Strips : het zal wel ?lage? cultuur zijn. Toch is elke nieuwe lectuur een nieuw avontuur.
...

Strips : het zal wel ?lage? cultuur zijn. Toch is elke nieuwe lectuur een nieuw avontuur.Het stripverhaal viert zijn eeuwfeest (eigenlijk al vorig jaar), België bezit terzake een fraaie traditie, dus daar mocht een huisbakken boekje van komen. Zo verzamelde Rik Pareit met vier co-auteurs een reeks opstellen over het Belgische tekenverhaal in ?Geheimzinnige sterren?. Toch is er iets aan de hand met strips : wie jonger is dan pakweg vijfenveertig is ermee opgegroeid, maar niet zonder schuldbesef. Want zoals dat nu nog over televisie te horen valt, heette het tot nog niet zo lang geleden dat strips de jeugd af hielden van het lezen van goede boeken. Daarom aarzelen mensen als Pareit. Aan de ene kant koesteren ze een nostalgie naar de strips uit hun jeugd, wat ze legitimeren door er nu stukjes over te schrijven. Maar de nostalgie moet wel intact blijven ; Pareit roept op tot bescheidenheid zodat bijvoorbeeld deconstructie voor hem wel uit den boze zal zijn. Maar aan de andere kant blijkt er niet weinig schuldig genot in het spel : de gecomplexeerde Pareit weet niet zeker of zulke stukjes echt wel hóren. Daarin toont hij zich nog altijd de gevangene van een dichotomie tussen hoge cultuur (is goed) en lage cultuur (is slecht). Pareits dilemma is dat hij én serieus wil worden genomen én niet kan verzaken aan zijn liefde voor de strip. En welke strip dan nog ! Verderop in het boek schrijft hij ettelijke bladzijden vol over de uiterst clichématige De Rode Ridder, een reeks die getuigt van een diepgang en creativiteit gelijk aan de dikte van het krantenpapier waarop ze is gedrukt. Dus put Pareit zich uit in het zoeken naar kwalificaties die het tekenverhaal (en dus zijn boekje) toch een zweem van verantwoording kunnen geven. Hij vergelijkt het godbetert zelfs met ?carreaubroeken? en Abba. Vrolijk husselt hij termen als camp, kitsch, charme, respectabiliteit of pulp (en, jazeker, met een modieus pulp fiction er bovenop) door elkaar, alsof dat allemaal hetzelfde zou betekenen. Hij eindigt zelfs met een oproep om naast die pulp toch ook nog maar ?iets anders te consumeren?, men weet blijkbaar maar nooit. Het slechte geweten kwelt Pareit geheel nodeloos. Wat hem bezwaart, is uiteindelijk slechts moralisme en het daarop steunende, al lang achterhaalde cultuuridealisme, dat alleen een onderscheid kent tussen ?goede? Kunst en ?slechte? pulp. Maar culturele iconen en populaire cultuur in het algemeen hebben zich nooit gestoord aan zulke, eigenlijk burgerlijk-elitaire cultuuropvattingen. Dat de vrije-markteconomie er tegenwoordig zoveel geld mee verdient, bewijst hun feitelijke kracht. De reflectie erover verdient een ruimer perspectief dan alleen het moralistische. De bijdragen in ?Geheimzinnige sterren? zijn nogal ongelijk. Maarten Delbeke heeft het over de strip-geleerde, Basjan van Stam overtuigt niet met een vrij speculatieve (en niet zeer originele) bijdrage over ?het onschuldig fascisme? van Hergé. Interessanter is wat de auteurs Paul Mennes en Jeroen Olyslaegers schrijven over tekenverhalen die al decennia lang meegaan, respectievelijk de brave kinderstrip Jommeke en Buck Danny, de realistisch getekende avonturen van een Amerikaanse piloot en ijzervreter. ME BUCK, YOU JANEMennes en Olyslaegers illustreren hoe ogenschijnlijk eenduidige, ?oubollige? strips de postmoderniteit kunnen overleven, want ze blijven vatbaar voor nieuwe lecturen. Daarin toont een cultureel icoon net zijn kracht en relevantie. Mennes trekt parallellen tussen Jommeke, de tekenfilm Sneeuwwitje en een hedendaags SM-kunstenaar, maar schrikt voor zichzelf terug en blijft uiteindelijk hangen in het psychologisme, het oedipale archetype. Olyslaegers ging daarentegen expliciet op zoek naar een nieuwe lectuur en problematiseert die ook. De reeks Buck Danny was altijd en in alle opzichten nauw met de actualiteit verbonden : in volle Koude Oorlog hakt Danny communisten in de pan in Korea, in de jaren zestig vecht hij in Zuid-Oost-Azië, maar omdat de oorlog in Vietnam nooit populair was, moet hij dat in een fictief land doen. De strip is zo actueel, aldus Olyslaegers, dat hij via de media nu altijd door de actualiteit wordt achterhaald. Zie het sullige avontuur van de boven Bosnië neergeschoten Amerikaanse piloot Scott O'Grady : het was een perfect Buck Danny-scenario, maar vooraleer enig striptekenaar aan het werk kon, had CNN het geval al lang in de mythe verheven. Dus vindt Olyslaegers dat Buck Danny moet worden gered door Lady X. Zij is een kei van een pilote, had nooit idealen, koos de kant van het kwaad voor het geld en werd zo Buck Dannys aartsvijandin. Eens infiltreerde ze, vermomd als man, verscholen achter een lederen masker, in Dannys stuntteam, waarna een feest begon dat louter in het pure genot van het vliegen lag. Ziedaar Olyslaegers postmoderne overlevingsstrategie : ?hippe piloten die nu eens vrouw zijn dan weer man, die surfen van identiteit naar identiteit en vliegen om de kick van de snelheid en om het lijden te vergeten?. Olyslaegers' argument was nog sterker geweest, had hij gemerkt wat Lady X precies weerspiegelt in de strip : intrinsieke vrouwenhaat. In de geïdealiseerde mannenwereld van de piloten horen vrouwen niet thuis ; wanneer ze in Dannys buurt opduiken, komt er dus altijd gedonder van. Women are trouble. De anonieme vrouw X (haar echte naam Jane Hamilton doet er niet toe) symboliseert die gepercipieerde vrouwelijke dreiging. Die misogynie is al even gedateerd als Lady X' fysieke evolutie van vlotte maar slechte meid tot Raquel Welsh : ze is een reactie op de historische doorbraak van vrouwen in mannenbastions, met de militaire vliegerij als maatschappelijke microkosmos. Maar als we in ons virtueel lichaam ook daarvan eens konden wegvliegen, weg van het moralisme en de bigotterie. Me Buck, you Jane.Marc Reynebeau Rik Pareit (red.), ?Geheimzinnige sterren. Over het Belgische stripverhaal?, Dedalus, Antwerpen, 159 blz., 699 fr.Kamagurka's kijk op Buck Danny.