon overschilderd. Van schilder-koster Albrecht Bouts, kleinzoon van Dirk, bezitten de KMSKB zeven eigenhandige werken. Tenminste, als het centrale referentiewerk, een Triptiek met de Hemelvaart van Maria inderdaad van hem is. De voornaamste indicatie is eigenlijk van archivalische aard. Het is gedocumenteerd dat Albrecht een Hemelvaart schilderde voor de Leuvense kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Ginderbuiten, waar het werk verbleef tot aan zijn opname in de collecties van de KMSKB. Albrecht was koster en portier van deze kapel, en woonde er tussen 1492 en 1508 in een annex. Stilistisch is de Hemelvaart verre familie van Dirk Bouts, al valt het de auteurs op dat Albrecht, zoals wel meer 'mindere meesters' uit de late 15e eeuw, de complexe techniek van glazuren - goed voor zovele hoogstandjes van transparante, glanzende gelaagdheid - grotendeels achterwege liet ten voordele van makkelijke oppervlakte-effecten door middel van hoogsels. Hiervoor werden de heldere partijen geaccentueerd met witte verf. Bij de andere werken van Albrecht Bouts zit ook een Laatste Avondmaal (1530), zeer geïnspireerd door het meesterwerk dat vijftig jaar eerder werd geschilderd door zijn grootvader (Leuven, Sint-Pieterskerk). Niet in staat om zijn voorbeeld te evenaren, laat staan te overtreffen, beperkte de kleinzoon zich tot het keurig opwarmen van oude kost. Typisch voor het einde van een tijdperk. Ook een anonieme Meester van de Sint-Katharinalegende waagde zich aan een eigen versie van Dirk Bouts' Laatste Avondmaal, en bracht het er nog wat bleker van af dan Albrecht Bouts. Dit paneeltje kwam terecht in de verzameling van het Brugs Grootseminarie en is daar nu te zien in de marge van de tentoonstelling Besloten Wereld, open boeken. Geëxposeerd in de religieuze omgeving waar het van nature toe behoort, heeft het evenwel geen andere functie meer dan soortgelijke werken die in de profane ruimte van een museum worden bewaard. Besteld en ontworpen als voorwerpen van devotie, werden sacrale kunstwerken bronnen van kennis en esthetische beschouwing. Daarbij nodigen ze best nog tot contemplatie uit, zij het niet langer in een strikt kerkelijk keurslijf. Dat sacrale en profane meditatie in elkaar kunnen overlopen, is een grondvoorwaarde voor een tentoonstelling als Besloten Wereld, open boeken. Ze is immers opgezet als een complex, eclectisch geheel waarin religieuze en seculiere elementen uit verschillende tijdperken naadloos met elkaar verweven zijn: verluchte handschriften (12e-15e eeuw), een monumentaal religieus gebouwencomplex (18e eeuw), hedendaagse kunst. Curator Laurent Busine heeft het over 'de geestelijke roes, de intuïtie van het heilige en de beangstigende sensualiteit van de verdwijnende schoonheid'. De 'besloten wereld' waarvan sprake is in de eerste plaats de kloosterlijke, uit de Middeleeuwen, toen de cisterciënzerorde in Koksijde de abdij ten Duinen stichtte, met bijkomende vestigingen in Lissewege (Ter Doest) en Saint-Omer (Clairmarais). Afgewend van de wereld, levend in armoede en ascese, schreven de cisterciënzers in hun scriptoria de teksten over waarop hun wereldbeeld rustte. De bijbel, commentaren van de kerkvaders op de bijbel, geschriften waarin theologen elementen uit de filosofie van Aristoteles incorporeerden in het christelijke ideeëngoed, naast geschiedkundige, juridische, medische, filosofische en humanistische teksten. Hun manuscripten zijn veeleer sober verlucht. Dat lag in de lijn van hun overtuiging. Maar in de bibliotheek die in de Duinenabdij gevormd werd, belandden handschriften en drukken van overal, waaronder ook enkele die weelderig versierd zijn. In de 16e eeuw gaven de cisterciënzers hun kloosters in Koksijde en Lissewege op en plooiden terug op Brugge, waar hun nieuwe kloostercomplex aan de Potterierei, opgetrokken in barokke stijl, pas in de 18e eeuw definitief klaar geraakte. Tijdens de Franse overheersing werd de abdij ontbonden, de bibliotheek in beslag genomen. Uiteindelijk viel ze toe aan de stad Brugge, die ze opnam in haar Historisch Fonds, ondergebracht in de stadsbibliotheek. Een kleine rest van luxehandschriften en kunstvoorwerpen, door de laatste monnik bij zijn vertrek meegegrist, bleef in kerkelijk bezit en keerde terug naar het complex in de Potterierei, dat vanaf 1833 zijn nieuwe bestemming als Grootseminarie kreeg. De 107 geëxposeerde manuscripten komen vooral uit beide bestanden. Ze staan gerangschikt volgens de categorieën die hun bibliothecaris Carolus de Visch in 1628 voor ze bedacht. De Visch vertrok van de elf verschillende kennisterreinen die erin werden bestreken. Zo krijgt de bezoeker min of meer de indruk, een middeleeuwse kloosterbibliotheek te betreden. In werkelijkheid bevindt hij zich in de refter, om praktische redenen verkozen boven de bibliotheek, die een verdieping hoger ligt. Niet minder dan elf ruimten van de monumentale ex-abdij zijn voor de duur van de tentoonstelling opengesteld. De kunstobjecten die in het parcours geïntegreerd zijn, komen van het historisch patrimonium van het seminarie of zijn van de hand van drie hedendaagse kunstenaars met wie Laurent Busine al vaker samengewerkt heeft. Er zijn met bijenwas en natuurlijke kleurstoffen gerealiseerde schilderingen van de Spanjaard Jose Maria Sicilia. Ze evoceren tastbaar verlokkelijke, geheimzinnige bloemen in een onneembaar paradijs. Te delicaat bleek aanvankelijk Sicilia's installatie met 250 duiven uit gres, neergestreken in de seminariekerk. De brandende olie uit de lampen - bevestigd in de rugholte van dertig duifjes - druppelde doorheen het poreuze gres op de marmeren vloer en dreigde die reddeloos te beschadigen. Een glasblazer bestudeerde het probleem, blies een bel in elke holte en plantte er een wiek in. Normaal moeten de duifjes het heilige vuur nu veilig kunnen overbrengen. Dit openingswerk zet de tentoonstelling in lichterlaaie, de boodschap van de Geest - inzicht, licht en vrede - verspreidend. Dicht bij de cyclische bewegingen van de natuur blijft de Italiaan Giuseppe Penone. In zijn veelgelaagde sculpturale installaties, opgebouwd uit plantaardige elementen, steen, pleister, brons en glas, formuleert hij op kristalheldere wijze het universele stofwisselingsproces dat tot vrome aanbidding van de natuur kan aanzetten, of gewoon, tot wijze bespiegeling over de kern van alle leven. De (overigens knappe) videofilm Piano en de belichte cibachroom van de Vlaming David Claerbout horen naar ons gevoel in een andere context thuis. Niet alles waar een aura van mysterie aan kleeft, komt tot zijn recht wanneer het met het sacrale wordt vermengd. Maar het moet zijn dat Claerbouts ontzettend subtiele meditaties, waarbij vaak beelden uit het nu en het toen bevroren of ontdooid worden, bij velen een quasi-godsdienstige reflex wakker maken. Immers, ook voor de tentoonstelling Ommegang /Circumflexion in acht kerken en kapellen van Roeselare, werd een werk van David Claerbout ingezet. Vast en zeker doet de video Ruurlo, Boculorscheweg, 1910, opgesteld in de neoromaanse Sint-Amandskerk, een op een oude foto bevroren moment partieel herleven, wanneer de toppen van de blaren aan de grote boom gaan trillen. Maar dit maakt de notie van reddeloos verlies van het vervlogene pas écht acuut. De heropstanding is slechts een schone illusie, niet bepaald een religieus standpunt. Bij uitbreiding geldt dit ook voor de videomontage van portretten ( Colours) door Hans op de Beeck in dezelfde kerk. Poses, beeldcompositie en kleuren herinneren aan verheven, 17e- eeuwse portretschilderijen, gerealiseerd met doodgewone mensen en interieurs van vandaag. Op de wijze van Claerbout brengt Op de Beeck een zweem van beweging in de schijnbaar roerloze beelden. Mooi en verzorgd werk, maar op het eerste gezicht eveneens verstoken van religiositeit, of het moet zijn dat men, in de denktrant van de Middeleeuwen, in al het geschapene de aanwezigheid van het goddelijke herkent. Dit inzicht is misschien zo gek nog niet, toegepast op Roeselare. De aanwezigheid van het heilige in het allergewoonste doet zich immers ook gevoelen in enkele video's in de kerken op de Ommegang. In de Protestantse Kerk, waar Liza Maya Post een hemelsblauw eilandje tussen de straatstenen afdwingt voor een thuisloze Aziatische vrouw. In het Arme Klaren Klooster bij Franciska Lambrechts, waar een nederige huisvrouw onverstoorbaar de trappen van het bordes blijft schrobben om een hardnekkige, bloedrode vlek te verwijderen die nooit zal weggaan omdat hij van een andere orde is. Op de ziel aangebracht? In de kapel van de redemptoristen, waar de Brit Mark Wallinger een blinde stakker de aanhef van het Johannesevangelie ( 'In het begin was het woord') vele malen laat herhalen op de roltrappen van de metro. Wie de correlatie met een middeleeuwse Laatste Oordeel-triptiek ziet, beseft dat de blinde als een nieuwe Christus naar zijn vader terugkeert, dat links van hem de verdoemden op weg zijn naar de hel, en rechts de gelukzalige uitverkorenen naar de hemel. Voor initiatiefnemer Luc Martens (CD&V) van de vzw Phidias put de tentoonstelling inderdaad haar inspiratie uit de middeleeuwse 'ommegang', de van heilig beeld naar heilig beeld, van de ene plek van bezinning naar de andere optrekkende gelovigen. De ex-minister van Cultuur en toekomstige burgemeester van Roeselare wil deze oude vorm van zoeken naar zingeving opnieuw laten zien, 'in de taal van deze tijd', zegt hij. Zeker in een stad als Roeselare, die het hoogste percentage zelfmoorden in Vlaanderen telt (cijfers van drie jaar geleden), moet dit geen overbodige luxe zijn. Dat Martens zich zo geëngageerd met de 'kleine niche van de videokunst' inlaat, komt omdat hij er een vorm van 'anti-televisie' in ziet. De ' Gleichschaltung' door het medium televisie wil hij met een tegenbeweging pareren. De krachtigste vorm van anti-televisie op de Ommegang is te vinden in de Sint-Michielskerk, waar de videofilm The Passing (57') van de Amerikaan Bill Viola de gevoeligste knooppunten van het menselijk bestaan aanraakt in een overweldigende stroom van beelden in wit en zwart, een queeste in licht en donker, te midden van de woeste schoonheid en destructieve kracht van de natuur. Waar een kind geboren wordt en een vrouw haar laatste levensadem uitblaast. jan braetNiet alles wat naar mysterie ruikt, verdraagt de geur van wierook.Een zoeken naar zingeving, in de taal van deze tijd.