Alstein, 'De vermiste wereld. Notities 1997-2003', Wereldbibliotheek, Amsterdam, 79 blz., euro 10,50 Alstein, 'Het uitzicht op de wereld',Wereldbibliotheek, Amsterdam, 224 blz., euro 10,50
...

Alstein, 'De vermiste wereld. Notities 1997-2003', Wereldbibliotheek, Amsterdam, 79 blz., euro 10,50 Alstein, 'Het uitzicht op de wereld',Wereldbibliotheek, Amsterdam, 224 blz., euro 10,50 Wereldliteratuur. Voor niets minder doet hij het. Elke tien jaar publiceert Alstein - in het echte leven Marc van Alstein (1947) - een bescheiden brevier vol uitgepuurde notities waarin niet hijzelf centraal staat, maar alles wat zich rondom hem afspeelt. Het begon in 1987 met De uitgedaagde werkelijkheid. Tien jaar later gaf hij zichzelf als vijftiger rendez-vous met De engel van Simberg of is dit nu de wereld? En nu staat hij zelfs voor op zijn publicatieschema. Hij is immers nog geen zestig - er is 'slechts' acht jaar verstreken sinds zijn laatste boek - en toch is daar al De vermiste wereld, het derde deel van zijn hoogst eigenzinnige dagboekoverpeinzingen. Ook nu probeert het hij-personage klankbord te worden van wat hem aan gedachten en indrukken vanuit de wereld aanwaait. Die treffende inzichten en intense beelden worden je als auteur niet zomaar in de schoot geworpen. Alstein werkt met zijn aforistische literatuur aan een contemplatief bestaan waarin stilte, 'ontzelving' en afzondering de sleutelwoorden zijn. Een hele verademing voor wie genoeg heeft van de tafelspringers van het moment of de breed in de markt gezette poeha-literatuur. Een kwarteeuw geleden was hij met deze bescheiden, meditatieve opstelling het boegbeeld van wat smalend 'de stille generatie' werd genoemd. In deze tijden van onthaasting ontpopt hij zich ongewild tot literair woordvoerder van al wie op zoek is naar meer levenskwaliteit, zoals dat heet. Alstein was van het begin af aan voltijds schrijver en bleef in de luwte van de media-aandacht geduldig vijlen aan zijn literaire levenskunst, die nu eens stoïcijns dan weer verwonderd of poëtisch tegen het leven en de dingen aankijkt. Dat hij ook een knap romanschrijver is, bewijst de heruitgave van Het uitzicht op de wereld uit 1984. In deze zoektocht naar zijn adellijke familieroots diept Alstein twee flamboyante figuren uit het archief op. Eerst is daar grootvader Gustave die de Eerste Wereldoorlog op onvergelijkelijke wijze in beeld brengt en vervolgens zoomt de verteller in op de achttiende-eeuwse avonturier en slavenhaler Pierre-Ignace van Alstein die in de troebelen van de Franse Revolutie ten onder gaat. Ook hier tracht Alstein door zijn onnadrukkelijke stijl de personages zelf hun kleurrijk verhaal te laten vertellen. ALSTEIN: Ach ja, ik stam uit een burgerlijk Antwerps milieu vol Franstalige cultuur en middenstanders. Het was de bedoeling dat ik de winkel voor de verkoop van kinderkleding aan de Sint-Jacobsmarkt die al enkele generaties werd doorgegeven, zou overnemen. Lang voor de Hema's, de P&C's en de C&A's moest je voor degelijke kinderkleding bij een Van Alstein zijn. Dan had ik nu in een villa gewoond en een boot gehad. Maar ik voelde er niets voor om in de zaak van mijn vader, grootvader en overgrootvader te stappen. ALSTEIN: Mijn overgrootvader was een haveningenieur die elke week trouw naar de loge ging. Mijn grootvader schoot ooit op de maîtresse van zijn vader. We woonden in een herenhuis en er werd thuis Frans gesproken. Mijn vader was de eerste in de familie die de laatste twee jaar van zijn humaniora in het Nederlands les heeft gekregen. Mijn wieg stond bij wijze van spreken naast de bibliotheek, zoals Charles Baudelaire dat ergens zegt, een bibliotheek vol met Franstalige boeken dus. Ik heb dan ook niets gemeen met la Flandre profonde. Ik voel geen affiniteit met wat andere Vlaamse auteurs schrijven. Het lijkt wel een andere planeet waar zij het over hebben. Voor mij als stadsjongen was het lente als de tramconducteur de deuren van de tram liet openstaan. Nu zoek ik graag de natuur op, want daar ben je eigenlijk op de juiste plaats en voel je je heel klein tegenover die grote werkelijkheid. Als je vijf of zes uur stapt, loopt je geest helemaal leeg en kijk je heel anders tegen de wereld aan. Alles valt dan van je af. ALSTEIN: Ik ga toch niet elke twee jaar weer hetzelfde boek maken? Marguerite Yourcenar heeft die heilloze herhalingsdwang bij sommige schrijvers treffend aan de kaak gesteld. Een schrijver maakt een prachtig verhaal over een liefde tussen een man en een vrouw ergens in Bretagne. Twee jaar later publiceert hij een roman met daarin een liefdesverhaal tussen een vrouw en een vrouw in de Auvergne. En drie jaar later gaat het om een man en een man ergens in de buurt van Lyon. Laat het dan toch bij dat ene, eerste boek en werk die andere jaren in stilte voort aan iets nieuws. In een van mijn notities vertel ik over Joseph Brodsky en hoe hij na twee weken verblijf in een doods Venetië als een monnik opnieuw helemaal leeg wordt en zich zo ontzelvigt. Er is te veel ik in deze maatschappij en in de media. Zelfingenomenheid en ijdelheid zijn stoorzenders tussen jezelf en de werkelijkheid. Het komt erop aan om zo onbevangen mogelijk te kijken naar hetgeen er rondom ons gebeurt. Puur de wereld schilderen, zoals ze is, op de manier van Piero della Francesca. ALSTEIN: Voor mij is het meer een mystieke manier om naar de dingen te kijken en ze ook te voelen. Mijn personage wil via zijn notities samenvallen met de wereld die hij beschrijft. Dat is een ervaring van eenheid, van volheid, van het ongedaan maken van een breuk tussen jezelf en het andere. Je gaat op in iets groters dat zin geeft. Je krijgt een gevoel van verbondenheid. Noem het misschien atheïstische religiositeit. Je kunt het niet zo direct vertellen wat het is. Het is het paard in de mist, zoals in een van mijn stukjes. Plots ziet hij dat paard uit de nevel opdoemen en voelt hij zich dichter bij de kern van zijn bestaan. Schrijven is een oefening in onbevangenheid en zelfrelativering. Op die manier komen er vanzelf mooie, interessante beelden waar je als schrijver iets mee kunt doen. ALSTEIN: Alstein is mijn betere ik. Hij is veel wijzer dan Marc van Alstein. Hij doet de domme dingen niet die ik wel eens doe. Ik wil in mijn geschriften absoluut niet bewijzen dat ik een mens ben met heel lage instincten of dat ik het soms moeilijk heb. Dat is toch vanzelfsprekend. Dat gekoketteer met het lijden aan het leven of de liefde, is pure romantiek waar ik als schrijver niets mee opschiet. Vandaar dat ik geen onthullingen doe over mijn privé-leven. Ik hou het bij Peter Sloterdijk die ooit opmerkte dat je in de hedendaagse literatuur overal inkijk krijgt maar nergens inzicht. Ik wil met deze dagboeknotities inzicht geven in een bepaalde manier om in de wereld te staan, een verstilde en aandachtige manier. Ik wil mij concentreren op het essentiële zonder te vaag te worden, want dan krijg je algemeenheden in de trant van Bond zonder Naam. ALSTEIN: De wereld is niet gemaakt om er als schrijver bekend in te worden. Een schrijver moet niet op zoek gaan naar zijn lezer maar de lezer, omgekeerd, naar zijn schrijver. Ik heb als lezer vroeger Montaigne ontdekt terwijl Montaigne toch nooit iets heeft geschreven met de bedoeling dat ik het ooit zou lezen. Als schrijver moet je rond je dertigste stoppen met aan het nageslacht of de onsterfelijkheid te denken. Anders ben je een tweederangs- auteur. Die stilte bevalt me perfect. Ik kijk dan immers veel beter. Er staat niemand tussen mij en de wereld, noch een schrijver met een grote S, noch ijdelheid of welk verlangen naar roem ook. Ik zal blijven schrijven in het verborgene. ALSTEIN: Ik geloof erg in dat citaat uit het Thomasevangelie. Wat in je zat en uit je kwam, zal je redden. Wat er niet uit kwam, zal je vernietigen. Het schrijven zat in mij en dus moest het eruit komen. Of je succes hebt of bekend bent, is niet belangrijk. Denk maar aan wat Vincent van Gogh in die prachtige brieven van hem ooit schreef. Van Gogh heeft zoals bekend geen gelukkig leven gehad, maar hij is blijven schilderen omdat - zoals hij zelf ergens schrijft - wij kunstenaars uit dankbaarheid toch iets moeten achterlaten. Ik had lang geleden het gevoel dat ik schrijver moest zijn en dus ben ik nu al gedurende decennia aan het schrijven. Sinds de publicatie van De engel van Simberg (1997) heb ik niet meer dan drie maandeenheden subsidie gehad (ongeveer 6000 euro , nvdr). Ik vraag de laatste jaren trouwens geen subsidie meer aan. Dat invullen van al die paperassen staat haaks op de manier waarop ik wil schrijven. Ik kan toch moeilijk nu al zeggen welk boek ik volgend jaar ga maken? Ik zou het begot niet weten. Nee, ik vond het systeem onder minister van Cultuur Karel Poma (PVV, nu VLD) nog zo slecht niet. De schrijvers die het risico namen om zich voltijds als zelfstandigen te outen, kregen de kwartaalkosten voor de sociale zekerheid door de overheid vervolgens terugbetaald. Kon ik eindelijk met een gerust geweten onder de tram lopen. Frank Hellemans'Ik voel geen affiniteit met wat andere Vlaamse auteurs schrijven. Het lijkt wel een andere planeet waar zij het over hebben.'