Dat Franstaligen recht, rechtspraak en rechtsleer anders percipiëren dan Vlamingen is bekend. De meeste Franstalige rechtspractici begrijpen zelfs geen Nederlands. Onder meer daarom denken enkele Vlaamse partijen aan de defederalisering van justitie. Dat deed ook Kamerlid Tony Van Parys (CVP) nog begin april in De Standaard. Twintig dagen later werd hij minister van Justitie en moest hij zijn uitspraak nuanceren. Nu krijgt hij dagelijks te maken met de soms tergende verschillen tussen de gerechtelijke arrondissementen boven en beneden de taalgrens. Op de koop toe werd Van Parys eind vorige week geconfronteerd met een brief, waarin professor Chris Van den Wyngaert (UIA) haar ontslag aanbood als ondervoorzitter van de commissie van experten ter hervorming van het strafprocesrecht, kortweg de commissie- Franchimont.
...

Dat Franstaligen recht, rechtspraak en rechtsleer anders percipiëren dan Vlamingen is bekend. De meeste Franstalige rechtspractici begrijpen zelfs geen Nederlands. Onder meer daarom denken enkele Vlaamse partijen aan de defederalisering van justitie. Dat deed ook Kamerlid Tony Van Parys (CVP) nog begin april in De Standaard. Twintig dagen later werd hij minister van Justitie en moest hij zijn uitspraak nuanceren. Nu krijgt hij dagelijks te maken met de soms tergende verschillen tussen de gerechtelijke arrondissementen boven en beneden de taalgrens. Op de koop toe werd Van Parys eind vorige week geconfronteerd met een brief, waarin professor Chris Van den Wyngaert (UIA) haar ontslag aanbood als ondervoorzitter van de commissie van experten ter hervorming van het strafprocesrecht, kortweg de commissie- Franchimont. Deze commissie, onder leiding van de Luikse professor én advocaat Michel Franchimont (ULg), kreeg in 1991 van toenmalig justitieminister Melchior Wathelet (PSC) de opdracht enkele hoofdstukken uit het Wetboek van Strafvordering van 1808 te herschrijven. Zo kwam de Wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek tot stand. Die is sinds 2 oktober van kracht. Zoals Van den Wyngaert die week in Knack uitlegde, werden daarbij een aantal van haar nochtans fundamentele bezwaren opzij geschoven. De samenhang van de commissievoorstellen raakte verder zoek door de amendementen in het parlement. De wet-Franchimont houdt verband met de wijze waarop het parket, al dan niet in samenwerking met een onderzoeksrechter, mogelijke misdrijven opspoort; met de nieuwe procedures die zowel de onderzoeksrechter als de verdachte, het slachtoffer en derden toegewezen krijgen; met de uitzonderingen die daarbij voor het eerst officieel op het onderzoeksgeheim worden voorzien; met de rechtsmiddelen die voortaan door verdachten en slachtoffers kunnen aangewend worden; met de wijze waarop de controle op de bewijslast van de gerechtelijke instanties wordt uitgeoefend en desgevallend gesanctioneerd - kortom, met cruciale procesregels in een rechtstaat. Temeer omdat de wetgever zich met deze "mini-Franchimont" in de schemerzone waagt, waar bijkomende individuele rechten voor verdachten en andere betrokken partijen de mogelijkheden van de overheid beperken om misdrijven doeltreffender te bestrijden. Nu, in de vorm van de "maxi-Franchimont", het hele Wetboek van Strafvordering voor herziening vatbaar is, worden de tegenstellingen daarover nog scherper. Het senaatscolloquium van 8 en 9 oktober en minister Van Parys hielden de schijn hoog. Toch had professor Van den Wyngaert twee dagen eerder al haar ontslag aangeboden in een brief aan de commissieleden. Zoals haar was gevraagd, onthield zij zich tijdens het senaatscolloquium van kritiek. Haar ontslag heeft van doen met de essentiële cultuurverschillen tussen Frans- en Nederlandstalige juristen. In haar brief van 6 oktober schreef Van den Wyngaert dat communautaire oprispingen niet in haar aard liggen. "Wat ik echter, vanuit een wetenschappelijk oogpunt, meer en meer als een ernstig probleem ervaar, is dat Nederlandstalige rechtsliteratuur niet door alle commissieleden wordt geraadpleegd, ook al heeft zij rechtstreeks betrekking op de werkzaamheden van de commissie en werd zij speciaal geschreven om de commissie van dienst te zijn betreffende bepaalde knelpunten. Het is moeilijk gesprekken te voeren over bepaalde onderwerpen indien slechts een deel van de commissieleden de Nederlandstalige (en via deze ook de Engelse, Duitse enzovoort) literatuur over dit onderwerp heeft bestudeerd..."HET ALGEMEEN BELANG IS VERDRONGENDe voorstellen van de commissie-Franchimont kunnen eigengereid, onwerkbaar of twijfelachtig genoemd worden. Zij werden evenwel publiek gemaakt zonder veel interne kritiek en vóór Van den Wyngaert opmerkingen kon formuleren. Zodat het lijkt alsof alle teksten door de commissie in haar geheel onderschreven werden en dat de basis is gelegd van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. "Ik begrijp", aldus nog Van den Wyngaert, "dat de politieke druk om binnen vrij korte tijd een nieuw wetboek tot stand te brengen groot is. Als wetenschapper is het mijn plicht kwaliteit voorop te stellen, en mij niet te laten meeslepen door de wetgevingskoorts die velen heeft aangetast." Tot welke excessen die koorts kan voeren, zette Van den Wyngaert begin deze week uiteen in een persmededeling. Daarin distantieert zij zich van de teksten ter ontwerp van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Ze waarschuwt ervoor dat deze voorstellen een averechts effect zullen hebben. Er wordt immers voorgesteld de debatten over procedurefouten al tijdens het vooronderzoek te laten voeren, om nadien mogelijke vrijspraken om procedurele redenen te vermijden. Tegelijk wordt de voorgestelde strafprocedure "zo omslachtig gemaakt dat de kans op procedurefouten (dit wil zeggen nietigheden en dus vrijspraken) sterk verhoogt." Bovendien worden de nieuwe procedures uitgetekend "zonder rekening te houden met de financiële draagkracht van het systeem en met de vraagstelling hoe de beschikbare mensen en middelen op optimale wijze kunnen worden benut". Integendeel. Telkens zullen verschillende magistraten op verschillende niveaus dezelfde procedurele betwistingen te behandelen krijgen. Terwijl het volgens Van den Wyngaert veel eenvoudiger is de vonnisrechter zelf te laten oordelen over procedurefouten. Gezien de vonnisrechter in het openbaar zetelt, zouden dan ook de proceduregeschillen in het openbaar uitgeklaard worden; en niet achter de gesloten deuren van de Raadkamer of de Kamer van Inbeschuldigingstelling, zoals de commissie-Franchimont (tot onvrede van Van den Wyngaert) al ten dele in de Wet van 12 maart 1998 kon doordrukken en nu verder wil uitgewerkt zien. Haaks op wat Franchimont en zijn aanhangers beweren, dreigen hun voorstellen tot meer vrijspraken te leiden. Niet alleen omwille van procedurefouten, maar ook omwille van (nog meer) verjaringen. En toch "wordt het Belgisch systeem van verjaring, het meest verdachte-vriendelijke systeem ter wereld, onaangeroerd gelaten", merkt Van den Wyngaert op. Mede daarom "kan men zich afvragen of in het debat over justitie en politie nog voldoende aandacht en bekommernis bestaat voor het algemeen belang, en of het gezichtsveld niet al te zeer geconcentreerd is op dader en slachtoffer. Strafrecht en strafprocesrecht zijn bedoeld om de maatschappij te beschermen tegen delinquent gedrag. Het is niet fair hiervoor enerzijds de verantwoordelijkheid bij magistratuur en politie te leggen en anderzijds een regeling in het leven te roepen die het voor deze actoren van de justitie zeer moeilijk maakt deze opdrachten in de praktijk te vervullen." Net als in hogervermeld Knack-interview waarschuwt professor Van den Wyngaert voor de sluipende privatisering van het gerecht omdat "uiteraard zowel verdachte als slachtoffer voor de aanwending van deze (voorgestelde) procedures een beroep moeten doen op een advocaat. Indien niet tezelfdertijd wordt gesleuteld aan de regels inzake kosteloze rechtsbijstand zullen vooral de meest kapitaalkrachtigen van deze nieuwe procedures gebruikmaken."Frank De Moor