Genoeg gemummeld over het fenomeen Hugo Claus. Na het feesten, het werk: hoe zit de schrijver in elkaar? Een portret van de Vlaamse Goethe.

Zevenendertig verhalen, negenentwintig toneelstukken en nog een klad gedichten. Iets meer dan tweeduizend bladzijden harde tekst omkransten de zeventigste verjaardag van Hugo Claus. Nu de party over is, wordt het eindelijk tijd om de teksten zelf te celebreren. Wat valt er te vieren bij het doornemen van Claus’ Verhalen (in één band) en Toneel (in twee dikke banden)?

Hoe zit de schrijver Claus eigenlijk in elkaar?

Aan het talent van Claus twijfelt niemand meer sinds hij als achttienjarige debuteerde met Kleine Reeks (1947), een dichtbundel. Daarna ontpopte Claus zicht tot artistieke duizendpoot die met een ongekende verbetenheid woorden op papier slingerde maar die ook even intens schilderde, tekende en scenario’s ontwierp voor toneel en film. Er is in de Nederlandstalige literatuur van de twintigste eeuw geen ander voorbeeld van een dergelijke explosie van uitdrukkingskracht op verschillende terreinen. Goethe is het prototype van de universele, creatieve geest die zowel in de kunst als in de (toegepaste) wetenschappen zijn ding wil doen. Claus “beperkte” zich tot de diverse facetten van het kunstenaarsbestaan. Maar zijn Parijse jaren en zijn “Italiaanse reis” in het begin van de jaren vijftig bezorgden hem voorgoed het kwaliteitslabel van de Vlaamse Goethe die voortdurend op zoek is naar het ewig Weibliche, naar de pulserende energie in de gestolde vorm.

Goethe herademde in het licht van de Romeinse zon. Hij ontdekte er niet alleen de erotiek maar ook een nieuw artistiek elan. Italië was voor Goethe de ultieme therapie die hem met het volle leven verzoende. Eindelijk voelde hij grond onder de voeten en realiseerde hij zich welk artistiek kapitaal hij beheerde. De talloze tekeningen die Goethe in Italië maakte, deden hem met de juiste blik naar de wereld kijken. De zin voor het concrete, unieke detail werd Goethe tijdens het schetsen ingelepeld. Hij was geen volbloed schilder, zo wist Goethe uiteindelijk, maar hij had wel zijn sensibiliteit van kunstenaar leren ontwikkelen.

HET CHOQUERENDE DETAIL

Claus zocht in zijn Parijse en Italiaanse periode niet direct naar het fameuze Italiaanse licht of de Italiaanse douceur de vivre (alhoewel). Hij vergezelde eerst en vooral zijn vriendin en latere echtgenote Elly Overzier om haar te assisteren bij haar filmcarrière. Ondertussen kon Claus zijn artistieke sensibiliteit bijschaven door op zijn Goethes te gaan schilderen en tekenen en door te schrijven aan verhalen, theaterstukken en romans. Veel van die toen geschreven verhalen – later verzameld in Natuurgetrouw (1954) en De zwarte keizer (1958), zijn eerste twee verhalenbundels – en toneelwerken – zoals De getuigen (1952) en Bruid in de morgen (1953) – zijn nu ook in deze verzamelwerken opgenomen. Claus leerde niet alleen de traditionele kunsten appreciëren en zelf beoefenen. Hij ging zich meer en meer met de tiende muze bezighouden. In Parijs bezocht hij haast dagelijks het filmmuseum. In Rome leerde hij via Elly de filmset van nabij kennen. Zoals Goethe zou Claus achteraf ondervinden dat zijn echte kwaliteiten niet lagen in het hanteren van penseel of camera. Maar door het ambacht van tekenaar of regisseur-scenarist al doende te leren, verfijnde Claus allicht zijn kunstenaarszintuig. Claus heeft dezelfde concretistische ambities als Goethe.

Alleen het kloppende hart van het leven telt. Al de rest is loze, “grijze” theorie. Wie de rauwe smaak van dat leven onversneden wil weergeven, moet op zoek gaan naar de juiste vorm. Claus is het niet zozeer te doen om het typische detail, zoals vaak bij Goethe, maar om het choquerende detail. Claus’ schrijversblik woelt zolang in de woordenschat tot hij al associërend enkele betekenisflitsen heeft doen oplichten die het dichtst mogelijk bij het zinnelijke leven aansluiten.

Daarin schuilt de relevantie van Claus’ onlangs gepubliceerde Verhalen en Toneel. Je kan erin al grasduinend een studie maken van de manier waarop Claus op zoek gaat naar de energie van mens en ding door ze onder te dompelen in een reeks van verbale, elektrificerende schokjes.

De simpelste, taalkundige manier om zijn gravende blik te begeleiden, is natuurlijk de stijlfiguur van de bijstelling: “De stad is een labyrint, roze, warm, stinkend.” Zo klinkt het in het begin van het verhaal Martha, Martha, waarin twee leraren-hoerenlopers aan het slenteren zijn op hun vrije woensdagnamiddag. Dat haast tastbaar optellen van woorden na elkaar is het waarmerk van de Claus- touch. Dit tactiele optelsommetje gebeurt echter niet zomaar. Meestal gaat het crescendo, kwestie van de intensiteit van het vertelde lijfelijk te suggereren.

Om de climax te verhevigen, smijt de bevlogen verteller Claus er vaak een treffend beeld tegenaan. Het metaforisch genie van Shakespeare kent zijn weerga niet. Maar enkele vonkjes van de grote bard smeulen ook na in de Vlaamse Goethe. In een recenter verhaal uit de bundel, De Zwaardvis, laat de verteller de uitgebluste Sibylle naar de open haard kijken: “Gerard wou die open haard. Zijzelf vindt het nutteloze, zwartberookte, gapende gat in haar woonkamer onrustwekkend, onveilig. Omdat het iets is dat maar af en toe halfhartig diende? Net als zij?” Sibylle weet van geen hout meer pijlen maken. Haar wanhoop heeft een wrange, bizar feestelijke smaak die Claus al opsommend probeert vast te pinnen: “Zij wacht op iemand. Op iets. Een fladdering. Een ekster die uit de staalblauwe lucht zal vallen. (…) Verdampend verlaat haar ziel haar walsend, bespottelijk, nutteloos lijf.”

MUZIKALE BEZWERINGSKUNST

Bijstellingen, beeldspraak, vraagzinnetjes en gedachten tussen haakjes zijn de ingrediënten van Claus’ muzikale, lyrische verteltrant. De manier waarop Claus in deze verhalen en in zijn toneelstukken de woorden aan elkaar rijgt, lijkt zo te zijn weggelopen uit zijn gedichten. Alleen hoedt Claus er zich voor om zich in zijn proza en toneelwerk al te lang op sleeptouw te laten nemen door zijn muzikale bezweringskunst. Claus heeft een goed oor voor ritme en hij weet dus blindelings wanneer hij in proza of toneelteksten de woordenstroom moet intomen of mag laten vieren. Na een allegro hoort een lento. Na een climax plaatst Claus zijn figuren met de voeten opnieuw op de grond.

De verhalenverteller Claus laat zich in zijn verhalen niet oeverloos meeslepen door de innerlijke monologen van de personages. Hij toont ons gedurende enkele momenten het overborrelende gemoed van Sibylle & co om daarna onmiddellijk tot de gewone orde van de alledaagse werkelijkheid over te gaan. Meestal zijn het dialogen of korte natuurbeschrijvingen die de écriture automatique binnen de perken houden.

In zijn poëzie is Claus dus op zijn best. Alleen al de manier waarop in een titel van een gedicht als Meermin apin pop de woorden op elkaar botsen, is veelzeggend. In de openingscyclus uit Wreed geluk, Claus’ nieuwste poëziebundel, komt de aap trouwens uit de mouw: “Alleen fragmenten zijn gezond verstand./ (…) Alleen het onvermoede, het verraste.” Claus is geen verhalenverteller of dramaturg die het moet hebben van een plot of van actie. Claus gelooft niet in fictie of fabels maar in het leven. Die aparte, “onvermoede” smaak van het leven die iedereen van groot tot klein, van man tot vrouw, van eunuch tot Don Juan koestert, wil hij de lezer in de mond leggen.

In zijn vroege werk maakt Claus geen geheim van zijn rebelse, drastische manier om de werkelijkheid te bestormen. In meer recente verhalen en toneelstukken relativeert hij vaak de levenshonger van zijn personages. Maar aan de kern van de boodschap verandert dat weinig. Of, zoals een van zijn personages uit Visite, een recent toneelstuk, het samenvat: “En als de waarheid nu eens pathetisch was? Moeten wij dan mummelen dat het allemaal niet zo’n vaart liep, loopt, dat er gerelativeerd moet worden?” Neen dus, er wordt al genoeg “gemummeld” en “gerelativeerd”. Claus heeft een boontje voor de rebel without a cause omdat we nu eenmaal nog altijd goddeloze mensapen zijn. Het enige wat we hebben, zijn onze zintuigen. Het komt er dus op aan om die zo intens mogelijk te gebruiken en te beleven.

Voor jonge lezers en schrijvers heeft deze Claus dus heel wat in petto. Lang voor Benetton met reclameaffiches de goegemeente choqueerde, werkte Claus aan zíjn shock art. Jaren vooraleer de eerste videoclips op MTV werden losgelaten, experimenteerde Claus in gedicht, verhaal en toneelstuk reeds met hymnische, associatieve woordenkettingen die door hun zuinig gebruik ook detoneerden (en niet alleen epateerden). Op zijn eentje belichaamt Claus in Vlaanderen een eigentijdse esthetica van de intensiteit die in de eenentwintigste eeuw een mooie toekomst heeft. Het wordt met andere woorden hoog tijd om Claus niet alleen te bejubelen, maar ook te lezen of te spelen. Dat de Vlaamse succesvolle theatermakers van het moment niet geloven in de woordmuziek van Claus is een ander verhaal. Zij geloven te veel in hun eigen spelletjes. Binnenkort schrijft niemand nog echt tekstdrama, maar regisseert iedereen zichzelf.

Misschien dat Claus’ Toneel net op tijd komt voor een beweging back to the roots?

Hugo Claus, “Verhalen”, De Bezige Bij, Amsterdam, 552 blz., 1700 fr. Verschijnt eerstdaags ook als paperback: 799 fr.

Hugo Claus, “Toneel” (2 delen), De Bezige Bij, Amsterdam, 1482 blz., 2500 fr.

Frank Hellemans

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content