De Zwitser Max Ammann (62) is al 23 jaar voorzitter van de World Cup. Ooit was hij correspondent voor verschillende Zwitserse, Duitse en Oostenrijkse kranten. Zo was hij van 1970 tot 1973 redacteur bij de Swiss-American Review in New York en de volgende vijf jaar hoofdredacteur van het Luzerner Tagblatt. Hij maakte politieke analyses, culturele bijdragen, en tussendoor ook stukken over de paardensport. Ammann is een analytische geest die achtergronden blootlegt en doordringt tot de kern. De interesse voor paarden en sport heeft hij van zijn vader meegekregen, die paarden hield en de mensport beoefende. Max Ammann volgde hem naar de competitiewedstrijden in Zwitserland. Zelf moest hij al vroeg ophouden met paardrijden omdat hij tijdens zijn legerdienst een ontsteking aan de ruggengraat had opgelopen. Daar hield hij blijvende evenwichtsproblemen aan over. Ammann verzamelde uitgebreide documentatie over jumping waarmee hij een indrukwekkend archief aanlegde. Van zijn vader erfde hij een neus voor zaken en voor geld.
...

De Zwitser Max Ammann (62) is al 23 jaar voorzitter van de World Cup. Ooit was hij correspondent voor verschillende Zwitserse, Duitse en Oostenrijkse kranten. Zo was hij van 1970 tot 1973 redacteur bij de Swiss-American Review in New York en de volgende vijf jaar hoofdredacteur van het Luzerner Tagblatt. Hij maakte politieke analyses, culturele bijdragen, en tussendoor ook stukken over de paardensport. Ammann is een analytische geest die achtergronden blootlegt en doordringt tot de kern. De interesse voor paarden en sport heeft hij van zijn vader meegekregen, die paarden hield en de mensport beoefende. Max Ammann volgde hem naar de competitiewedstrijden in Zwitserland. Zelf moest hij al vroeg ophouden met paardrijden omdat hij tijdens zijn legerdienst een ontsteking aan de ruggengraat had opgelopen. Daar hield hij blijvende evenwichtsproblemen aan over. Ammann verzamelde uitgebreide documentatie over jumping waarmee hij een indrukwekkend archief aanlegde. Van zijn vader erfde hij een neus voor zaken en voor geld. Daar begint het verhaal van de wereldbeker jumping. Nogal wat ruiters waren ontevreden over de te lange winterstop en het gebrek aan competities op niveau om de paarden in conditie te houden. De mondigste en roerigste internationale ruiters keken niet zonder enige afgunst naar hun collega's in andere sporten. Want een wereldbeker skiën of het Formule 1-circuit hebben immers heel wat uitstraling en zorgen dan ook voor inkomsten. De toenmalig beste Britse ruiter, David Broome, kaartte het idee van een wereldbeker aan bij zijn vrienden, de Duitser Paul Schockemöhle en de Belgen François Mathy en Eric Wauters. Max Ammann, die op dat ogenblik voorzitter van de International Alliance of Equestrian Journalists was, stapte met het voorgebakken broodje naar de toenmalige voorzitter van de Fédération Equestre Internationale (FEI), prins Philip van Edinburgh. Hij argumenteerde dat het tijd werd om de belangrijkste indoorwedstrijden te combineren, dat nieuwe organisatoren en sponsors zich dan wel zouden melden, en ook dat er een markt en aanzienlijke ruimte lag tussen de vierjaarlijkse topontmoetingen van de Olympische Spelen en de wereldkampioenschappen. Dat viel bij de prins kennelijk in goede aarde. Hij vroeg de gladde Ammann een concreet schema uit te werken. De Zwitser, die tactisch niet van gisteren is, trok in eerste instantie met zijn project naar de bovenvermelde woordvoerders van de springruiters. Hoe zouden die bezwaren kunnen hebben, het was hun idee. De volgende stap was Fritz Widmer, de secretaris-generaal van de FEI. Na een positief gesprek trok Max Ammann met stoute schoenen naar Windsor om er prins Philip te ontmoeten. Hij keerde met de zegen van de prins terug. Ook de sponsor bleek niet meteen een groot probleem. Van de ruiters wist Ammann dat de show-jumping in het Zweedse Göteborg in 1977 een groot succes was geweest, niet het minst door de inbreng van Volvo. Meteen liet hij enkele vrienden de kust verkennen en niet zoveel later zat hij bij Pehr Gyllenhammer, de grote baas van Volvo. Die luisterde alleen maar en zei aan het eind van de monoloog haast onhoorbaar: 'It's a deal.'UNIVERSEEL KARAKTERIn 1979 al werd de eerste finale gereden in Göteborg, een overgetelijke gebeurtenis. Zevenentwintig ruiters, negentien Europeanen en acht Amerikanen hadden zich gekwalificeerd. Het absolute hoogtepunt kwam er toen de kleine Oostenrijker van Duitse afkomst, Hugo Simon, met de befaamde schimmel Gladstone, en de Amerikaanse amazone Katie Monahan op The Jones Roy de ring in moesten voor een beslissende barrage. Voor duizenden ademloze toeschouwers was Hugo Simon de snelste. In zijn bekende vechtersstijl, de kleine beentjes onbarmhartig klauwend in de flanken van het paard, bleef hij ook nog foutloos. Geen schoonheidsprijs, maar wel de allereerste Wereldbeker voor Springruiters. Een betere start kon Ammann niet dromen. Eén ding is zeker, de wereldbeker bezorgde de springsport binnen de kortste keren een universeel karakter. Bij elke editie zijn er voorbereidende wedstrijden in de Verenigde Staten, Canada, Europa maar ook in Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. Maar het moet gezegd, die radicale ingreep maakte niet overal groot enthousiasme los. Sommigen prezen de wereldbeker de hemel in, anderen bevochten het concept van voor de start met alle mogelijke middelen. In de ruiterwereld schuilen nogal wat conservatieve krachten. Zo wilde onder meer Brussel aanvankelijk niet van een wereldbekermanche weten. Er was de terechte vrees van de organisatoren dat het hun leven zou veranderen, dat een nieuwe baas en een grote sponsor eisen zouden stellen. En dat gebeurde ook. Her en der werd Max Ammann als een dictator gezien, de Bernie Ecclestone van de jumping. Maar de waarheid gebiedt te zeggen dat de werkvoorwaarden overal aanzienlijk verbeterden. En er was vooral het feit dat jumping een groot competitief karakter kreeg waarvoor ook de televisie - en in het bijzonder Eurosport - niet blind was. De wereldbeker bracht in de eerste helft van zijn bestaan nog een opmerkelijk feit aan het licht. De eerste uitgave werd dan wel gewonnen door Hugo Simon, maar de volgende tien finales werden zonder uitzondering door Amerikaanse of Canadese ruiters gedomineerd. Die superioriteit dwong de Europeanen lang tot grote bescheidenheid. De Amerikanen zegevierden met Conrad Homfeld in 1980 en 1985, met Michael Matz in 1981, Melanie Smith in 1982, Norman Dello Joio in 1983, Leslie Burr-Lenehan in 1986 en Katharina Burdsall in 1987. Canada had in 1984 succes met Mario Deslauriers en met Ian Millar die in 1988 en 1989 onklopbaar bleek met het befaamde Belgische warmbloedpaard Big Ben. De erelijst geeft duidelijk aan dat het niveau van de ruitersport toen in de VS en Canada heel wat hoger lag dan op het vasteland. Dat had te maken met verschillen in de structuur en aanpak van de sport. Elke belangrijke ruiter had en heeft er zijn eigen trainer die hem constant begeleidt en alle wedstrijden en prestaties evalueert. Meer dan bij ons wordt ook belang gehecht aan de stijl.BRAZILIAANS FENOMEENDe voortdurende confrontatie van twee verschillende paardensportculturen bleek een onwaarschijnlijk goede zaak voor de Europese springsport. Befaamde Amerikaanse rijleraars, onder wie George Morris, werden aangetrokken voor clinics en rijlessen om de techniek van rijden en springen te perfectioneren. Met waarneembaar succes overigens. Het kan immers geen toeval zijn dat vanaf 1990 de superioriteit van de Amerikanen zienderogen afbrokkelde. Meer nog: ze wonnen nooit nog een finale. De Britse ruiter John Whitaker wees in 1990 en 1991 de weg en nadien volgden overwinningen van de Oostenrijker Thomas Frühmann, de Duitser Ludger Beerbaum, de Nederlander Jos Lansink, de Brit Nick Skelton en de onverbeterlijke Hugo Simon die 17 jaar na zijn eerste zege nog eens twee keer op rij zijn heel aparte klasse toonde. Toen was de tijd aangebroken van het jonge Braziliaanse fenomeen Rodrigo Pessoa. Nadat hij in 1998 wereldkampioen was geworden, won hij drie keer na elkaar de begeerde wereldbeker. Noch in Helsinki, Göteborg of Las Vegas stond er enige maat op de wonderboy die de stiel van zijn getalenteerde vader, Nelson Pessoa, leerde. Rodrigo Pessoa (28) is geboren in Parijs en woont in Ukkel. Hij heeft het allemaal. Verwend door het leven, succesvol, schalks en goedogend, je kunt er niet naast kijken. Waar Rodrigo verschijnt, zijn leuke bewonderaarsters nooit uit de buurt. Als hij de ring binnenkomt, stijgt het enthousiasme duidelijk met enkele graden. Vrouwelijke kreetjes van opwinding of ontgoocheling begeleiden steevast ruiter en paard bij hun ren over de hindernissen. Toen hij als amper twintigjarige zijn eerste wereldbekerwedstrijd won in Mechelen daverde de nokvolle Nekkerhal op haar grondvesten. Een echte publiekslieveling. Dat heeft alles met zijn stijl en karakter te maken. Rodrigo Pessoa wil winnen, altijd en overal. Vijf jaar geleden zei hij al dat hij de nummer één van de wereld wilde worden. Dat is hij nu. Als winnaar van de wereldbeker is hij automatisch geplaatst en met Galoubet moet hij weer bij de topfavorieten gerekend worden. In de eindstrijd van Göteborg zal Pessoa ongetwijfeld met vijfvoudig Belgisch kampioen Ludo Philippaerts moeten afrekenen. De manier waarop Philippaerts de Europese kwalificatiecompetitie domineerde, is gewoon uniek in de geschiedenis van de wereldbeker. De 37-jarige Limburger was in haast alle wedstrijden mee vooraan, en won met glans de manches van Bordeaux en Parijs-Bercy. Dat maakte hem tot grote winnaar in het Europese circuit met haast dubbel zoveel punten als de tweede, de gewezen olympisch kampioen Ludger Beerbaum. Een prestatie die nooit eerder vertoond werd. Meteen is de man uit Gruitrode de absolute favoriet voor de eindzege in de 23ste wereldbeker. Maar let wel, Philippaerts neemt de mooie score uit de kwalificatiewestrijden niet mee naar de finale. Alle deelnemers starten er met een schone lei.MOND- EN KLAUWZEERDe FEI heeft beslist om geen 18 Europese ruiters in Göteborg aan de start te brengen, zoals door de reglementen bepaald, maar 26. Onrechtstreeks heeft dat te maken met de epidemie van mond- en klauwzeer in een aantal Europese landen. Als gevolg daarvan werden de jumpings van Oviedo en 's Hertogenbosch geschrapt waardoor enkele ruiters hun laatste troeven niet konden uitspelen. De beslissing van de internationale ruitersportfederatie mag logisch en terecht genoemd worden, maar voor Philippaerts wordt de concurrentie allicht niet kleiner. Al zit hij daar kennelijk niet mee. Philippaerts heeft een superjaar achter de rug. Het vermogen en de conditie van de Darco-zonen Parco en Otterongo staan buiten kijf. Ze zijn mekaar waard, die twee. Ze hebben allebei een fenomenale sprong in huis, beschikken over enorme wilskracht en zijn daarbij nog heel voorzichtig en nauwlettend. Het zijn allebei winnaarstypes, en dat sluit heel erg bij het temperament van Philippaerts zelf aan. Parco sprong met Philippaerts het voorbije seizoen naar een vijfde Belgische landstitel en was bovendien de grote overwinnaar in Bordeaux en Parijs. Ook Otterongo presteerde constant op hoog niveau met onder meer een vierde plaats op de Olympische Spelen van Sydney en een vijfde stek in de wereldbekerfinale van Las Vegas vorig jaar. Een moeilijke keuze, zo op het eerste gezicht, maar de omstandigheden hebben ervoor gezorgd dat de knoop gauw was doorgehakt. Otterongo zal het moeten klaren. Veertien dagen geleden is hij al naar Göteborg overgevlogen. Parco pas een week later. Die is namelijk een veelgevraagde dekhengst en heeft dus nog werk aan de winkel. Bovendien, zo dacht Philippaerts, mocht het mond- en klauwzeer zich ondertussen verder uitbreiden, zal Parco op stal blijven. Zo is het risico een stuk kleiner dat de hengst het land niet meer in zou mogen en dus ook niet zou kunnen dekken, met alle financiële gevolgen daaraan verbonden. Bij de successen van de Belgische kampioen speelt de bekende maar ook bescheiden bouwondernemer uit Mechelen Luc Verelst een niet onbelangrijke rol. Na de finale in Las Vegas stonden de kandidaat-kopers al in de rij voor Otterongo, die als veulen door vader Philippaerts gekocht was. Er werden astronomische bedragen geboden en dat was na Sydney niet anders. De onweerstaanbare lokroep van het geld. Tegelijk een verscheurende keuze voor Philippaerts die het paard van zijn leven niet graag wilde loslaten. De koop die hij met Verelst sloot, leek meer op een gentlemen's agreement. Verelst kocht het paard, maar het bleef bij Philippaerts op stal en hij mag het ook blijven berijden tot en met de Olympische Spelen van 2004 in Athene. Dat lijkt meer een vriendendienst. DUITS GEVAARLuc Verelst is een niet onverdienstelijk zeiler en tegelijk een man met een hart voor paarden. Hij is ook de sponsor van Marc Van Dijck, een ruiter uit Nieuwenrode die zijn wortels heeft in Broechem bij Antwerpen. Geen toeval allicht dat Van Dijck in de voorbije wereldbekercampagne de grote revelatie was. Winnen deed hij niet, maar hij was er vaak dichtbij, wat hem een twaalfde plaats in de Europese liga opleverde. Voor de finale van Göteborg heeft Van Dijck zijn zinnen gezet op Goliath, waarmee hij onder meer de beste was in het Noorse Drammen en in Eindhoven, vierde werd in de GP van Parijs en de Masters van Moorsele won. Geen hindernis is te hoog voor de negenjarige Holsteiner die Van Dijck naar eigen zeggen nooit in de steek heeft gelaten. Göteborg wordt alleszins een wondere belevenis voor de Kempenzoon die wel eens voor een aardige verrassing zou kunnen zorgen. En dan is er nog Jos Lansink. De 40-jarige ruiter won in 1994 de wereldbeker in Den Bosch met Libero H en was niet minder dan acht keer kampioen van Nederland. Als huisruiter van Zangersheide in Lanaken bij Leon Melchior is zijn bedje behoorlijk gespreid. Onder zijn zitvlak lopen alleen toppaarden. Toen hij dus eind vorig jaar op de Internationale Jumping van Mechelen aankondigde dat hij de Belgische nationaliteit had aangenomen, was een staande ovatie zijn deel. En dus heeft België een troef met meer uitzicht op de Spelen van 2004. Mogelijk ook voor Göteborg. Jos Lansink houdt zijn deelneming immers in beraad. Zijn beste paard, Zandor Z, is geblesseerd en met Cardiana Z of Carretano Z dicht hij zichzelf niet al te veel kansen toe. Bovendien wil hij de evolutie van mond- en klauwzeer in Duitsland afwachten. Als de vermoedens van de ziekte bevestigd worden, mogen de paarden hoe dan ook niet meer door Duitsland. In de gegeven omstandigheden ziet het er dus naar uit dat België het zonder zijn nieuwste aanwinst moet stellen. Het gevaar voor Ludo Philippaerts komt uit de Duitse hoek. Koele killers, net als in het voetbal. In de finale van de Champions' League voor paarden zijn ze met niet minder dan elf. Dat is niet alleen kwantiteit, de Mannschaft is vooral kwaliteit. Ze kennen het klappen van de zweep, Ludger Beerbaum, Lars Nieberg, Franke Sloothaak, om maar enkelen te noemen. Het Verenigd Koninkrijk, het paardensportland bij uitstek, maakte daarentegen al betere tijden mee. Alleen Michael Whitaker raakte bij de laatste 26. Ook dat moet een record zijn. Het maakt allemaal de rekening van Ludo Philippaerts niet. 'Ik was er vaak dichtbij op de Olympische Spelen, het wereldkampioenschap en in de wereldbeker, maar nooit een medaille, nooit een podiumplaats. Dat moet maar eens gedaan zijn. Deze keer moet het lukken.' Leo De Vos