'Maar als u zei dat mijn bloed meer aan mij dan aan u toebehoort, Madame, zou ik verbleken onder de schande en ik zou sterven, U zegenend. O Dulcinée.'
...

'Maar als u zei dat mijn bloed meer aan mij dan aan u toebehoort, Madame, zou ik verbleken onder de schande en ik zou sterven, U zegenend. O Dulcinée.' Zo, dat lucht op. Niets probater dan aanhalingstekens om een zin als deze voorbij de eindredactie van uw blad te loodsen. Hij is vertaald uit het Frans, maar de context is Spaans: het is de slotzin van Chanson romanesque, het eerste deel van de triptiek die Maurice Ravel aan Don Quichot wijdde. Nu stak Cervantes destijds al de draak met ridderlijkheid en de bijbehorende holle frasen. Maar er was een tijd, die van de hoofse liefde, dat dergelijke formules in alle ernst werden gedebiteerd. En het werkte nog ook. U moet het zich zo voorstellen. Middeleeuwse edelman wordt verliefd op reeds getrouwde edelvrouw, op papier vanwege haar oogopslag, haar rozengeur of een fonkeling in heur haar. Hij prijst haar in verheven doch potsierlijke bewoordingen, die na decodering nochtans verrassend herkenbaar zijn: 'Ik ben er wat laat mee, maar wil met u van bil en hoop van u hetzelfde.' Iedereen beseft dat, behalve de gemaal, die oorlog voert, op zijn beurt voor een andere dame dicht of anderszins op de sukkel is. De edelvrouw wijst de bewonderaar af. Pro forma. Waarna die zijn allegorieën over een andere boeg gooit: sterven zal hij, en wel na een lange periode van branden, wurging en ander onaangenaams. Daaruit, zo weet men, komt grote kunst voort. De dame geeft toe, de liefde wordt geconsumeerd, ondanks de hardnekkige, platonische aura die de hoofse liefde omgeeft. Waarop het onkuise koppel zich nog lang onledig houdt met het verborgen houden van de affaire, en de rest van de wereld met het maken van schunnige allusies. Voilà, daarover gaat de muziek op de plaat De troubadour en de non, die uit is bij Etcetera. De troubadour is niemand anders dan de dichtende edelman - troubadours waren van goede komaf. Met de non wordt niet zijn prooi bedoeld; het verwijst naar de extatische poëzie die destijds ontstond rond de aanbidding van de Heilige Maagd. De erotische component ervan, zo leert ons deze plaat, is onmiskenbaar, vaak perfect inwisselbaar met die van profane liederen. Sopraan Evelyn Tubb, die velen nog zullen kennen van het legendarische Consort of Musicke van Anthony Rooley, levert een vocaal zuivere en nagenoeg zuiver vocale prestatie, moeiteloos een eeuwenlange boog spannend van Hildegard von Bingen tot John Dowland. Michael Fields en David Hatcher begeleiden doeltreffend en zinnelijk, maar vooral discreet op harp, fluit, luit en gamba. Daarbij de subtiele mengeling van welopgevoedheid en olala van schitterend muzikaal contrapunt voorziend. THE TROUBADOUR AND THE NUN, MET WERK VAN JOHN DOWLAND EN HILDEGARD VON BINGEN. EVELYN TUBB (SOPRAAN), MICHAEL FIELDS (MIDDELEEUWSE HARP, RENAISSANCEFLUIT, BASLUIT), DAVID HATCHER (VIOLA DA GAMBA), ETCETERA KTC 1361. Meer klassiek op blogs.knack.be/dissonant Rudy Tambuyser