Vandaag, woensdag 21 mei, begint de finale van de Koningin Elisabethwedstrijd voor zang. Zonder Belgen. Die vielen er in de voorronde en de halve finale al uit. Is dat erg? Vooral voor de wedstrijd, want zonder Belgen spreekt die het publiek prompt al minder aan. Voor de rest? Ach, slagen of niet slagen hangt van zoveel parameters af; dit is voor de kandidaten niet het ultieme verdict. Zonder wedstrijd kun je óók carrière maken, bewees de sopraan Hendrikje van Kerckhove. Maar het helpt. Veel van de laureaten van voorbije wedstrijden komen we nog altijd tegen in het reguliere concertleven.
...

Vandaag, woensdag 21 mei, begint de finale van de Koningin Elisabethwedstrijd voor zang. Zonder Belgen. Die vielen er in de voorronde en de halve finale al uit. Is dat erg? Vooral voor de wedstrijd, want zonder Belgen spreekt die het publiek prompt al minder aan. Voor de rest? Ach, slagen of niet slagen hangt van zoveel parameters af; dit is voor de kandidaten niet het ultieme verdict. Zonder wedstrijd kun je óók carrière maken, bewees de sopraan Hendrikje van Kerckhove. Maar het helpt. Veel van de laureaten van voorbije wedstrijden komen we nog altijd tegen in het reguliere concertleven. Met z'n twaalven stonden ze vorige week bij afloop van de halve finales op het podium. Twee Zuid-Koreanen, twee Françaises, twee Canadezen, een Russische, een Britse, een Hongaar, een Wit-Rus, een Georgische en een Poolse. Al met al een mooie spreiding van kandidaten van over de hele wereld, met het zwaartepunt in het Oosten. Ter troosting voor de Belgen: er waren ook geen Nederlanders, Duitsers of Oostenrijkers - traditioneel toch vooraanstaande zanglanden. Wanneer je naar al die mensen uit het oude Oostblok luistert, voel je al onmiddellijk dat ze nogal gehandicapt zijn door het reglement. Daarin wordt van hen gevraagd om naast ander werk ook een Franse melodie en een Duits lied te presenteren. Niet zo eenvoudig om op een aanvaardbare manier in die heel eigen wereld van lied en chanson door te dringen. De vraag is volkomen terecht, natuurlijk. Een zanger van deze tijd moet zich een cultuur eigen kunnen maken. De indruk bestaat wel dat de jury daar ook niet zo zwaar aan tilt. Ze geeft de indruk dat ze meer om vocale kwaliteiten bekommerd is dan om de intellectuele diepgang en het raffinement van de kandidaten. Misschien denken ze wel: dat komt nog. Ofwel is voor de jury - en dat is een veelkoppig monster - het lied niet zo belangrijk. Sommige kandidaten maakten van dit culturele nadeel een voordeel. Ze zetten op hun programma muziek uit eigen land. Daardoor kregen we van de kandidaten uit de oude Sovjetrepublieken de allermooiste Russische muziek te horen. Of een simpel nationaal lied uit Korea door Jung Nan Yoon. Er is durf nodig om daarvoor uit te komen. Misschien kan de wedstrijd alleen maar mooier worden als er een beetje minder eurocentrisch zou worden gedacht. Tijdens zo'n wedstrijd word je geconfronteerd met totaal andere en verrassende inzichten in muziek. Of met manieren van zingen die allang verloren leken. De Wit-Russische tenor Yury Haradzetski is zo iemand. Hij zingt onverbloemd zoals onze ouders of grootouders dat in het begin van de jaren vijftig zo mooi vonden. Met grote uithalen, met de tempowisselingen en glijders, de snikken in de stem, zoals de grote Italiaanse tenoren dat toen ook deden. Maar wel met een specifiek Russische stem. Hij zong alles alsof het opera was - liederen, Bach. Maar hij zong een zeer mooie Tsjaikovski. Nieuw in het reglement is dat de barokmuziek niet meer dwingend is. Dat is een zegen voor de gemiddelde zanger, want met die nevenactiviteit (die overigens niet zo gemakkelijk onder de knie te krijgen is) valt niet het grote geld te verdienen. Het nadeel is natuurlijk dat het muziekaanbod nog meer geglobaliseerd wordt. Hoe vaak hebben we in de halve finale niet dezelfde aria's te horen gekregen? Het zal wel met de opleiding te maken hebben: over de hele wereld studeren we dezelfde muziekstukken in. Ergerlijk wordt het wanneer een kandidaat zich dan wél op het barokgenre stort maar die cultuur niet beheerst. Op de 24 halvefinalisten waren er maar drie die een beetje stijlinzicht in die materie bezaten, drie die in staat waren een versiering correct aan te brengen, bijvoorbeeld. Nog een reglementswijziging: tot nu toe duurde het vier jaar voor een zanger aan de beurt kwam. Dat is lang in een zangerscarrière, waardoor de zangers tussen de bedrijven door al naar werk uitkijken. En eens ze bezig zijn, wordt het te heikel om nog het risico te lopen te falen. Daarom is de cyclus piano-viool-zang van de Elisabethwedstrijd vanaf nu driejaarlijks. Voorheen zat er in de cyclus nog de discipline compositie tussen. Dat was telkens een 'stil' jaar. Er werden partituren ingezonden, die werden gejureerd door een soms briljante jury met een internationale reputatie, de prijs werd toegekend en... niemand hoorde nog iets van de laureaat of zijn compositie. Dat jaar valt dus weg. Misschien kunnen de goede zangers nu vlotter gedetecteerd worden. Zingen is overtuigen. Dat kan gebeuren met subtiele of met harde argumenten. Het is verbazingwekkend hoeveel zangers van dit niveau kiezen voor de harde argumenten. Die bestaan vooral uit luid zingen. Sommige kandidaten kennen slechts één volumeniveau. Ze klimmen van het begin van hun optreden naar fortissimo en blijven daar hangen tot het gedaan is. Alsof zingen een zware olympische discipline is, waarbij je alleen kunt winnen door zo hard mogelijk te gaan. De Poolse Bernadetta Grabias is daar een voorbeeld van. Niet dat ze een slechte zangeres zou zijn, alleen hoeven operadirecteurs haar later niet in te zetten voor het meer genuanceerde werk. Wie wel zin hadden voor opbouw, klemtonen, nuances waren de Canadese mezzo Michèle Losier, de Georgische Anna Kasyan en de Franse Isabelle Druet. Voor hen lijkt zingen zeer eenvoudig en vanzelfsprekend. Een uitermate goede gelegenheid om te horen waar zangers naartoe wilden, was het verplichte werk, besteld bij componist Wim Henderickx. Hij koos als tekst een somber sonnet van Petrarca, het verslag van een eenzame tocht. Ooit al door Haydn en Schubert op muziek gezet. De muziek die hij schreef was zeer Italiaans; niet die van de veristische opera, maar van de desolaatheid van de schilderijen van Giorgio de Chirico met hun onbarmhartige lichtinval en scherpe slagschaduwen. Met dat sobere materiaal moesten de zangers aan de slag, en moesten ze de bedoelingen van de componist zien te achterhalen. Dat gebeurde op 24 manieren. Sommige interpretaties waren helemaal uitgevlakt: die zochten naar de precisie, de zuiverheid. Bij anderen hoorde je flarden Japanse muziek. Nog anderen maakten er dan weer een expressionistisch of neoclassicistisch toneeltje van. Veel van de zangers die we hoorden willen absoluut naar de opera. Henderickx componeerde alvast een werk waar je niet op uitgeluisterd raakt. De zaal van het conservatorium is perfect voor dit soort wedstrijden. Het juiste formaat, een goede akoestiek, gezellig. Máár: ze is oud en onderkomen. Er is een actie bezig om de restauratie aan te vatten. Ondertussen verdwaalde, waarschijnlijk door gaten en kieren, een zwaluw in de zaal. Tijdens het optreden van de Belgische Iris Luypaers scheerde die af en aan. Over de hoofden van de luisteraars, de loges in en uit, over het podium. Luypaers raakte niet van slag. Dat had toch een paar punten extra mogen opleveren. Misschien is de wedstrijd van volgend jaar de gelegenheid om de zaal vogelvrij te maken? Over de wedstrijd wordt gezegd dat de impresario's erop afkomen. Niet alleen zij. In de jury zitten traditioneel operadirecteurs: Marc Clémeur nu nog van de Vlaamse Opera, Serge Dorny van de opera van Lyon, en Peter de Caluwe van de Munt. Zij luisteren ongetwijfeld met bijzondere aandacht naar sommige kandidaten met het oog op volgende producties. In de zaal zitten vertegenwoordigers van de impresariaten. Die komen alleen luisteren of een kandidaat hen past of niet. Als dat niet zo is - en dat weet een professionele luisteraar al snel -, dan verveelt zo'n man zich. Die kijkt rond, die begint in zijn boekentas te graaien, die zucht, die vouwt folders tot waaiertjes om de hitte te temmen. Die zegt hardop: 'De pianist, die was wel goed!' De fauna en flora van elke wedstrijd. Het fraaie van deze wedstrijd is ook het publiek. Is het Brusselse publiek bekend om zijn gekuch en gehoest tijdens concerten - het lijkt soms wel een sanatorium -, dan kun je hier een speld horen vallen. Het publiek is geconcentreerd aandachtig. De laatste galm moet uit de piano verdwenen zijn voor het eerste applaus komt. Wat ook mooi is, is hoe de luisteraars elk met hun programmaboek voor zich ijverig noteren. Tijdens de pauze worden papieren uitgewisseld, vergeleken, bediscussieerd. Misschien valt er links of rechts wel wat snobisme te noteren, maar wat we hier zien zijn toegewijde, zelfs verlichte liefhebbers. Die blijkbaar ook niet het gewone concertpubliek zijn. Want er ging tijdens de halve finales geen dag voorbij of het was een geharrewar van jewelste van mensen die niet wisten dat stoelen nummers hadden en die door de rechtmatige eigenaars van hun plaats werden verjaagd. Net op tijd voor de finale.WWW.CMIREB.BE LUCAS HUYBRECHTS BLOGT DAGELIJKS TIJDENS DE FINALE VAN DE KONINGIN ELISABETHWEDSTRIJD. ZIE WWW.KNACK.BEDOOR LUCAS HUYBRECHTS