Nero
...

NeroStripfiguren leven in een onvoltooibaar tegenwoordige tijd. Ze hebben de eeuwige jeugd en worden dus nooit oud, laat staan dat ze kunnen sterven. Behalve - misschien, we zullen wel zien - Nero, het 'dagbladverschijnsel' uit de kranten van de De Standaard-groep. Diens geestelijke vader Marc Sleen broedde er al een tijd op om er toch maar eens mee op te houden. De Standaard maakte het nu ook bekend, enigszins overhaast, om de geruchten voor te zijn. Een Nederlandse website van stripvrienden berichtte er vorige week al over. En zo is het nu officieel dat Sleen eind dit jaar definitief stopt met Nero. Hij zal dan tachtig zijn. Maar in zijn eerste commentaren gaf de nog altijd vieve Sleen te verstaan dat hij het misschien niet zal kunnen laten. Nero wordt in oktober 55 jaar. Niet oud genoeg eigenlijk voor een brugpensioen in de actieve welvaartsstaat. Wanneer een tekenaar aan welverdiende rust toe is, bestaat er een beproefd middel om diens stripreeks nieuw leven in te blazen. Tenslotte is een succesrijke stripreeks ook een economisch product en dan is het zonde om een pensionering het verdere rendement daarvan in de weg te laten staan. Iemand anders moet zich dan maar bekwamen in de geest en de stijl van het origineel en de reeks voortzetten. De belangrijkste uitzondering daarop zal Kuifje zijn, van wie na de dood van tekenaar Hergé geen nieuwe verhalen meer zijn verschenen, hoewel dat best had gekund; Hergés medewerker Bob De Moor stond er klaar voor. Suske en Wiske zijn het sprekendste voorbeeld van het tegendeel: na de dood van Willy Vandersteen namen eerst Paul Geerts en sinds kort Marc Verhaegen de reeks over. En ook Sleen had zijn opvolging voorbereid, zelfs testamentair, maar dat liep mis. Nero werd geboren op 3 oktober 1947 in de krant De Nieuwe Gids, in een stripverhaal waarin hij niet eens als de centrale held optrad en waarin hij ook nog een andere naam droeg. Dat verhaal, Het geheim van Matsuoka, was bedoeld als eerste in een reeks 'avonturen van detectief Van Zwam'. Nero duikt er terloops in op als ene Heiremans en sprak de lezers voor het eerst toe met de woorden 'Allo, mijn naam is Nero! Keizer Nero!' Want hij waande zich de Romeinse keizer nadat de nutty professor Matsuoka hem een zelfgebrouwen biertje had laten drinken. De laurierblaadjes achter het oor hoorden er al bij. (De twee haren die zijn volledige haardos uitmaken, volgden pas later.) Bij Nero's geboorte waren uitsluitend vaders betrokken. Gaston Durnez vertelt wel eens dat hij voor Sleen een poëtisch scenario had bedacht met als hoofdfiguur een mannetje met een vogel in een kooitje. Waarna de tekenaar ter redactie verscheen om zijn huiswerk te tonen en dat bleek een strip over een kale detective met een buikje te zijn. In alle geval, De Nieuwe Gids had een strip nodig. De krant was ontstaan uit de erg ingewikkelde geschiedenis van De Standaard bij de bevrijding na de Tweede Wereldoorlog. Sleen, geboren op 30 december 1922 in Gentbrugge, was eind 1944 bij De Nieuwe Standaard, zoals de krant toen heette, als politiek karikaturist aan de slag gegaan. Daar verscheen ook het vroege werk van Willy Vandersteen en bij de splitsing tussen De Standaard en De Nieuwe Gids werd hij zo goed als weggekocht door de eerste krant. Sleen heeft dat niet goed verteerd. Hij voelde zich onheus behandeld en zou altijd een wat moeilijke verhouding met de geestelijke vader van Suske en Wiske hebben. Ze volgden ook heel verschillende wegen. Vandersteen richtte bijvoorbeeld een 'studio' op, met medewerkers die een boel strips aan de lopende band gingen produceren, terwijl Sleen vrijwel altijd alleen bleef werken en zich na enige tijd uitsluitend op Nero concentreerde. Wat Vandersteen deed voor De Standaard, zou Sleen doen voor De Nieuwe Gids (en vervolgens ook voor het zusterblad Het Volk): een dagstrip tekenen. Pedagogen keken toen nog erg argwanend aan tegen stripverhalen - ze zouden de jeugd van het 'echte' lezen afhouden - maar die hadden groot succes bij het publiek. Strips zorgden voor klantenbinding. Al hadden de meeste persbonzen van het moment nauwelijks enige affiniteit met dat 'plebejische' medium, de kranten functioneerden in die jaren als een kweekbed voor nieuw tekentalent. Het was al aan zijn uiterlijk te zien (kaal, buikje) dat 'detectief' Van Zwam geen al te serieuze private eye kon zijn. De meeste Vlaamse strips uit de toenmalige boom, Nero inbegrepen, behoren tot het humoristische genre, met verhalen die zich afspelen in een herkenbare, min of meer realistische context en opvallen door hun volkse accent. Zo volks, dat Vandersteen Suske en Wiske wat chiquer diende te maken toen hij de strip ook voor het burgerlijke weekblad Kuifje ging tekenen. En zo werd het Sleen al na een album of twee ook duidelijk dat Nero, een vrij onbestemd volksmens zonder aanwijsbaar beroep, een geschikter hoofdpersonage was dan Van Zwam. Sindsdien heet de serie 'de avonturen van Nero en Co.' Als Nero iets is, dan is hij een soort filosoof, bestendig op zoek naar wijsheid en vrede, weze het dan op de vierkante centimeter. Grootse idealen of verheven gedachten zijn er niet bij, alles ligt verankerd in de huiskamer waar alles begint en ook weer afloopt, het liefst in de sofa. Veel verhalen eindigen dan ook in een eind-goed-al-goed-sfeer met zo'n oer-Vlaams tafereel als de wafelenbak. Nero is een antiheld, geen briljante geest, absoluut niet geëmancipeerd, al evenmin bijzonder werklustig en hij ontsnapte, zeker in het begin van zijn carrière, niet aan allerlei kleinmenselijke trekjes en gebreken, eens wat te veel drinken bijvoorbeeld, ijdelheid of verlangen naar een kasteel met zeven torentjes. Het maakte hem des te sympathieker en herkenbaarder. In Nero schuilt een zeer Vlaamse es- prit, waaraan Sleen vaak een absurde dimensie mag geven. Er spreekt een kleinburgerlijk anarchisme uit dat maar bitter weinig ernstig kan nemen en dus ook genoeg heeft aan een klein engagement. Nero's wereld is groot - hij reisde de aardbol meermaals rond - maar zijn echte betrokkenheid ligt bij zijn vriendenkring. Het ontbreekt niet aan gemopper over de belastingen, er is altijd plaats voor enige milde satire, de macht en zijn dwaze streken worden gehekeld, maar de wereld willen verbeteren, nee. Daarmee zou ook, naar intimi beweren, het wereldbeeld van Marc Sleen zijn omschreven. Nero, c'est lui. Zo tekende Sleen al 217 Nero-avonturen, een record. Sinds 1965 verschijnen ze dan toch in De Standaard, na een ophefmakende overstap waarin hij Het Volk verliet om in een chiquer blad te gaan tekenen en ook opdat zijn strips, na publicatie in de krant, bij de Standaard Uitgeverij in kleurenalbums zouden kunnen verschijnen. Maar de tijden zijn veranderd. Vijf jaar gelegen scheelde het niet veel of De Standaard had toen al afscheid genomen van Nero en Sleen, wegens te duur. Maar toen werkten ze ook al met z'n tweeën aan de strip. Want Sleen kreeg vanaf 1993 bijstand in de persoon van de nu 47-jarige Dirk Stal- laert, die ruim een kwarteeuw geleden in Knack debuteerde met de strip Ridder Digest. De idee was dat Stallaert na verloop van tijd de reeks van Sleen zou overnemen. En al verricht Stallaert nu veel, zoniet alle tekenwerk voor Nero, het boterde niet altijd even goed tussen de twee. Sleen kon zijn geesteskind maar moeilijk uit handen geven, hij leek Stallaerts inbreng te minimaliseren en vindt dat die 'geen ideeën' heeft. Tot Stallaert enkele maanden geleden besloot om over te stappen naar uitgerekend Studio Vandersteen, de aartsvijand. Voor Sleen was dat het signaal om dan toch maar een punt achter Nero te zetten. Hij overweegt zelfs om zijn stripheld te laten sterven. En zie, zoals het nu is gepland, zal in het laatste album Zilveren tranen ook Pietje de Dood een rol spelen. Marc ReynebeauHet 'verraad' van zijn medewerker deed Marc Sleen besluiten ermee op te houden.