'Jarenlang wilden noch politici, noch onderwijsmensen accepteren dat er Belgen zijn die niet kunnen lezen en schrijven', zegt Luc Van de Poele van de Gentse universiteit, die aan het onderzoek meewerkte. 'Overal werd verkondigd dat zoiets niet kon, omdat er leerplicht is en bijna iedereen naar school gaat. Dat klopt maar gedeeltelijk. Analfabetisme is in het Westen immers geen bruikbaar begrip meer. Bij historisch onderzoek wel, daar wordt gekeken hoeveel mensen in een bepaalde periode hun eigen naam konden schrijven.'
...

'Jarenlang wilden noch politici, noch onderwijsmensen accepteren dat er Belgen zijn die niet kunnen lezen en schrijven', zegt Luc Van de Poele van de Gentse universiteit, die aan het onderzoek meewerkte. 'Overal werd verkondigd dat zoiets niet kon, omdat er leerplicht is en bijna iedereen naar school gaat. Dat klopt maar gedeeltelijk. Analfabetisme is in het Westen immers geen bruikbaar begrip meer. Bij historisch onderzoek wel, daar wordt gekeken hoeveel mensen in een bepaalde periode hun eigen naam konden schrijven.' In de jaren zeventig propageerde Unesco het begrip functioneel analfabetisme. Dat werd gedefinieerd als de lees- en schrijfvaardigheid na drie jaar basisonderwijs. Van de Poele: 'Dat was eenvoudig te meten, alleen verschillen die vaardigheden grondig van die waarmee volwassenen worden geconfronteerd. Sinds de jaren zeventig werd de term functioneel laaggeletterd dan ook algemeen aanvaard. Dat betekent: niet voldoende kunnen lezen en schrijven om in de maatschappij te functioneren. Op basis daarvan hebben we het over ongeveer 300.000 Vlamingen.' Die mensen zijn bijvoorbeeld niet in staat om uit de bijsluiter van geneesmiddelen de nodige informatie te halen, formulieren correct in te vullen of de boodschap te detecteren in ingewikkelde brieven van de overheid. Laat staan dat ze krantenartikels kunnen interpreteren.In de jaren zeventig ontstonden in Vlaanderen de eerste lees- en schrijfgroepen. De initiatiefnemers zagen _ trouw aan de tijdsgeest _ functioneel analfabetisme als een onderdeel van burgerrechten: 'Leren lezen en schrijven ondersteunt de bewustwording van de eigen mogelijkheden en vergroot het zelfvertrouwen en de maatschappelijke weerbaarheid.' Die omschrijving verruimt de groep tot ongeveer 700.000 mensen. Centra voor Basiseducatie, waar volwassenen leren lezen en schrijven en ook communicatie en sociale vaardigheden aanleren, gebruiken die definitie trouwens nog altijd.In de jaren tachtig ging de slinger echter de andere kant uit. Onder invloed van de neoliberale stroming, met de Britse premier Margaret Thatcher en de Amerikaanse president Ronald Reagan als boegbeelden, werd de vaardigheid om te lezen en te schrijven niet langer als een burgerrecht beschouwd, maar als een plicht. 'Mensen moeten kunnen lezen en schrijven om echt in de economie mee te kunnen.' Binnen de actieve welvaartsstaat van minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke (SP.A) is dat trouwens niet anders. Toch was dat minder negatief dan het lijkt, want op die manier kwam er eindelijk aandacht voor het hele terrein van het functionele analfabetisme. Dus was er behoefte aan een internationaal onderzoek om het probleem in kaart te brengen. Dat werd IALS ( International Adult Literacy Survey): een grote studie die onder meer kon helpen om het beleid bij te sturen, maar in de praktijk ook gebruikt wordt om economische rendabiliteit te berekenen. Een hooggeschoolde bevolking is immers een troef. Onlangs verscheen de complementaire PISA-studie waarbij scholieren werden getest (zie kader). DE SOCIALE LEESLADDERSociologe Katrien Steenssens, die verbonden is aan de onderzoeksgroep Armoede, Sociale Uitsluiting en de Stad (OASeS) van de Ufsia, heeft onderzoek gedaan naar autochtone laaggeletterden. Steenssens: 'Niet of weinig kunnen lezen en schrijven wordt pas een probleem in het licht van een specifieke maatschappelijke norm. Een laaggeletterde kan bijvoorbeeld perfect functioneren binnen zijn dagelijkse leefomgeving, terwijl de onzichtbare handicap hem wel heel wat kansen op sociale mobiliteit ontneemt. Uit onderzoek blijkt dat er een verband bestaat tussen iemands plaats op de sociale ladder en zijn geletterdheidsvaardigheden, de lees- en schrijftaken die hij aankan. Hoe geringer die vaardigheid, hoe groter het risico op maatschappelijke achteruitstelling en sociale uitsluiting.' Sociale uitsluiting is in Vlaanderen ook vaak een oorzaak van laaggeletterdheid. Volgens Kathy De Winter van het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie (VOCB) beginnen kinderen soms al met ongelijke startkansen aan de lagere school: 'In hun sociale omgeving heerst geen leerklimaat of worden ze niet gestimuleerd om te leren, ze leven in armoede of komen in een school terecht met veel leerlingen in achterstandsituaties. Van huis uit krijgen sommigen ook een negatieve perceptie van leren mee. Al heel vroeg leiden negatieve schoolervaringen tot stigmatisering, faalangst, gebrek aan zelfvertrouwen en sociale uitsluiting. Bovendien worden kansarmoedesituaties heel vaak van generatie op generatie overgedragen. Het is dus van belang dat de problematiek op heel jonge leeftijd aangepakt wordt, vóór kinderen in een stroomversnelling terechtkomen.'Dat is een grote verantwoordelijkheid voor de school. 'Uit onderzoek blijkt immers dat er voor die groep geen andere mogelijkheid is dan de school', aldus Van de Poele. 'Ze krijgen thuis geen stimuli en komen achteraf vaak terecht in een omgeving waar die ontbreken. De kleine vaardigheden die ze toch op school oppikken, gaan dan ook verloren.'Vaak valt dat niet eens op, want laaggeletterden ontwikkelen soms een hele strategie om zich uit de slag te trekken. Sommigen lezen of schrijven gewoon niet: ze laten officiële documenten liggen en vermijden situaties waarbij ze moeten lezen of schrijven. Anderen wagen zich er toch aan, alleen of met de hulp van anderen, en maken daarbij gebruik van de geringe vaardigheden waarover ze beschikken. Ze schrijven dan bijvoorbeeld hun eigen identiteitskaart over als ze hun gegevens op een formulier moeten invullen. Ook de moderne technologie kan helpen. Met een elektronische schrijfmachine of met een tekstverwerkingsprogramma kunnen sommigen ook complexere taken uitvoeren. Steenssens: 'Sommigen ontwikkelen zelfs een eigen geletterdheidssysteem om zich uit de slag te trekken: ze gebruiken bijvoorbeeld een eigen soort steno om aantekeningen te maken. Ook een doorgedreven geheugentraining waarbij alle informatie in het hoofd wordt geprent, is een mogelijke oplossing.' Anderen doen een beroep op mensen die wél vlot lezen en schrijven. Al weten die redders in nood vaak niet waarom hun hulp nodig is. 'Leesbril vergeten' is de meest gehoorde uitvlucht. 'Pas als het echt fout gaat, geven ze toe dat ze niet kunnen lezen of schrijven', aldus Steenssens. 'En dat is begrijpelijk. Ze wijken immers af van de diepgewortelde en algemeen verspreide verwachting dat iederéén kan lezen en schrijven. Dus verbergen velen hun handicap, waardoor ze zichzelf ook de mogelijkheid ontzeggen om er iets aan te doen. Lees- en schrijfcursussen volgen, betekent immers dat ze een moeizaam gecreëerd en vaak jarenlang in stand gehouden imago opgeven.'Volgens Kathy De Winter van het VOCB durven mensen vaak niet naar buiten te komen met het feit dat ze niet of slecht kunnen lezen, schrijven of rekenen. De Winter: 'Ze hebben geleerd hun plan te trekken en voelen zich daar goed bij. Sommigen zijn zich er ook niet van bewust dat ze problemen hébben.'LEREN LERENDe meeste cursisten van de Centra voor Basiseducatie hebben bijzonder negatieve herinneringen aan hun schooltijd. Twaalf jaar op de schoolbanken en nooit meekunnen: dat wordt niet zomaar uitgewist. Er loopt dus iets mank in het onderwijs. De Winter: 'In België wordt weinig gedaan om leerachterstanden van bij het begin aan te pakken: er is geen geld genoeg en er zijn geen mensen om een degelijke diagnose te stellen, noch om een kind en de scholen intensief te begeleiden. In de lerarenopleiding zou echt aandacht moeten gaan naar het ontdekken, maar vooral naar het omgaan met leerproblemen. Scholen zouden de kinderen en jongeren ertoe moeten kunnen brengen met plezier te leren. En kleine stappen belonen, want succeservaring is belangrijk.'Katrien Steenssens: 'Als een laaggeletterde ervaart dat hij wel leert en kan leren, is de eerste stap gezet. Dat hoeft geen schools leren te zijn: leren zwemmen of autorijden telt ook. Een tweede punt is de sociale positie. Wie in een geletterd netwerk zit, heeft meer kans om ook na schooltijd nog iets op te steken. Maar veel laaggeletterden bevinden zich in de onderste sociale lagen van de samenleving, en basiseducatie kan niet alles alleen oplossen. Ook de armoede moet aangepakt worden. Daarvoor moeten verschillende ministers samenwerken en moeten scholen zich toespitsen op het voorkomen van leerachterstand. Ook dat vereist samenwerking: tussen scholen, CLB's en alle mogelijke hulpverleners.'Dat leren lezen en leren schrijven belangrijk is, weten we allemaal. Dat het kán _ ook na de school _ bewijzen de Centra voor Basiseducatie elke dag. De Winter: 'We zorgen voor een veilige omgeving en passen het tempo aan de cursist aan. We zorgen ervoor dat er zeer snel een succeservaring is. En de cursisten worden altijd met respect behandeld. Het feit dat de lessen gratis zijn, verlaagt ook de instapdrempel.'De vraag is waarom het gewone onderwijs dat niet kan opbrengen, want voorlopig blijven we wel zitten met een grote, té grote groep mensen _ jongeren en ouderen _ die echt een probleem hebben. Die groep is gevarieerd, al lopen sommige categorieën meer risico dan anderen. Van de Poele: 'Ik hou niet van kloofdenken. Maar over het algemeen kunnen we zeggen dat Vlaanderen een zeer gesegregeerd land is. Er zijn in geletterdheid grote verschillen tussen de prestaties van mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, rijk en arm en tussen werkenden en niet-werkenden.'Ann Peuteman - Misjoe VerleyenMisjoe VerleyenVoor meer informatie over basiseducatie kunt u terecht bij het VOCB op het nummer 03-226 84 83.Volgende week: De school van de toekomst.'Ongeveer 300.000 Vlamingen kunnen niet voldoende lezen en schrijven om in de maatschappij te functioneren.'Er bestaat een verband tussen iemands plaats op de sociale ladder en de lees- en schrijftaken die hij aankan.