Beminde gelovigen,
...

Beminde gelovigen, Op een dag titelde de commentator van Het Nieuwsblad : ?Waarom verliet Gij ons ?? Hij noemde zichzelf een gelovige en voorwaar, zelfs de meest standvastige gelovigen zullen twijfelen. Maar laat niet langer toe dat onrust in uw hart wordt gezaaid, mijn waarde en dierbeminde Pol, want gij zoudt wel eens twijfel en onwaarheid kunnen oogsten. Want ik heb u niet verlaten. Ziet, ik ben zelfs terug, en de foto die het bewijs daarvan leveren kon, prijkte diezelfde dag al in de krant. Voorwaar, zeiden onze volgelingen, een teken. Welzeker, een teken van leven, na drie keer veertig dagen verblijf in de Afrikaanse woestijn. Ja, mijn dierbaren, ik ben terug onder u allen. Weliswaar niet als voorzitter van onze Christelijke Volkspartij, maar nog altijd als burgemeester van mijn lieflijk dorpke, dat, toen ik er niet was om zulks te beletten, alle zeven de beproevingen diende te ondergaan : de gesel van de droogte, de kwaal van mijn afwezigheid, de plaag van de roddel daarover, de beproeving van aanhoudend opstaande hemelsluizen en verstopte riolen. Gij hebt dit alles doorstaan, uw andere wang aanbiedend, en gij hield de lampen brandend. Maar nu het vetste kalf is geslacht en opgegeten en er meer vreugde heerste om mijn terugkeer uit Afrika dan om die van de regering uit vakantie, moet de vernieuwing worden voortgezet. Bekoringen allerlei zijn mijn deel geweest. Zoals daar is de bekoring van de gramschap. Gij, Mark ( Eyskens nvdr.), gij zijt een witgekalkt graf, heb ik u vanover de Afrikaanse einder willen toeschreeuwen. Ik weet, gij moogt de eerste steen werpen want gij zijt zonder zonde, maar gij vergeet de deernis die gij opbrengen moet, want zwak zijn wij allen. En wat gij, zoals gij uit uw dienstbetoon gewis weet, voor de minsten onder de onzen doet, dat doet gij voor ons. Misschien, o ja, misschien hebt zelfs gij, Mark, een zwakheid die gij heel diep in u verborgen weet te houden. Zijt gij dan, Mark, een consensusfiguur ? Een rinkelend cimbaal ? En gij, Johan ( De Roo nvdr.), gij die misschien wel de kop van de lijst met wellust hadt bekeken, gij sluit de oren want gij wilt voorzeker aan de telefoon geen kwaad horen. Gij ziet dus ook geen kwaad en gij spreekt geen kwaad. Maar deze bekoring der gramstorigheid heb ik weerstaan. Neen, liever heb ik mij aan de voeten van Wilfried ( Martens nvdr.) geworpen, en ze besprenkeld met mijn tranen, want in de beproeving kent men de rechtschapenen en de grootmoedigen. Daar was ook de bekoring van de weelde. Ook deze heb ik het hoofd geboden, want mijn wedervaren doorheen Afrika heeft mij niet alleen langsheen de schrijnendste armoede maar ook voorbij de grootste rijkdommen gevoerd, doorheen de zonbeschenen stilte van de natuur en de gruwelen van de oorlog. Ziek was ik, ja, beminde gelovigen, zelfs toen mij de welstand van het safaripark en het veel-sterrenhotel gebeurde. Want het was niet om een ijdele gril dat ik met ziekteverlof uit het parlement terug ben getreden. Maar nooit liet ik twijfel mij overmannen, want ik wist dat ik de grootste rijkdom in mijn hart gewaar zou worden. De apostel die al mijn handelingen optekende, zal voor mij getuigen : voorwaar, echter en boeiender kan een mens niet zijn dan in de deemoed des harten. Geween en geknars van tanden is slechts daar waar de haan driemaal kraait. Heeft ook onze Heer de nederigen en de gevallenen niet uit het stof doen opstaan ? Heeft Hij zelfs Maria Magdalena niet gezegd : gij zijt ook een mens ? Zo brak voor mij de hemel open boven het openluchtzwembad van Arusha, waar eerder al Marijke van Hemeldonck en Jef Ulburghs ons voorgingen en elkaar vonden. Daar scheurde het voorhang van de tempel en een stem sprak : ?Met deze man wordt het anders. Neem uw luchtbed op en wandel.? Ik weet het en ik voeg eraan toe, het is menselijk er zijn er, ook onder de journalisten, die de balk in hun eigen oog niet zien. Het is niet tot hen dat ik spreek. Maar gij, Jan ( Decorte nvdr.), gij hebt niet vergeefs op mij gewacht. (Hebt gij de eierwekker ter gelegenheid van uw huwelijk ontvangen ? Nogmaals proficiat !) En gij, Paul ( Staes nvdr.), in uw hart was geen vrees want gij wist dat ik weder zou komen om alles nieuw te maken. De vernieuwing van onze partij is immers gelijk aan een mosterdzaadje. Wanneer men het zaait in de aarde, is het 't kleinste van alle zaden op aarde. Maar wanneer het eenmaal gezaaid is, groeit het op ; het wordt groter dan alle tuingewas en het schiet grote takken, zodat de vogels in de lucht kunnen nestelen onder zijn lommer.