Op 30 juni 1960 begon Radio Leopoldstad zijn uitzendingen om zeven uur 's ochtends met de bruiloftsmars van Mendelsohn. Dat symboliseerde het mystieke huwelijk tussen het koninkrijk België en de nieuwe republiek Congo, die om middernacht formeel onafhankelijk was geworden. Nee, het was allerminst de bedoeling dat België en zijn voormalige kolonie niets meer met elkaar te maken zouden hebben, integendeel. De koloniale maatschappijen bleven ter plaatse, al hadden vele daarvan hun hoofdzetel veiligheidshalve naar België overgebracht. Natuurlijk gingen ook de missionarissen niet weg, terwijl zowat alle kaderfuncties, zowel in de ambtenarij als het leger, maar ook in het bedrijfsleven of de machtige katholieke kerk, door Belgen bezet bleven.
...

Op 30 juni 1960 begon Radio Leopoldstad zijn uitzendingen om zeven uur 's ochtends met de bruiloftsmars van Mendelsohn. Dat symboliseerde het mystieke huwelijk tussen het koninkrijk België en de nieuwe republiek Congo, die om middernacht formeel onafhankelijk was geworden. Nee, het was allerminst de bedoeling dat België en zijn voormalige kolonie niets meer met elkaar te maken zouden hebben, integendeel. De koloniale maatschappijen bleven ter plaatse, al hadden vele daarvan hun hoofdzetel veiligheidshalve naar België overgebracht. Natuurlijk gingen ook de missionarissen niet weg, terwijl zowat alle kaderfuncties, zowel in de ambtenarij als het leger, maar ook in het bedrijfsleven of de machtige katholieke kerk, door Belgen bezet bleven. Want die Congolezen, zo luidde de overwegende gedachte, waren eigenlijk nog kinderen die moesten worden opgevoed, die zonder blanke voogd niet door het leven konden, ja, die intrinsiek minderwaardig waren aan hun witte meesters. Aan de uitbouw van een volwaardig universitair onderwijs was bijvoorbeeld niet gedacht, zodat het nieuwe Congo van 1960 over amper een handvol academisch geschoolden beschikte. Belgisch Congo was dan ook nauwelijks voorbereid op de zelfstandigheid, niet alleen omdat de dekolonisatie vrij snel en onverwacht tot stand kwam, maar ook omdat ze een vrijwel uitsluitend formeel-politiek karakter had gekregen. Er was de brute directheid van een militair voor nodig om dat duidelijk te maken. Generaal Emile Janssens, de opperbevelhebber van het Congolese leger, de Force Publique, schreef dat letterlijk, op 5 juli 1960, om 8 uur 's morgens, wit op zwart op een bord: "Vóór de onafhankelijkheid = na de onafhankelijkheid". Tevergeefs. Niet zoveel later riep Janssens, gerepatrieerd naar Brussel, het standbeeld van koning Leopold II toe: "Sire, ze hebben uw Congo naar de verdommenis geholpen" (in het Frans, en in iets grovere termen). En met die zij bedoelde hij, uiteraard, de politici. BELGIE KON GEEN KWAADJanssens aanriep niet zonder reden de geest van Leopold II. Deze vorst was het inderdaad die geheel in zijn eentje het koloniale imperialisme stichtte in België, wat, objectief gesproken, al een prestatie op zich is. Al vóór hij in 1865 de troon besteeg als tweede koning der Belgen, vond Leopold dat de Belgische natie meer grandeur nodig had, wat meer te betekenen moest hebben in de wereld, en dat een kolonie daarbij prima zou helpen. Maar omdat de opeenvolgende regeringen daar weinig voor voelden - ze waren bang dat zo'n avontuur te veel geld zou kosten -, deed hij het maar in zijn eentje. Zo slaagde hij erin, dankzij veel list en lobbying, om in 1885 persoonlijk eigenaar te worden van een flinke hap uit het Centraal-Afrikaanse binnenland. De koloniale grootmachten van de tijd lieten Leopold begaan; zo'n landje als België, dat kon toch geen kwaad. Het werd toevallig dit stuk Afrika, het latere Congo, dat hij in bezit kreeg, want de (interessanter bevonden) rest van de wereld was al gereserveerd. Ook Leopold - die overigens nooit één voet op Congolese bodem heeft gezet - wist niet meteen wat daar aan nuttigs in het tropisch regenwoud aan te treffen viel. Algauw bleek er geld te verdienen met het ivoor van de olifanten, een duur maar niet echt onontbeerlijk luxegoed. De grote winsten begonnen even later toe te stromen, dankzij het rubber. Naar het einde van de negentiende eeuw namen de industriële toepassingen van rubber exponentieel toe, voor auto- en fietsbanden, leidingen en pakkingen of als isolatiemateriaal. En het Congolese wilde rubber kon meteen en zonder veel investeringen worden ontgonnen. Het vergde wel hard en onaangenaam werk in het oerwoud, waartoe de plaatselijke bevolking met harde hand en vaak zelfs met regelrechte terreur werd gedwongen. De rubberopbrengsten waren gigantisch, al kreeg Congo zelf daar bitter weinig voor terug. Volgens de statistieken importeerde België in 1895 voor vijf miljoen frank uit Congo; export daar naartoe: nul frank. Leopold spendeerde veel van zijn winsten aan tal van grootse urbanistische projecten in België - nog een onderdeel van zijn plan om de natie tot meer grootsheid te bewegen -, de rest aan de opbouw van een aanzienlijk persoonlijk fortuin. De realiteit van de koloniale exploitatie stond bijzonder ver af van het ideaalbeeld dat Leopold daarvan had opgehouden: de beschaving dienen, de Arabische slavenhandel bestrijden, de expansie van het christendom bevorderen, het uit zijn achterlijkheid tillen van de plaatselijke, nog "onbeschaafde" bevolking, de "wilden" laten delen in de zegeningen en weldaden van de vooruitgang, de geografische kennis bevorderen. Deze idealistische mystificatie hield zeer lang stand, vooral in België zelf. Ze begon bij de koning, die ermee zijn exploten internationaal aanvaard kreeg, en ze werd vervolgens overgenomen door de politiek, deels uit onwetendheid, deels uit gêne en pragmatisme, om de koning niet in het gedrang te brengen. Ze kreeg een wetenschappelijke legitimatie door de officiële geleerdheid en sijpelde van daaruit door in de schoolboekjes.ALS HET MAAR GEEN GELD KOSTLeopolds koloniale avontuur lokte internationaal protest uit dat kan worden beschouwd als de eerste grote mensenrechtencampagne in de geschiedenis. Een bedenkelijke primeur. Dat, gekoppeld aan financiële complicaties, leidde ertoe dat de Belgische staat Leopolds Congolese privé-domein in 1908 als een reguliere kolonie overnam. Dit betekent niet dat de politiek bijzonder veel belangstelling koesterde voor de kolonie. Dat gold voor eender welke partij op eender welk moment van de kolonisatie. Het belangrijkste criterium in de beoordeling van de kwestie bleef het geld: hoeveel Congo kostte en hoeveel het opbracht. Het lijdt dus ook weinig twijfel dat, eens Congo's begroting vanaf 1957 deficitair werd (met een tekort van zo'n 6,5 miljard per jaar, vergeleken met de boni van rond 15 miljard in de jaren 1950-56), de bereidheid om zich van de kolonie te ontdoen, fel toenam. Leopold had het ook moeilijk om de bedrijfswereld warm te maken voor "zijn" Congo. Toch schuwde het Belgische grootkapitaal van in de late negentiende eeuw allerminst de verre horizonten en de exotische risico's, als daar tenminste wat te verdienen viel. Maar het duurde tot laat in de jaren twintig eer bijvoorbeeld de Société Générale, Belgiës belangrijkste holding, enige reële belangstelling begon op te brengen voor Congo. Als ze tevoren al participeerde in koloniale ondernemingen, was dat louter om de vorst te plezieren. Haar eerste investering in Congo stond ingeboekt onder de rubriek "diverse afschrijvingen". Bij de oprichting van de Union Minière du Haut-Katanga in 1906, later terecht het symbool van het Belgische economische imperialisme in Congo, nam de Société Générale daar maar een klein minderheidsaandeel in. Maar dat veranderde snel toen de Congolese bodem wel degelijk quasi-onuitputtelijke bodemrijkdommen bleek te bevatten. De democratisch-politieke desinteresse rond Congo wordt nog het best geïllustreerd door een anekdote uit de tijd van de door Achille Van Acker geleide socialistisch-liberale regering uit 1954-'58. De premier vergewiste zich van de toestand in het overzeese gebiedsdeel door zijn minister van Koloniën Auguste Buisseret eens per jaar te vragen: "Gaat het daar een beetje, Auguste?", waarop die antwoordde: "Ça va, Achille, merci." Einde discussie. Veel principieel antikolonialisme heeft in België zeker nooit bestaan. Dat Congo bijvoorbeeld een cruciale bijdrage had geleverd tot Belgiës heropbouw na de Tweede Wereldoorlog, bleek velen te zijn ontgaan. En zo niet, dan behoorden koloniale kwesties hoe dan ook tot het privilegie van een elite, die zich ook het alleenrecht over de buitenlandse politiek (en defensie) had toegeëigend. Zo kon het ook gebeuren dat enkele kaderleden van Société Générale tijdens de oorlog in hun eentje deals sloten over de levering van Congolees uranium aan de Verenigde Staten, ten behoeve van de atoombom die in 1945 boven Hiroshima ontplofte. Dat elitaire monopolie over diplomatieke en militaire aangelegenheden werd pas met de zogeheten rakettenkwestie van de vroege jaren tachtig doorbroken. Wat dan weer niet wegneemt dat zelfs vandaag nog - naar aanleiding van de Belgische participatie in de Navo-oorlog tegen Joegoslavië - wordt beweerd dat de regering in dit soort thema's een privilegie bezit waarover het parlement pas achteraf vragen mag stellen, wanneer de cruciale beslissingen al zijn genomen. NAAR EEN BELGISCHE BESCHAVINGDe afwezigheid van enige publieke discussie over de kolonie leidde er ook toe dat het bezit ervan algauw tot de natuurlijke orde der dingen werd gerekend. Zo bleef de idee dat Congo ooit als kolonie "verloren" zou gaan, lange tijd een tamelijk buitenissige gedachte. Dat was zelfs zo toen na de Tweede Wereldoorlog de ene koloniale grootmacht na de andere in zijn overzeese gebiedsdelen toch in de problemen kwam, het eerst in Azië. Toen Jef Van Bilsen in 1955 een geruchtmakend plan schreef dat Belgisch Congo naar de onafhankelijkheid zou voeren, koppelde hij daar een termijn van dertig jaar aan, zomaar, alleen om duidelijk te maken dat het er toch eens moest van komen. Het plan werd op verontwaardiging onthaald en de Staatsveiligheid dumpte de tekst ervan met hele pakken in de Congostroom. Over dertig jaar? Over driehonderd jaar misschien. En dan nog. Tenslotte berustte het Belgische bewind op een racistisch geïnspireerd paternalisme dat zich niet kon voorstellen dat de zwartjes ooit eens hun eigen boontjes zouden kunnen doppen. Het aanzag de plaatselijke bevolking als onmondigen, wier roeping het was om stap voor stap tot de beschaving toe te treden. Dat betekende concreet dat ze gaandeweg tot, weliswaar zwarthuidige, Belgen zouden uitgroeien. De "verbelgisching" ging zo ver dat onder meer ook de taalstrijd en de schoolstrijd of de syndicale concurrentie naar de kolonie werden overgeplant. Tussen zwart en blank kon een tussencategorie worden erkend, die van de zogeheten "geëvolueerden", Congolezen die de beschaving naderden en daarvan het bewijs konden voorleggen door de Belgische levensstijl over te nemen - met mes en vork eten bijvoorbeeld, of een water closet gebruiken. Daar werden diploma's voor uitgereikt. In de populaire verbeelding thuis, in België, gold het koloniale Congo als een verre wereld. Toch had iedereen wel iemand in de familie die ernaartoe was getrokken, vaak als pater of nonneke, die om de zoveel jaar eens terugkwam om exotische diavoorstellingen te organiseren en in de zondagsmis wat giften bij elkaar te schooien. Maar de mentale afstand bleef groot, een leegte die werd gevuld met romantische voorstellingen van Congoboten, zon, brousse, zwoele tropennachten, palmbomen, tamtams en wilde beesten. En dankbare negertjes. Belgen, zo wou het cliché nog, zouden er een relatief gemakkelijk leven leiden en velen van hen verdienden er inderdaad goed, woonden in ruime villa's en beschikten er over eigen personeel, een boy (huisknecht), al dan niet een moke (tuinman) en een zamu (bewaker). Voor de meesten van hen was dat een thuis ondenkbare luxe. Toch kon niet iedereen zomaar op avontuur naar de kolonie trekken. Wie dat wou, had daar een goede reden voor nodig: om er te gaan missioneren, om er een plantage uit te baten, om er in de handel te gaan of met een contract als ambtenaar of als werknemer in de privé-sector. Het waren niet zomaar avonturiers, maar deftig volk, met een vooraf vastgelegde plaats in de sociale structuur. OPEENS GING HET SNELDe afwezigheid van een nationaal-imperialistisch koloniaal project zorgde ervoor dat diverse soorten koloniale sectoren naast elkaar hun gang gingen: de grote ondernemingen, de missies en de ambtenarij. De bedrijven, veelal actief in de grondstoffenexploitatie, functioneerden als staten-in-de-staat. Ze voerden een beleid dat gouverneur-generaal Pierre Ryckmans al in 1946 omschreef als een schuimspaaneconomie: winsten gingen naar België of werden geherinvesteerd, maar vers kapitaal kwam het land niet binnen. Ettelijke duizenden geestelijken waren bedrijvig in zowat zevenhonderd missieposten. En daarnaast bemanden een tienduizend ambtenaren de strikt gecentraliseerde administratie, waarbij de lokale verantwoordelijken, de gewestbeheerders (de zogeheten boela mataris), over erg uitgebreide, onder meer ook juridische bevoegdheden beschikten. Belgisch Congo gaf de aanblik van een sociaal en vooral raciaal strikt gesegregeerde samenleving, een apartheidsregime. De frustraties die daarvan het gevolg waren, voedden in de loop van de jaren vijftig een nationalistisch onafhankelijkheidsstreven, dat door het koloniale bewind als hovaardige zotternij werd weggewuifd en geen schijn van kans kreeg. De ontnuchtering volgde in de eerste dagen van 1959, toen zware onlusten uitbraken in de hoofdstad Leopoldstad (nu Kinshasa), waarbij tientallen doden vielen. De rellen waren het signaal dat ook Belgisch Congo niet zou ontsnappen aan de ontvoogdingsdrang die doorheen de hele koloniale wereld trok, ook in Afrika. Een week na de rellen, op 13 januari 1959, kondigde koning Boudewijn aan dat werk zou worden gemaakt van een democratisering van de kolonie, met de onafhankelijkheid als eindperspectief. Er bestond noch bij de Belgische publieke opinie, noch bij het establishment, de minste bereidheid om koloniale oorlog te beginnen. Congo lag daarvoor te ver en te weinigen hadden er rechtstreeks baat bij. Alleen een reactionaire minderheid, hier en daar in het leger of in een raad van bestuur en op een bepaald moment ook bij Boudewijn, dacht erover na om de onafhankelijkheid te allen prijze tegen te houden, desnoods met gewapende repressie. Maar het belgicistische pragmatisme gaf er algauw de voorkeur aan om te opteren voor een geleidelijke transitie die de bestaande machtsstructuren zo min mogelijk in het gedrang zou brengen. Van toen af aan begon het snel te gaan, sneller dan aanvankelijk kon worden gehoopt of gevreesd, naargelang van het standpunt. Op meerdere plaatsen - onder meer in de strategische Bas-Congo - begon het Belgische gezag te verkruimelen. Op twee rondetafelconferenties, een politieke in januari 1960 en een economische in april, kreeg het voornemen om de kolonie per 30 juni 1960 de onafhankelijkheid te verlenen, definitief vorm. HET GENIE VAN DE KONINGEen voorlopige Basiswet (ofte Loi fondamentale) legde de grondslag voor een politieke structuur die geclicheerd leek op de Belgische: een parlementaire democratie waarbij de macht vooral bij de regering lag, met daarboven een politiek niet verantwoordelijke president als staatshoofd. Problematischer bleek echter de staatsstructuur zelf. Kon het van buitenuit opgelegde koloniale regime zich een strak centralisme permitteren, voor de Congolese bevolking was Leopoldstad niet het centrum van de wereld. Bij de voorbereidende verkiezingen was al gebleken dat de politieke partijen hun electoraat vooral op etnische basis rekruteerden, zoals de Abako van Joseph Kasavubu in Beneden-Congo of Conakat van Moïse Tshombé in Katanga. De belangrijkste uitzondering daarop was de Mouvement National Congolais (MNC) van Patrice Lumumba, die een authentieke nationalistische beweging wou zijn die zich inschreef in het pan-Afrikanisme. De Basiswet aarzelde tussen unitarisme en federalisme. Hij gaf de zes provincies een eigen politieke assemblee en een paritaire vertegenwoordiging in de nationale Senaat, maar reserveerde de machtsmiddelen van de staat voor de nationale regering. Kasavubu zou Congo's eerste president worden, Lumumba de eerste premier van het nieuwe land; koning Boudewijn kwam op 29 juni 1960 naar Leopoldstad voor de soevereiniteitsoverdracht. Maar op het moment dat de koninklijke DC-6 landde op Ndjili - de nieuwe luchthaven, met een uitzonderlijk lange, volgens Navo-specificaties gebouwde landingsbaan - stond daar op de tarmac een Sabena-Boeing vertrekkensgereed, vol vrouwen en kinderen van Belgische kolonialen. Want dat alles goed zou gaan, daar was lang niet iedereen van overtuigd. Even later liep het al mis toen, naar verluidt, een geesteszieke de pas in de stad aangekomen koning zijn ceremoniesabel kon ontfutselen. Het incident kreeg meteen een onheilspellend karakter. Boudewijn startte de dag van 30 juni, samen met Kasavubu, met een Te Deum in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Afrika in de zwarte wijk van de hoofdstad, waarna hij zich naar het Paleis der Natie begaf voor de officiële onafhankelijkheidsverklaring. De koning ventileerde in zijn toespraak enige familiaal-kolonialistische zelfgenoegzaamheid over het beschavingswerk waartoe "het genie" van Leopold II de aanzet had gegeven. Maar dat viel niet in goede aarde; in zijn rede liet president Kasavubu een reeks dankbetuigingen achterwege, waarna premier Lumumba van Kamervoorzitter Joseph-Georges Kasongo onverwacht het woord kreeg voor een ongemeen scherpe uitval tegen het Belgische kolonialisme, deze "vernederende slavernij" gedurende tachtig jaar uitbuiting en racisme. Boudewijn was zo ontzet dat hij meteen naar Brussel wou vertrekken. Maar premier Gaston Eyskens kon hem overreden en hij schreef een excuus, dat Lumumba 's middags tijdens de lunch voorlas. Maar de schijn was doorbroken. De illusie van harmonie verzwond helemaal toen op 5 juli een muiterij van de Force Publique begon die een groot deel van de blanke bevolking op de vlucht joeg. Op 11 juli scheidde de rijke provincie Katanga zich af van de centrale staat en mocht zich meteen verheugen in niet eens verheimelijkte Belgische steun. Spoedig spatte het politieke bestel uit elkaar. Democratie heeft het land nooit gekend. In Katanga had het Belgische economische neokolonialisme de kop opgestoken, dat Congo pas na twee decennia zou loslaten. De Verenigde Staten maakten van het land een schaakstuk in de Koude Oorlog. Nu dat alles voorbij is, moeten de Congolezen maar met de scherven blijven zitten.Volgende week: Marilyn Monroe.Marc Reynebeau