Het kwaad zit in de wereld ingebakken. Het ging er van meet af aan nogal wreed toe: goden en demiurgen ontwrongen in een titanische worsteling de kosmos aan de chaos. Ook in de bijbelse scheppingsmythe speelt het kwaad een belangrijke rol. De mens krijgt er, willens nillens, de hoofdrol toegespeeld in het grote epos van de moraliteit, in de eeuwige strijd tussen goed en kwaad.
...

Het kwaad zit in de wereld ingebakken. Het ging er van meet af aan nogal wreed toe: goden en demiurgen ontwrongen in een titanische worsteling de kosmos aan de chaos. Ook in de bijbelse scheppingsmythe speelt het kwaad een belangrijke rol. De mens krijgt er, willens nillens, de hoofdrol toegespeeld in het grote epos van de moraliteit, in de eeuwige strijd tussen goed en kwaad. Al bij de eerste schermutseling haakt het kwaad zich onlosmakelijk vast aan de menselijke vrijheid. Dat de mens van de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad eet, kan hem worden verweten, maar niet dat hij over de mogelijkheid beschikt om dat te doen. De mens verliest met andere woorden zijn paradijselijke onschuld niet door zijn eerste zonde, maar doordat God hem, via het verbod dat het onderscheid tussen goed en kwaad in het leven roept, de vrijheid schenkt om het te doen. "Het kwaad hoort bij het drama van de menselijke vrijheid. Het is de prijs die we voor de vrijheid betalen." Zo wordt de geschiedenis een aaneenschakeling van pogingen om op een aanvaardbare manier met die vrijheid om te gaan. In "Het kwaad" beperkt de Duitse filosoof Rüdiger Safranski zich zeker niet tot bijbelexegese. De bijbel vormt wel het onvermijdelijke vertrekpunt voor een lange mars door twintig eeuwen westerse cultuurgeschiedenis. Safranski gaat aan de hand van vooral filosofische geschriften na hoe de mens zich tegenover het kwaad heeft verhouden. Safranski gaat uit van de spanning tussen enerzijds het besef dat de vrijheid ons een middel tot grootse prestaties biedt en anderzijds ons kennelijke onvermogen om dat buitengewone middel goed te gebruiken. "Het kwaad" vormt meteen een catalogus van de manieren waarop de mens zijn vrijheid politiek of religieus (gedeeltelijk) heeft afgestaan om niet te nadrukkelijk met zijn verantwoordelijkheid en zijn onvermogen te worden geconfronteerd. DE ZONDE VAN DE HEILIGE GEESTSafranski gaat te rade bij de meest uiteenlopende grote geesten. Daarbij neemt de context waarin het kwaad gedijt telkens een andere gedaante aan (het blijft niet bij appels plukken): de polis bij Plato, de ziel bij Socrates, de transcendentie bij Augustinus en Max Scheler. Bij dat laatste, de transcendentie, bestaat het kwaad in het niet invullen van het menselijke vermogen om zichzelf te overstijgen. Dit noemt Augustinus "de zonde van de Heilige Geest". Vijftien eeuwen later neemt Albert Einstein deze gedachte over door te benadrukken dat de successen van de natuurwetenschap de mens in de verleiding kunnen brengen om zijn geestelijke dimensie te veronachtzamen. Ook de negentiende-eeuwse Duitse filosoof Schelling had hierin een nieuwe gedaante van het kwaad ontwaard: wie, uit hoofde van zijn vrijheid, beknibbelt op transcendentie, sluit zichzelf op, als een hamster in een rad, en is dus helemaal niet vrij. De Kerk, voor Augustinus een instelling die ons kan beschermen tegen de afgrond in onszelf, is ineengeschrompeld. Ook de staat, die seculiere institutie die teert op de gezamenlijke inlevering van de individuele soevereiniteit, heeft veel aan gezag moeten inboeten. In de politieke sfeer openbaart zich mogelijks wel het duidelijkst de uiteindelijke willekeur van elk onderscheid tussen goed en kwaad. Immers, louter op grond van niet-morele, geopolitieke factoren als volk, natie en tegenwoordig steeds vaker economische entiteit, wordt een morele waardering toegekend: "Deze kant is goed omdát wij erbij horen en de onzen hier zijn." De eenheid, gesteld dat die er ooit is geweest, is voorgoed verdwenen. Maar de mens is altijd blijven dromen van het herstel ervan. Een van Kants bekommernissen was hoe de - hypothetische - verloren eenheid in het politieke zo dicht mogelijk kon worden benaderd. Zijn idee van een federatieve wereldomvattende statenbond leeft vandaag voort in de constructie van de Verenigde Naties. Maar Kant was geen dromer. Wat hij voorstelde, was Realpolitik: we moeten handelen alsof er eenheid mogelijk is. Dat alsof houdt in dat we beseffen dat de verscheidenheid, en dus het kwaad dat schuilt in de vijandelijkheid die daarmee gepaard gaat, uiteindelijk altijd primeert op de eenheid. Een kritiekloos geloof in de eenheid - een geloof dat het alsof vergeet of miskent - is kwalijker. Totalitaire bewegingen bannen het kwaad door alle verschillen te ontkennen. Safranski besteedt opvallend veel aandacht aan denkers die voor deze totalitaire verleiding zijn bezweken. Zijn uitweidingen daarover illustreren overduidelijk dat de bereidheid om (een deel van) de eigen vrijheid uit handen te geven, vaak gevaarlijk dicht bij een of ander totalitarisme komt. WINNEN ALS JE VERLIESTEens de mogelijkheid vervaagt om zich voor het onderscheid tussen goed en kwaad of tussen waar en onwaar te beroepen op een transcendentie, doet de onzin zijn intrede in de geschiedenis. Ook dat is een gedaante van het kwaad en wellicht een van de meest fundamentele. Schopenhauer identificeerde hem als een van de eersten in zijn "Die Welt als Wille und Vorstellung". De moreel indifferente - en in die zin blinde - "Wil" die volgens hem "de volslagen afwezigheid van de geest in de kern der dingen" garandeert, staat diametraal tegenover elke teleologie in opgaande lijn, van kwaad naar goed, van chaos naar orde. De enige uitweg uit dit afgrondelijke levensbesef is de deemoed van contemplatie, ascese, kunst, filosofie. Friedrich Nietzsche zal deze deemoed verwerpen: de waarlijk soevereine mens moet zijn fundamentele onvrijheid ten volle aanvaarden, en het over een andere, dionysische, boeg gooien. Nietzsche wil ons "de kunst onderwijzen hoe je kunt winnen als je verliest". Hij wil "de kracht van het transcenderen bewaren, maar die ombuigen naar de immanentie". Maar, zo voegt Safranski eraan toe, de verwerkelijking door Hitler van Nietzsches "esthetisch-existentiële" denkbeelden zorgt ervoor dat de filosoof-met-de-hamer zijn onschuld heeft verloren. Schopenhauers indifferente "Wil" zal een eeuw later door de existentialisten tot levensgevoel worden gepromoveerd. Bekend is Jean-Paul Sartres beeld van Roquentin, de held van "La nausée", die wezenloos naar de boomwortel zit te staren en wordt overweldigd door de verpletterende zekerheid van de contingentie, dat er geen noodzaak is voor het feit dat de dingen zijn zoals ze zijn en dat de wereld ook zonder onze inbreng onverschillig blijft draaien. Albert Camus noemt het nieuwe levensgevoel "absurd". Hoe is het zover kunnen komen? Wellicht heeft de natuurwetenschap de moraliteit het meest op de proef gesteld. De vernederingen die Copernicus, Charles Darwin en Sigmund Freud de westerse mens hebben aangedaan, bevestigen en versterken het schrikwekkende dat Blaise Pascal had ervaren in "het eeuwige zwijgen" van de "oneindige weidsheid van ruimten waarvan ik niets weet en die niets van mij weten". Voor zover dat nog nodig was, heeft de twintigste eeuw alle illusies over de macht van onze vrijheid over het kwaad vernietigd. Ieper en Verdun luidden "het einde van de illusie van de onstuitbare vooruitgang van de humaniteit" in. En sinds Auschwitz "meten we de vooruitgang van de cultuur af aan de afstand die zij heeft genomen tot de gruwelijke mogelijkheden die ze in zich draagt. We meten haar dus niet meer aan een idee van het volmaakte zijn, maar aan het mogelijke niets van het morele inferno." Safranski herhaalt de beschrijving van Auschwitz als een industrieel uitgevoerde massamoord: planmatig, bureaucratisch, rationeel, efficiënt. "Het was juist die industrieel-bureaucratische tenuitvoerlegging die de drempel van de morele scrupules verlaagde." Dit geeft te denken over het moreel gehalte van ons industrieel-bureaucratisch complex dat zich meer door marktmechanismen dan door morele idealen laat leiden.DE WAARHEID IS WANKELSafranski noemt Hitler "de catastrofe van de vrijheid" omdat hij metterdaad heeft aangetoond dat politiek - en dus ook de moraal, waarvan de politiek een afgeleide is - niet op waarheid hoeft gestoeld te zijn. Wellicht niet toevallig wijdt Safranski onmiddellijk na deze vaststelling een beschouwing aan de moderne media die, zeer verwarrend, verbeelding en werkelijkheid voortdurend door elkaar husselen. Hij lijkt te suggereren dat zoiets een erg gevaarlijk klimaat voorbereidt, omdat massa's erin vatbaar worden voor waanvoorstellingen. Hoe moeten wij in deze tijd omgaan met de vrijheid, wij die geen houvast meer hebben, noch buiten onszelf, omdat zowel de transcendentie als onze instituties afbrokkelen, noch in onszelf, omdat wij moeten erkennen dat wij net als de beulen van Auschwitz in staat zijn om van Hölderlin te genieten terwijl zich om de hoek (of op de buis) de ergste gruwelen voltrekken? Het is zelfs de vraag of - zoals Safranski het enigszins omzwachtelend formuleert - "de basisvoorwaarden van het leven voor de komende generaties inmiddels niet al onherstelbare schade hebben geleden". Safranski is zelf niet gelovig. Toch schrijft hij: "Wie door de goede geesten verlaten is en de goede gronden verloren heeft, moet alles zelf maken. Voor wie ophoudt in God te geloven, blijft er niets anders over dan in de mens te geloven. Daarbij kunnen we tot de verrassende ontdekking komen, dat het geloof in de mens ons misschien lichter viel toen we nog de omweg via God namen." Om te verhinderen dat we ons laten leiden door waanvoorstellingen die, zoals de geschiedenis heeft uitgewezen, tot catastrofes leiden, rest alleen het geloof in de menselijke waardigheid. Dat wist ook Job, die het vertikte zijn geloof in God op te zeggen, ook al was die God ondoorgrondelijk en volstrekt onredelijk. Het is een geloof tegen beter weten in. En vandaag wéten we hoe moeilijk het is een béter weten te verdedigen, omdat waarheid zelf een hoogst wankel begrip is geworden. Safranski betoogt dat het verhaal van Job-op-de-mesthoop ongemeen actueel is. Want dat is de grote uitdaging van onze tijd: leren leven met de realiteit van het absolute kwaad (de holocaust) en de ervaring van contingentie (na de dood van God). Alle geruststellende zekerheden zijn weggevallen. Het enige wat we nog kunnen, "indachtig het kwaad dat we kunnen doen en dat ons kan worden aangedaan", is "proberen te doen alsof een god of onze eigen natuur het goed met ons voorhad". Rüdiger Safranski, "Het kwaad. Het drama van de vrijheid", Atlas, Amsterdam, 304 blz., 1200 fr.Pascal Cornet