Onder werknemers leeft een grote achterdocht inzake de fiscaliteit. Het tegendeel zou verbazing wekken, geen enkele Belg betaalt welwillend belastingen. Maar bij arbeiders, bedienden en ambtenaren gaat het om iets anders. Zij geloven, weten het zelfs zeker, dat zij een onproportioneel groot deel van de staatspenningen opbrengen. De verdeling van de fiscale lasten vinden zij onrechtvaardig. Ondernemers, artsen en advocaten, winkeliers, huisverhuurders en vermogenden dragen hun deel niet, oordelen ze.
...

Onder werknemers leeft een grote achterdocht inzake de fiscaliteit. Het tegendeel zou verbazing wekken, geen enkele Belg betaalt welwillend belastingen. Maar bij arbeiders, bedienden en ambtenaren gaat het om iets anders. Zij geloven, weten het zelfs zeker, dat zij een onproportioneel groot deel van de staatspenningen opbrengen. De verdeling van de fiscale lasten vinden zij onrechtvaardig. Ondernemers, artsen en advocaten, winkeliers, huisverhuurders en vermogenden dragen hun deel niet, oordelen ze. Het Federaal Planbureau geeft de werknemers gelijk: zij brengen 75,6 procent van de personenbelasting op, de gepensioneerden en andere uitkeringstrekkers 13,3 procent en de zelfstandigen, goed voor 22 procent van de werkgelegenheid, slechts 11,1 procent. De gezinsbudgetenquête bewijst nochtans dat de gemiddelde zelfstandige een stuk méér inkomen heeft dan de werknemer en een dubbel zo hoge spaarquote. Studies van het ministerie van Financiën suggereren dat het fiscaal aangegeven inkomen van de zelfstandigen slechts 55 procent bedraagt van de macro-economische ramingen. Hun gemiddeld belastbaar inkomen schommelt rond 20.000 euro. Volgens de zelfstandigenorganisaties een bewijs van de grote kommer en kwel in die beroepsgroepen. Gilbert De Swert, hoofd van de studiedienst van de christelijke vakbond ACV, gelooft daar niets van. Hij stelt de over armoede klagende Kris Peeters, gedelegeerd bestuurder van de Unie van Zelfstandige Ondernemers (Unizo), voor eens samen de inkomenspositie van de zelfstandigen na te rekenen. Het zou veel maatschappelijke verzuring oplossen, onder werknemers en wellicht ook onder zelfstandigen. Maar De Swert weet ook dat de zelfstandigenlobby de fiscale administratie liet stoppen met het natellen van het belastbaar inkomen per categorie zelfstandigen - de resultaten waren té onthutsend en ontluisterend. Die problematiek komt dezer dagen weer ter sprake op het congres van het ACV over 'het juiste inkomen'. Een onmodieus thema, inkomensverdeling behoort niet langer tot het maatschappelijke debat. De ongelijkheid is nu in, ze zou de activiteit en de ondernemingszin stimuleren en de vruchten daarvan sijpelen naar beneden door. Een theorie die de vakbond nog niet door de praktijk heeft bewezen gezien. Ook de lopende paars-groene belastinghervorming streeft niet naar een betere herverdeling. Die belastingverlaging krijgt op het congres niets dan kritiek. Vooral omdat eerste minister Guy Verhofstadt (VLD), net zoals de werkgevers trouwens, de bonden aanmaant hun looneisen op te bergen, omdat de werknemers al hun koopkrachtstijging krijgen uit de fiscale hervorming. Aan zelfstandigen en andere categorieën worden zulke dingen niet gevraagd, sneren vakbondslui. Maar de werknemers moeten hun belastingvoordeel doorschuiven naar de ondernemingen. Daar zijn ze principieel tegen gekant. Maar eigenlijk maakt het weinig uit. De Swert berekende dat de verlaging, vooral wegens de stijgende gemeentebelastingen, in 2004 de werknemers gemiddeld niet meer dan 50 euro winst oplevert. De pervers hoge inkomens van topmanagers veroorzaken op zo'n vakbondscongres weinig ophef. Al begrijpt niemand waarom de postbaas vijftig keer zoveel moet verdienen als de postbode. En over de fortuinen die sportlui en popsterren verdienen, valt haast geen mens. Maar het blijkt dat de inkomensongelijkheid toeneemt. De tien procent best betaalde werknemers verdient 3,6 keer zoveel als de tien procent minst betaalden. Het ACV zou een verhouding een tot drie redelijker vinden, wat niet revolutionair klinkt, aangezien de bond een kwarteeuw geleden al ten strijde trok voor een inkomensspanning van een tot twee. De inkomenskloof vergroot nog wanneer álle inkomens in rekening worden gebracht, vooral wegens de inkomens uit vermogen, gezien de zeer ongelijke spreiding van die vermogens. Er doen zich nog geen Amerikaanse of Britse toestanden voor, maar die ongelijkheid is in België toch groter dan in de andere rijke Europese landen. Het vakbondscongres struikelt voorts over talrijke min of meer verborgen inkomensongelijkheden. De moeilijke positie van tijdelijke werknemers bijvoorbeeld, en de ongelijke bezoldiging van mannen en vrouwen. Het valt ook over de grote ongelijkheden die bestaan in het tertiaire inkomen: inzake onderwijs, bij huisvesting, qua mobiliteit en cultuur. Verdeeldheid blijft in de bond bestaan over de ongelijkheid die leeftijd veroorzaakt. De salarisschalen van de bedienden zijn in de regel gekoppeld aan de leeftijd. Volgens de zuivere vakbondsleer is dat een discriminatie. Zij verwijst naar de Europese regelgeving, die op de arbeidsmarkt - bij aanwervingen bijvoorbeeld - elk verschil in behandeling op basis van geslacht, huidskleur... en leeftijd verbiedt. Het spreekt vanzelf dat 'de ouderen' daar niet van gediend zijn. Zoals ook de gepensioneerden zullen schrikken van de ACV-leer. Moeten de actieven de toenemende kosten van de pensioenen en de gezondheidszorg alléén blijven opbrengen? Het vakbondsantwoord luidt dat de ouderen hun deel moeten dragen, dit is herverdeling, want dit kwart van de bevolking bezit de helft van het vermogen. G.D.