Politici lezen Knack. Soms reageren ze via deze rubriek.
...

Politici lezen Knack. Soms reageren ze via deze rubriek.Enkele lezers van Knack hebben bezwaren tegen het feit dat mijn uittredingsvergoeding als parlementslid bijdraagt in mijn levensonderhoud terwijl ik in Oxford aan een doctoraat werk (?Het laatste woord?, Knack nr. 33). Volgende informatie is misschien nuttig : alle parlementsleden die ontslag nemen of niet herkozen worden, krijgen een uittredingsvergoeding die gelijk is aan één maand parlementaire vergoeding (zonder bijkomende kostenvergoeding en in dit geval vanzelfsprekend volledig belast) per jaar dat zij lid waren van het parlement. Het minimumbedrag van deze vergoeding bedraagt één jaar wedde. Dit stelsel werd ingevoerd om parlementairen een zekere persoonlijke onafhankelijkheid te geven en, indien nodig, ook sociale bescherming (parlementairen kunnen niet gaan stempelen). Een concreet voorbeeld kan illustreren wat er gebeurt als je dit stelsel gebruikt om je loopbaan te onderbreken : een parlementslid dat na 24 jaar ontslag neemt, zal gedurende twee jaar een uittredingsvergoeding krijgen (en vervolgens een pensioen), een parlementslid dat na twaalf jaar ontslag neemt, en zich vervolgens laat herverkiezen en terug twaalf jaar zetelt, zal twee keer gedurende één jaar een uittredingsvergoeding krijgen. Voor de belastingbetaler is dat precies hetzelfde. (Je zou van het stelsel en van de belastingbetaler kunnen profiteren door zeer snel na een herverkiezing opnieuw ontslag te nemen, maar dat is mijn bedoeling alleszins niet.) Als ik vandaag, na een mandaat van elf jaar, een beroep doe op het stelsel van de uittredingsvergoeding, dan vermindert dat mijn recht op een uittredingsvergoeding in de toekomst met een bedrag van elf maanden : in de praktijk verbruik ik nu een stuk van het bedrag dat ik later zou krijgen en voor de belastingbetaler maakt dat geen groot verschil. Daarmee wil ik een periode van twee tot drie jaar zonder inkomen helpen overbruggen ; dat volstaat op zich niet voor de tweejarige overstap naar Oxford, maar het is wel een noodzakelijke basis. Bij sommigen wekt mijn openhartigheid daarover nu grote ergernis. Wie zich ergert, moet zich volgende vraag stellen. Is het zoveel beter voor de democratie dat de parlementsleden dit financiële krediet laten oplopen tot het einde van hun loopbaan om dan over het volledige bedrag te beschikken ? Heeft men liever dat ik mijn uittredingsvergoeding opspaar tot het einde van mijn politieke carrière, om het geld dan in stilte te gebruiken voor een reeks extra-vakanties of om mijn memoires te schrijven ? Natuurlijk zou er dan geen haan naar kraaien. Ter informatie nog dit : op de begroting van 1996 van de Kamer is 96 miljoen voorzien voor de tijdens dit jaar lopende uittredingsvergoedingen. Een relatief hoog bedrag omdat 1995 een verkiezingsjaar was, maar het is zeker niet zo dat dit bedrag uitsluitend gaat naar mensen die bij gelegenheid na ontbinding van de Kamer niet herkozen werden. In het verleden hebben collega's die naar hun oordeel op het einde van hun loopbaan gekomen waren, of zich uitsluitend op een lokaal politiek mandaat wilden toeleggen, ook tijdens de zitting ontslag genomen. Een terechte vraag is wat mijn kiezers denken over mijn beslissing om mijn politiek mandaat drie jaar voor de volgende verkiezingen te verlaten voor een andere (politiek-wetenschappelijke) bezigheid. Dat zullen zij moeten beoordelen op basis van de inhoud van mijn werk en mijn verder politiek engagement. Daarover zal men binnen een drietal jaren moeten discussiëren : van die zware uitdaging en test ben ik me bewust. De vraag of ik mijn recht op een uittredingsvergoeding nu al mag aanspreken in de plaats van ze volledig op te sparen voor later, lijkt me dan van ondergeschikt belang. Tenzij men iets tegen het principe heeft van de uittredingsvergoeding en de daarmee samenhangende persoonlijke onafhankelijkheid van het parlementslid. Dat moet dan gezegd worden. F. Vandenbroucke, volksvertegenwoordiger SP, Scherpenheuvel.