DOOR FRANS VERLEYEN
...

DOOR FRANS VERLEYENDAT GEDOE MET DIE FLUITJES EN RODE KAARTEN in het Belgische parlement heette een debat, maar was dat uiteraard niet. De ministerraad en zijn voorzitter houden al sedert lang geen rekening meer met wat in het halfrond van de Kamer gezegd of gedaan wordt. Meestal verbergen ze dat nog ietwat moeizaam wanneer ze er, weliswaar verveeld en met één oog op de klok, enkele uren komen bijzitten. Dan doen ze alsof ze luisteren, scharrelen een beetje in hun papieren en telefoneren veel. Maar ze vinden het dus tijdverlies. Wanneer de heren en dames volksvertegenwoordigers uitgepraat zijn, krijgen ze van regeringszijde soms een antwoord, soms geen. Het heeft immers allemaal geen belang meer, politieke beslissingen worden op andere banken uitgedacht en uitgevoerd. Zowel het zogenaamd sociaal overleg als de vergaderingen van het parlement zijn afgestorven tot nog nauwelijks verplichte rituelen. Wel krijgen de deelnemers alles wat een mens kan begeren, hun gebouw is schitterend uitgedost zoals hun hele beroepsleven zelf. Voor hun comfort is zo goed gezorgd dat ze het zich niet het hoofd zullen halen om de kwaliteit van het bestaan in de Wetstraat te verstoren. Over die toestand is al zo vaak maar vruchteloos geklaagd, dat niemand er nog naar luistert. Het probleem van onze in het geheim op een zijspoor gezette democratie is sedert de jaren tachtig door het nationale gemoed blijkbaar zonder morren verwerkt. Daarvan maakt het besloten college dat België momenteel in handen heeft dankbaar gebruik. De spilfiguur in dat netwerkje is uiteraard Dehaene die het volle gewicht van zijn kanseliersgestalte (patriarchaat, verlicht despotisme, mediaschuwheid, zonnekoningschap, noem maar op) in de strijd voor het halen van de Maastrichtnormen heeft geworpen. Dat hij, zoals reeds maanden werd voorspeld omdat het inderdaad in stilte was afgesproken, zijn parlement zonder blikken of blozen wil omzeilen, met toestemming van de meerderheid zelf, zal zijn onderdanen overigens geen bijkomende schade toebrengen. Met of zonder bemoeienis vanwege de verkozenen ligt de afloop van wat gaat gebeuren nu al vast. Dat is in de hele Europese Unie het geval. De ?modernisering? van de sociale zekerheid is vanzelfsprekend een eufemisme (dus een vorm van liegen) voor de besparingen die het systeem zullen worden opgelegd. En het woord ?opdrachtwet? betekent dat Dehaene, zijn vice-premiers en de vier partijvoorzitters die de coalitie ondersteunen naar willekeur wetten mogen maken of breken. Dat is hoegenaamd geen nieuwsoortige ramp. De voorbije kwarteeuw werden al duizenden maatregelen op die manier genomen. De parlementaire zelfdoding dateert niet van deze week. Ze is het sluipende gevolg van een driedubbele oorzaak. Iedereen kent het verschijnsel van de partijdiscipline, opgelegd door alweer een beperkt cenakel. Daarnaast zitten we opgescheept met het corporatisme waarin veel volksvertegenwoordigers weinig meer dan de afgezanten van een buiten-grondwettelijke belangengroep zijn. Tenslotte heerst een samenzwering binnen de politieke klasse die, ten koste van de bijna heilige historische rol van parlementen, de wetgevende en uitvoerende macht verenigt in haar gezamenlijke ambitie om belastingen niet te controleren, verminderen of weigeren maar bij elke geboden kans opnieuw te verhogen. Ze zijn trouwens al letterlijk aangekondigd : ?de begroting 1997 zal niet zonder bijkomende fiscale inkomsten kunnen.? Het grote nadeel van de volmachten-methode ligt in haar ongewenste nevenverschijnselen. Er is, om te beginnen, het pedagogisch ongezonde spektakel van de geschonden gewetens. De liberale oppositie toont zich uiteraard fel gekant tegen dit soort bewindvoering (?schaf ons dan gewoon af?), maar ze deed tot tien jaar geleden hetzelfde. In die tijd kraaiden de socialisten oproer tegen de ?verkapte staatsgreep? (Tobback vergeleek Wilfried Martens toen met de Romeinse keizer Caligula en noemde de hele CVP een kwal), maar in de weelde van het regeren mag het deze keer wèl. De Belgische staat en zijn leiders geven andermaal een publieke demonstratie van hun beginselloosheid. Hierdoor kan het morele incasseringsvermogen van de burgers overbelast raken, nog zwaarder dan toen bekend raakte dat de Senaat zich bezig hield met platte handel in allerlei louche goederen. Achteraf was daar trouwens een zelfmoord mee gemoeid. Gevaarlijker nog is de bloot afgekondigde onbruikbaarheid van het klassieke democratische schema, van de theorie die altijd een antwoord moet weten op politieke onvrede in de maatschappij. Deze laatste bestaat uit volwassen en vrije kiezers, zegt men dan, die een meerderheid aanduiden om wetten te maken en een regering samen te stellen. Daar dienen ze wantrouwig op toe te kijken bij het beoordelen of haar daden overeenkomen met de gedane beloften, de volkswil en het algemeen belang. Ook moet voortdurend worden nagegaan of de ministers geen onwaarheid spreken, iets wat in normale landen zonder pardon met ontslag wordt bestraft. WELNU, HET MAG DUIDELIJK ZIJN dat Dehaene II zich van dat eerbiedwaardige schema geen donder aantrekt. Erger nog : hij gaat prat op zijn ?commentaarloos? gezeul met de macht en zichzelf. 't Leven is mooi, daarmee basta. Het is nochtans denkbaar dat de hele Belgische bevolking er ooit spijt van krijgt dat ze, lui gekust door al die zeeleeuwinnen, de politieke boel zo op zijn beloop liet. Want de in haar schoot opduikende tegenstellingen lijken niet helemaal ongevaarlijk en hebben maar één geldig tegenargument : het saaie democratische model, dat delicate grondwettelijke bouwsel waarmee de regering zo graag en helaas zo bedrieglijk jongleert. Anders gezegd : wie de neiging tot bijvoorbeeld extreem-rechtse vluchtpogingen vanwege een gedegouteerd kiezerspubliek wil bestrijden, heeft het ongeschonden wapen van de democratische gedachte nodig. Wie dat wapen niet meer heeft, zal niet meer kunnen vechten.