'De financiering van het wettelijk pensioen is niet het grote probleem. Wel zorgen baart het lage werknemerspensioen. Dat wordt berekend op basis van de hele loopbaan in plaats van de beter betaalde, laatste werkjaren. Die loopbaan moet ook 45 jaar zijn (voor mannen; voor vrouwen geldt die regel vanaf 2009, nvdr) om een volledig pensioen te krijgen. Dat is veel langer dan in de buurlanden.
...

'De financiering van het wettelijk pensioen is niet het grote probleem. Wel zorgen baart het lage werknemerspensioen. Dat wordt berekend op basis van de hele loopbaan in plaats van de beter betaalde, laatste werkjaren. Die loopbaan moet ook 45 jaar zijn (voor mannen; voor vrouwen geldt die regel vanaf 2009, nvdr) om een volledig pensioen te krijgen. Dat is veel langer dan in de buurlanden. Een werknemerspensioen is gelijk aan gemiddeld 66 procent van het laatste nettoloon, mede dankzij het aanvullend pensioen via de zogeheten tweede pijler. Daarop kan nog maar de helft van de werknemers in de privé-sector rekenen en hun aantal stijgt niet. In de sectorale loonovereenkomsten voor 2005-2006 bouwen sterke sectoren hun tweede pijler uit, in zwakkere sectoren komt die er niet. Minister van Pensioenen Bruno Tobback (SP.A) plaatst terecht de lage pensioenen van vrouwen in de kijker. Zij halen zelden de vereiste volledige loopbaan, werken meer deeltijds en verdienen minder. Maar echt centraal staat de welvaartsaanpassing van de pensioenen. Als die er niet komt, verarmt een gepensioneerde met het ouder worden. De sociale partners mogen voortaan tweejaarlijks een advies geven over een welvaartsaanpassing. Zonder een substantieel budget is die procedure echter een lege doos. De regering beseft dat het onhaalbaar is om de loopbaanduur voor brugpensioen en minimumpensioen op te trekken naar 40 jaar. Daar zouden opnieuw de vrouwen het grootste slachtoffer van zijn. Voorts blijkt uit RVA-simulaties dat dan 85 procent van de vrouwen en 75 procent van de mannen die in het eerste kwartaal van dit jaar bruggepensioneerd werden, niet in deze regeling hadden kunnen stappen. Ze is ook maar voor de helft van de oudere werknemers een eigen keuze. De andere helft wordt gedwongen. Hoe kan men bij een strengere loopbaanvoorwaarde dat onderscheid maken? Allicht wordt de uitkomst dat iemand met lange loopbaan op 58 jaar met brugpensioen kan en dat die leeftijd verhoogd wordt voor wie minder lang gewerkt heeft. Daarbij kunnen de vakbonden geen malus of financiële sanctie aanvaarden voor wie vervroegd met pensioen gaat. Dan blijft er van het al lage werknemerspensioen weer minder over. Voor ambtenaren is er trouwens ook alleen een pensioenbonus als ze langer willen werken. Het aanmoedigen van werken na de pensionering is evenmin een prioriteit. Tot een hogere activiteitsgraad zal dat amper leiden. Vooral hoger geschoolden met een goed pensioen zullen op die stimulans ingaan. Het loslaten van de inkomensplafonds kost bovendien 125 miljoen euro. Met dat geld kunnen beter andere pensioennoden opgelost worden.'