De Franse minister van Buitenlandse Zaken Couve de Murville had in zijn tien jaren aan de Europese vergadertafels (1958-1968) permanent ideologische aanvaringen met zijn Belgische en Nederlandse collega's. Het nationalisme van zijn baas Charles de Gaulle botste met een (vermeend) Europees idealisme in Brussel en Den Haag. Van de Belgen, met hun twee taalgemeenschappen en flinterdunne nationale gevoel, kon Couve de 'supranationale cultus' wel navoelen. Daarentegen stelden de Nederlanders, die over een sterk nationaal bewustzijn beschikten, hem voor een raadsel. 'Het is moeilijk te begrijpen', schreef Couve in zijn memoires, 'waarom de politieke partijen in Den Haag zo gehecht zijn aan de supranationale theologie'.
...

De Franse minister van Buitenlandse Zaken Couve de Murville had in zijn tien jaren aan de Europese vergadertafels (1958-1968) permanent ideologische aanvaringen met zijn Belgische en Nederlandse collega's. Het nationalisme van zijn baas Charles de Gaulle botste met een (vermeend) Europees idealisme in Brussel en Den Haag. Van de Belgen, met hun twee taalgemeenschappen en flinterdunne nationale gevoel, kon Couve de 'supranationale cultus' wel navoelen. Daarentegen stelden de Nederlanders, die over een sterk nationaal bewustzijn beschikten, hem voor een raadsel. 'Het is moeilijk te begrijpen', schreef Couve in zijn memoires, 'waarom de politieke partijen in Den Haag zo gehecht zijn aan de supranationale theologie'. Als de Fransman heden ten dage het politieke toneel had kunnen bekijken, zou hij opnieuw verbaasd zijn. Terwijl België het vizier onveranderd op Europa hield, vond in de Nederlandse publieke opinie een radicale omwenteling plaats, sluimerend sinds de jaren negentig en bekrachtigd in het 'nee' van 2005 tegen de Europese grondwet. Sindsdien is op het Haagse Binnenhof wantrouwen jegens 'Brussel' de leidraad en gaat het debat over wat de Unie niet mag doen. De Belgisch-Nederlandse samenwerking in Europa is altijd meer een gelegenheidscoalitie van kleintjes geweest dan een hecht verbond. De vorige week door de premiers Yves Leterme en Jan Peter Balkenende gemaakte afspraak die samenwerking te intensiveren, zal er weinig aan veranderen. Daarvoor lopen de Europese intuïties van beide landen te ver uiteen. Grote uitzondering is het 'Benelux-memorandum' van april 1955. Hierin ontmoette het plan voor een gemeenschappelijke markt van de Nederlandse minister Johan Willem Beyen op het juiste moment de Europese dadendrang van zijn collega Paul-Henri Spaak. Het betekende de beslissende opmaat tot het Verdrag van Rome (maart 1957), dat vorig jaar groots werd herdacht. Treffend is hoe verschillend beide landen terugkijken op dat grote succes, afgaande op enkele boeken die - met enige vertraging - verschenen naar aanleiding van genoemd jubileum van het Verdrag ter oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). België eert een drietal politici dat zowel nationale als Europese verantwoordelijkheden heeft gedragen: Rey, Snoy, Spaak: fondateurs belges de l'Europe heet de ietwat deftige aan drie oud-ministers gewijde bundel. In Nederland daarentegen is en blijft Beyen bij het grote publiek onbekend en gaat de aandacht uit naar een lobbyist voor de 'Verenigde Staten van Europa', van wie dagboeken en een eerste biografie verschenen, Max Kohnstamm. De drie Belgen vormden een trio dat elkaar in de jaren 1955-1957 goed aanvulde. Paul-Henri Spaak (1899-1972), de socialistische minister van Buitenlandse Zaken, was de grootste. Hij is de enige die ook buiten eigen land als Mr. Europe wordt geëerd - als aanjager, redenaar, onderhandelaar van het EEG-verdrag. Jean Rey (1902-1983), protestant en liberaal minister van Economie, had bij de onderhandelingen geen hoofdrol maar werd wel lid van de nieuw opgerichte Europese Commissie en in 1967 - als eerste en tot nu toe enige Belg - Commissievoorzitter. Jean-Charles Snoy et d'Oppuers (1907-1991) was een pilaar van de naoorlogse federale ambtenarij, secretaris-generaal van Reys ministerie en nummer twee van Spaak bij de verdragsonderhandelingen in Hertoginnedal. In 1959 verruilde hij onverwacht de publieke dienst voor de groep-Lambert, maar een tiental jaren later werd hij minister van Financiën voor de christendemo-craten. Zelfs de grote Europeaan Spaak had te kampen met nationale hindernissen op weg naar de roem. Hij had de thuisbasis enigszins verwaarloosd. Nadat de onderhandelingen tussen de 'Zes' zo goed als voltooid waren, keerde Spaak desperaat terug van een onderhoud met koning Boudewijn. De vorst weigerde de goedkeuringswet voor het Europese verdrag te paraferen. Snoy, goed bekend met hofkringen, werd op onderzoek uitgezonden. Het probleem bleek te zitten bij de eerste minister. Premier Achille Van Acker, een partijgenoot van Spaak, was tegen ondertekening omdat hij meende dat België te veel constitutionele bevoegdheden zou afstaan. In een onderhoud à trois met Van Acker dreigden de socialist Spaak en de liberaal Rey beiden uit de regering te stappen en nog die middag een debat in het parlement aan te vragen. Hiervoor zwichtte de 'souvereinistische' premier. Dat waren nog dagen, dat de Europese politiek ook in België partijen uiteen vermocht te scheuren! De continuïteit in de Belgische Europapolitiek is opvallend. Leidende politici vormden hun denkbeelden al in het interbellum, als reactie op de Eerste Wereldoorlog. (Ook hier een verschil met Nederland, dat zich in 1914-1918 neutraal had weten te houden.) Alleen de historische missie van het eigen land als brug tussen Germaanse en Romaanse culturele tradities, eens zelfbewust uitgedragen, wordt inmiddels wat verwaarloosd... Maar leest men hoe Spaak insisteert op Europese meerderheidsbesluitvorming als absolute voorwaarde voor een werkbare Gemeenschap, dan zijn het woorden die Jean-Luc Dehaene of Guy Verhofstadt klakkeloos hadden kunnen overnemen. En mocht de Unie na het Lissabonverdrag nog eens aan het gezamenlijke fundament gaan sleutelen, dan zal ook Leterme dit refrein ongetwijfeld herhalen. Vergeleken bij deze Belgische continuïteit stelt de Nederlandse omslag ons voor een groter raadsel. Wie de Nederlandse gehechtheid aan, dan het loslaten van de Europese heilsverwachting wil begrijpen, vindt in leven en werk van Max Kohnstamm een prachtig startpunt voor reflectie. Kohnstamm (geboren in 1914) is de beste en invloedrijkste Europese zendingswerker die Nederland heeft voortgebracht. Geïnspireerd door grondlegger Jean Monnet lobbyde hij van begin jaren vijftig tot einde jaren tachtig achter de schermen bij vooral Duitse, Franse, Nederlandse en Belgische regeringsleiders, partijbazen, vakbondsleiders en werkgevers voor de 'Europese constructie'. Hij roept zowel bewondering als irritatie op. Zo schreef voormalig eurocommissaris Frits Bolkestein na een ontmoeting met Kohnstamm 'allergisch' te zijn voor diens 'eurogezwijmel'. De inmiddels 93-jarige belichaamt kracht en zwakte van het Nederlandse supranationale idealisme. In de biografie Max Kohnstamm: leven en werk van een Europeaan houden auteurs Harryvan en Van der Harst de hoofdlijn goed vast. Max was een kind van de Amsterdamse burgerlijke elite. Vader Philip was een gezaghebbend publicist en hoogleraar, die zich, jood zijnde, tot het protestantisme had bekeerd. Moeder An, protestant, was een dochter van een Shelldirecteur. Tijdens de oorlog zat Max wegens anti-Duitse studentenactiviteiten twee jaar in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. In 1945 werd hij particulier secretaris van koningin Wilhelmina, na haar aftreden ambtenaar op Buitenlandse Zaken. Zo raakte hij in juni 1950 namens Nederland betrokken bij de onderhandelingen voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de vroegste voorloper van de Europese Unie. Tijdens die Parijse onderhandelingen nam Kohnstamms leven een beslissende wending. Hij raakte intellectueel verleid door Jean Monnet, de Franse delegatieleider. Die meende het natio- nalisme en de traditionele machtspolitiek tussen staten te kunnen uitbannen dankzij een stap voor stap te verwezenlijken Europese federatie. De mijnbouwgemeenschap, in 1952 door zes landen opgericht, was slechts het begin. Kohnstamm wilde aan dit ideaal meebouwen. Hij verliet de nationale dienst en werd rechterhand van Monnet op het mijnbouwhoofdkantoor in Luxemburg. Toen de Fransman - in die dagen net als Kohnstamm niet geliefd bij de eigen regering - in 1955 meende de Europese zaak beter te kunnen dienen als onafhankelijk lobbyist, volgde Kohnstamm hem opnieuw. Hij sloeg er het burgemeesterschap van Amsterdam (!) voor af. Twintig jaar werkte hij voor Monnets 'Actiecomité voor de Ver-enigde Staten van Europa'. Nadien was Kohnstamm onder meer president van het Europees Universitair Instituut in Florence en oprichter van een tweede Actiecomité. Toplobbyisten, dat waren de Monnetmannen. Het ging om public relations en uitoefening van politieke druk. Het Actiecomité bond partij- en vakbondsleiders in heel Europa. Monnet zelf had een fabuleus netwerk, dat dreef op contacten in Washington. Wanneer men in Den Haag (of Brussel of Bonn) talmde met steun aan een volgend stapje in de Europese eenwording, kon het gebeuren dat de Amerikaanse ambassadeur telefoneerde: zou mijnheer Luns (of Spaak of Adenauer) de zaak niet heroverwegen? Kohnstamm, die vloeiend Duits sprak, 'deed' met name de Duitse en Nederlandse contacten van Monnet. In Bonn genoot hij groot aanzien. Harryvan en Van der Harst hebben de valkuil van het heiligenleven vakkundig vermeden. Het eindoordeel wordt aan de lezer overgelaten. Subtiel ingebracht is het contrast Dirk Spierenburg - Max Kohnstamm. In 1950 waren zij beiden lid van de Nederlandse delegatie bij de mijnbouwonderhandelingen. Chef Spierenburg had op instructie van Den Haag harde aanvaringen met voorzitter Monnet en betichtte hem van 'dictatoriale opvattingen'. Hij was de scherpe woordvoerder van een gezamenlijk Beneluxfront tegen mogelijke Frans-Duitse dominantie. Het was Spierenburg die met steun van België bewerkstelligde dat er een Raad van ministers kwam, waarvoor in de oorspronkelijke Franse opzet geen plaats was. Nummer twee Kohnstamm herinnert zich geen ruzies tussen Monnet en Spierenburg. Hij vertelt liever hoe minister Schuman eens bij de onderhandelaars kwam binnenlopen, in een hoek ging zitten en zweeg. Na een uurtje vertrok Schuman met de woorden: 'Ik zie dat u niet onderhandelt, maar in gesprek bent. Heel goed.' Deze typische Kohnstammanekdote is vervuld van de esprit communautaire, de Europese geest. Voor conflicten - en voor onderhandelingen om die op te lossen - is in deze visie geen plaats. Wie een probleem maakt, is geen goed Europeaan. Het is 'Europa' als moreel en/of technocratisch gelijk. In tegenstelling tot de biografen doet de bezorger van De Europese dagboeken van Max Kohnstamm, de Utrechtse politicoloog Segers, een manmoedige poging het succes van diens lobbyactiviteit te traceren. Dit is lastig, want zulk werk achter de schermen is ongrijpbaar. De gedreven bezorger concentreert zich op de Duitse standpuntbepaling in de onderhandelingen van het Verdrag van Rome. Kohnstamm zat toen via Adenauers kroonprins Franz Etzel in het web van de Duitse Europa-politiek. Zijn notities werden tot in de ministerraad voorgelezen. Een conflict tussen voorstanders van economische liberalisering à la Londen enerzijds en een historische verzoening met de Fransen anderzijds werd dankzij Etzels interventie bij de bondskanselier beslist ten gunste van de laatsten. Victoire totale, noteert Kohnstamm op 31 oktober 1956. Het opende de weg naar 'Rome 1957'. Het dagboek is geen 'leesboek'. Het biedt wel een onvervangbaar beeld van Kohnstamms koortsachtige reis-, bel- en dicteeractiviteit. Voor kenners en onderzoekers bevat het prachtig materiaal. Een fragment van 13 september 1956, ten tijde van de onderhandelingen over het verdrag van Rome: ' [Spaak] is ten einde raad. Conferentie komt niet verder. Duitse delegatie onmogelijk. Zal Uri inschakelen. Link Monnet-Spaak zeer goed gelegd. [... ] Naar Adenauer. Ik tolk zo wat. Adenauer goed. Wat een kop.' Tevens geeft het dagboek zicht op Kohnstamms diepste drijfveer. Zijn doel was niet een Europese (super)staat. Hij was daar zelfs fel tegen! Het zou slechts de oude oorlogen tussen natiestaten op grotere schaal herhalen. Nee, de inzet was een ' transformatie [van de] relatie [tussen] volkeren. Dat is het echte nooit eindigende doel'. (19 oktober 1956). Hij noemt dan Engeland, Scandinavië, Polen, Afrika. Voor Kohnstamm is Europa het voorportaal van de wereldvrede. Is deze vredestheologie typisch Nederlands? Het interviewboek La genèse des Traités de Rome, eind vorig jaar verschenen, maakt een verdere ruwe toetsing mogelijk. Het bevat achttien gesprekken, afgenomen in 1984, met deelnemers uit de zes landen aan de onderhandelingen van het Verdrag van Rome. Onder de Nederlandse geïnterviewden vindt men, behalve opnieuw Kohnstamm, de diplomaten Ernst van der Beugel en Johannes Linthorst Homan. Van Belgische zijde zijn er Robert Rothschild, destijds kabinetschef van Spaak, en opnieuw Snoy. Men voelt op elke pagina hoe de oprichting van een gemeenschappelijke markt voor alle zes landen eigen voor- en nadelen zou brengen. De Duitsers zagen exportmogelijkheden. Voor de Italianen betekende het economische steun. Voor de Fransen een uitbouw van eigen macht en landbouwsubsidies. De Nederlanders ijverden voor supranationale instellingen, zolang het hun paste. Met schaamte vertelt onderhandelaar Linthorst hoe hij van Den Haag inzake transportbeleid het vetorecht moest eisen - gegrinnik bij de andere vijf, die wisten dat Nederland op dat punt zonder veto zou worden overstemd. Bij alle warme herinneringen en onderlinge solidariteit weerspreken de getuigenissen van deelnemers het Schuman-Kohnstammideaal van conflictloze speurtocht naar het Europese belang. In het Hertoginnedal werd soms bikkelhard gestreden. De grootste ruzie ging tussen Frankrijk en België enerzijds (wat de positie van voorzitter Spaak delicaat maakte) en Duitsland en Nederland anderzijds. De Fransen wensten opname van de overzeese gebiedsdelen in de Europese markt. Duitsland was tegen - het haalde liever goedkope bananen uit Zuid-Amerika dan dure uit Frans Afrika. Op het niveau van ambtenaren en ministers was de zaak geblokkeerd en de regeringsleiders moesten de knoop doorhakken. Dit leidde tot de eerste Europese 'top', in februari 1957 in Parijs. Nog kwamen de delegaties er niet uit. Tot op een goed moment de Franse premier Mollet bondskanselier Adenauer bij de arm nam voor een wandelingetje in de tuin van zijn ambtswoning Matignon. Commentaar van de aanwezige Snoy: 'Elke stap die Adenauer zet kost hem 100 miljoen mark.' Laten we zeggen: een goed Europees gesprek. Van allen tonen de Belgen misschien het diepste besef van Europese politiek. Uit handelsmotieven, zeker, maar ook uit verlangen naar een stabiele continentale orde. Zo klinkt bij baron Snoy zelfs het vredesideaal minder theologisch dan bij Kohnstamm, eerder praktisch: ' Wij hadden er schoon genoeg van te dienen als slagveld voor de oorlogen tussen Frankrijk en Duitsland, die ons niets aangingen en elke keer verschrikkelijke verwoestingen brachten.' In België zijn de nationale economische én politieke belangen op natuurlijke wijze verweven met Europese belangen. In de Nederlandse bestuurscultuur daarentegen raakte Europa als abstract ideaal losgekoppeld van de binnenlandse politiek. Het is geen toeval dat veel Belgische oud-premiers ook bij de partnerlanden als 'grote Europeaan' gelden (Spaak, Tindemans, Dehaene, Verhofstadt), terwijl geen van de Nederlandse minister-presidenten (Drees, Den Uyl, Lubbers, Balkenende) ooit een beslissende impuls gaf aan de gezamenlijke Europese club. Inderdaad, de Kohnstammen zwiepten het Hollandse euro-idealisme op, maar de Haagse gezagsdragers gaven het vrij spel. Hier zit wellicht een sleutel tot zowel de gehechtheid aan als het snelle afscheid van de supranationale cultus in Nederland. Men kan het perplexe buitenstaanders à la Couve aldus uitleggen. Nederland is een land van koopman en dominee. Gevolg één: zolang er meer geld uit Europa binnenkwam dan men betaalde (hetgeen dankzij de landbouwsubsidies voor Nederlandse boeren decennialang het geval was) klonk de zalvende stem van de dominee. Gevolg twee: toen het land in de jaren negentig 'nettobetaler' werd, begon de koopman te mopperen; tegen 2005 had die het hoogste woord. Deze clichématige redenering is verleidelijk en misschien juist. Wel laat ze het stille verbond van zendingsdrang en handelsgeest onweersproken. Voor Belgen, Fransen, Duitsers en anderen is Europa meer dan de schijntegenstelling 'idealen' versus 'geld', maar een gezamenlijke politieke orde. Hoe de Hollandse slingerbeweging tussen dominee en koopman - tussen 'Kohnstamm' en 'Bolkestein' - te stuiten? Hier leren de Belgen een les. Het vraagt een door nationale politici geloofwaardig uitgedragen verbinding van nationale belangen met Europese belangen. DOOR LUUK VAN MIDDELAAR