Volgens Italiaanse opiniepeilingen is Gianni Agnelli (81) bekender dan de paus. Hij is hoofd van een familie die jarenlang een imperium heeft geleid, waartoe grootwarenhuizen, verzekeringen, elektriciteitscentrales, papierfabrieken en de beste voetbalclub van Italië - Juventus Turijn - behoren. Alles bijeen pakweg vijfhonderd firma's waarvan de aandelen geheel of gedeeltelijk in handen zijn van de familie Agnelli. Maar beroemd werd ze als eigenaar van het grootste aandelenpakket van de Fabbrica Italiana di Automobili Torino. Fiat, zeg maar.
...

Volgens Italiaanse opiniepeilingen is Gianni Agnelli (81) bekender dan de paus. Hij is hoofd van een familie die jarenlang een imperium heeft geleid, waartoe grootwarenhuizen, verzekeringen, elektriciteitscentrales, papierfabrieken en de beste voetbalclub van Italië - Juventus Turijn - behoren. Alles bijeen pakweg vijfhonderd firma's waarvan de aandelen geheel of gedeeltelijk in handen zijn van de familie Agnelli. Maar beroemd werd ze als eigenaar van het grootste aandelenpakket van de Fabbrica Italiana di Automobili Torino. Fiat, zeg maar. De keizer van dat imperium, Gianni Agnelli, bijgenaamd Avvocato, is padre-padrone van de Fiat-clan en jarenlang ongekroond koning van Italië. Life vergeleek hem met Julius Caesar, Paris Match noemde hem 'een generaal' en Time kroonde hem tot 'Florentijnse prins'. Maar Agnelli's rijk staat op instorten. Het industrieconcern Fiat maakte in het tweede kwartaal van dit jaar een nettoverlies van 34 miljoen euro. Vorig jaar was dat voor dezelfde periode nog een winst van 190 miljoen euro. De auto-afdeling van Fiat leed in het eerste kwartaal zelfs een verlies van 429 miljoen euro. Snelle verbetering lijkt er niet in te zitten. Het marktaandeel van Fiat in West-Europa zakte sinds 1990 van 14 naar 9 procent. In Italië zelf van meer dan 50 naar net geen 32 procent. Om die vrije val te stoppen, werden kopers gelokt met lagere prijzen en verkoop op afbetaling. De Italiaanse regering sprong bij met lagere belastingen voor nieuwe auto's die milieuvriendelijk zijn. Zeven grootbanken bleken nog eens bereid om 3 miljard euro herfinanciering goed te keuren. Daarmee wordt hun macht binnen het concern nog groter. Het enige goede nieuws is dat de nettoschuldenlast met 800 miljoen euro verminderde, al blijft ze met 5,8 miljard euro onvoorstelbaar hoog. Fiat zelf vermindert de productie en stuurt 22.000 man (één op de tien van haar werknemers wereldwijd) voor een maand met vakantie. Er zullen jobs sneuvelen, al weet niemand hoeveel. Ondertussen houdt Fiat het hoofd boven water met de verkoop van aandelen. In energiereus Edison, bijvoorbeeld. En 34 procent van Ferrari, dat net met Michael Schumacher wereldkampioen Formule-1 is geworden. De kans zit erin dat Fiat binnenkort gewoon een dependance van het Amerikaanse General Motors (GM) wordt. Sinds 2000 bezit GM 20 procent van de aandelen van de autodivisie. Plus een optie op de rest. De Agnelli's, die ooit 70 procent van de aandelen controleerden, verminderden hun part tot 30 procent. Sinds jaren bouwen ze hun participatie af en investeren het geld in andere industrietakken. Nu zelfs de koning van het 20e- eeuwse kapitalisme vecht voor zijn overleven, lijkt het einde van een economische periode nabij. Vandaag tellen niet meer de familie, maar globale ondernemingen, die winst maken en niet in dromen investeren. Fiat was zo'n droom. Die begon op 1 juli 1899, toen negen jonge mannen in het modieuze Café Burello in Turijn samenkwamen. Ze droomden ervan auto's te produceren en zo Italië en hun eigen leven te veranderen. Een van hen was Giovanni Agnelli, de toen 33-jarige zoon van een grootgrondbezitter. Hij werd snel de baas. Na een geheimzinnige crash van de jonge firma kocht hij alle aandelen van zijn medestichters voor een spotprijs op. Fiat begon te bloeien. Met de winst groeide de politieke invloed. Fiat werd een steunpijler van de staat. De Agnelli's werkten evengoed samen met de fascisten van Benito Mussolini als met de Duitse bezetters en de geallieerde bevrijders. Toen Giovanni I in 1945 stierf, liet hij zijn zeven nakomelingen een bloeiend bedrijf na. Kroonprins was de naar hem genoemde Giovanni, Gianni. Maar de erfenis van zijn grootvader beheren, was hem niet genoeg. Hij werd het toonbeeld van de nieuwe vrijheid, hoofdrolspeler van de jetset vóór het woord bestond. In 1953 trouwde hij Marella Caracciolo di Castagneto, dochter van een Napolitaanse prins. Het paar kreeg een zoon (Edoardo) en een dochter (Margherita) en werd hét onderwerp van de roddelpers. Pas in de jaren zestig begon Agnelli zich voor Fiat te interesseren. Met steun van de naoorlogse Italiaanse regeringen - 'Wat goed is voor Fiat, is goed voor Italië' - zou hij van Fiat de nummer één van Europa maken. In 1966 werd hij bestuurder. In 1970 opende hij in de Sovjet-Unie het industriecomplex Togliattigrad. In Bulgarije, Polen, Joegoslavië en Roemenië werden Fiats in licentie gebouwd. In de jaren tachtig bracht hij met de Panda en de Uno de succesmodellen uit die de Italiaanse markt verder domineerden. Fiat nam Lancia, Ferrari en Alfa Romeo over. Zijn auto's werden voorgesteld door politici en gezegend door priesters. Fiat en staat vielen samen. Maar dat had een prijs. Toen tegen het eind van de jaren zestig in heel Europa de studenten op straat kwamen, werd Fiat het doelwit. Wie de staat wilde treffen, pakte Fiat aan. Tien jaar lang kreeg Fiat te kampen met stakingen, terroristische activiteiten en boycotacties. De Agnelli's wisten wat hun te doen stond. Ze werden links. Ze bonden vakbonden en personeel aan zich met schitterende sociale voorwaarden. Het legde ze geen windeieren. De linkse partijen groeiden en de Agnelli-krant La Stampa werd spreekbuis van de politieke hervormingen die in 1996 uitmondden in de overwinning van de Olijfboomcoalitie van huidig Europees Commissievoorzitter Romano Prodi. Daarvoor had Agnelli de eerste poging van Silvio Berlusconi om het land te regeren getorpedeerd. De rechtse regering zakte in 1994 na zeven maanden in elkaar. Agnelli had de conservatieve bedrijfsleiders verzameld in een bondgenootschap tegen Berlusconi. Links kwam terug in de regering. En Fiat kreeg staatssteun. Tussen 1994 en 2001 kreeg Alfa Romeo in Arese zo'n 400 miljoen euro aan loonsubsidies en korting op de sociale bijdragen. Economische experts schatten dat Fiat in de jongste tien jaar 5 miljard euro staatssteun heeft gekregen. Maar links werd van de macht verdrongen en Agnelli draaide bij. Berlusconi won de parlementsverkiezingen in 2001 en vormde een regering. Met steun van Agnelli. Maar de verandering in het bedrijfsleven kon hij niet zo gemakkelijk bijhouden. Flexibele bedrijven, globalisering en steeds grotere concerns bepaalden nu de concurrentie. De Europese Unie vaardigde almaar meer regels uit. Agnelli weigerde bondgenootschappen en verloor. Het gevolg laat zich uit de beursberichten aflezen: in 2000 had Fiat een beurswaarde van 12 miljard euro. Vandaag is dat nog 5 miljard. De koers is in vrije val. Net als de clan-Agnelli. De familie bestaat nu uit 160 man, die vechtend over straat rollen. De ene groep wil investeren, de andere consumeren. Gianni wil auto's blijven produceren, zijn jongere broer Umberto (68) wil zich op andere branches storten. En er is geen opvolger. Gianni's zoon Edoardo - jaargang 1954 - studeerde filosofie, lanceerde zich in anti-nucleaire acties en verkondigde anti-kapitalistische stellingen. Maar toen hij in Kenia met een hoop drugs werd opgepakt, wendde papa wel alle middelen aan om hem uit de gevangenis te halen. De door Gianni verkozen kroonprins was Giovanni Alberto, zoon van zijn broer Umberto. Maar de pas benoemde opvolger stierf in 1997 aan kanker. Hij was pas 33 jaar. Zo werd John Elkann (27), de zoon van Margherita, de laatste hoop. Maar de familie lag dwars. Te jong, te vriendelijk ook. Niet bestand tegen de druk, zei oom Edoardo. Maar die brak het eerst onder de druk van het familie-imperium. In november 2000 pleegde hij zelfmoord. De patriarch zelf had vijf auto-ongevallen en twee hartoperaties en hij leed aan kanker. Ziek, oud en machteloos geworden, oordelen experts. De politici weten het nu ook: Fiat - of beter Agnelli - is niet meer nodig om Italië te regeren. En blijkbaar ook niet om Fiat te leiden. Op 10 juni trad topman Paolo Cantarella af en gaf daarmee aan dat er een nieuw tijdperk aanbrak. Maar een duidelijker teken was dat de familie alleen vertegenwoordigd werd door John Elkann, bleek, bang en machteloos. Caesar zelf lag in New York in het ziekenhuis en wilde of kon niet ingrijpen. 'Wat goed is voor Fiat, is goed voor Italië.'