Professor Kershaw, na de overwinning tegen Frankrijk in 1940 bereikte Adolf Hitler het hoogtepunt van zijn aanzien onder de Duitsers. Vijf jaar later stevende het land af op de grootste nederlaag uit zijn geschiedenis. Hoeveel ruggensteun had de dictator nog tegen het einde van de oorlog?

IAN KERSHAW: Ik schat dat zowat tien procent van de bevolking pal achter Hitler bleef staan. Maar daarbij hoorden natuurlijk degenen die de macht in handen hadden.
...

IAN KERSHAW: Ik schat dat zowat tien procent van de bevolking pal achter Hitler bleef staan. Maar daarbij hoorden natuurlijk degenen die de macht in handen hadden. KERSHAW: Men kan dat onder andere opmaken uit opinie-onderzoeken uit de naoorlogse tijd. Zo hield in het begin van de jaren vijftig één op de tien Duitsers Hitler nog altijd voor een uitmuntend staatsman. KERSHAW: Achteraf bekeken, zagen velen in het Derde Rijk een goed systeem met een slechte leiding. Alleen Hitler, die aangestuurd had op de oorlog, had schuld aan de hele catastrofe. Vooral dankzij het Wirtschaftswunder (het economisch mirakel) zette in West-Duitsland algemeen de gedachte door, dat de democratie een betere regeringsvorm was. KERSHAW: Zijn populariteit leed al sinds de wintercrisis van 1941, toen de Duitse strijdkrachten voor Moskou voor het eerst terugweken. En de grote cesuur vormde natuurlijk de nederlaag van Stalingrad begin 1943. Van dan af ging het bergaf. Hitler werd door de mensen persoonlijk verantwoordelijk geacht voor de ramp. KERSHAW: Dat is niet zo eenduidig. De SD... KERSHAW:... heeft in haar verslagen over de stemming onder het volk, die naar de Führer gingen, de indruk gewekt dat de Duitsers bijna allemaal Hitlerfans waren. In de lokale SD-berichten daarentegen vind je overal aanwijzingen dat veel Duitsers een succesvolle aanslag zouden hebben toegejuicht. In ieder geval was er daarnaast inderdaad een kortstondige toename van Hitlers populariteit. KERSHAW: De SD-mensen ter plaatse waren vaak bereid negatieve stemmen weer te geven. Interessant genoeg hebben de verslaggevers meer dan eens over de zwijgzaamheid van de mensen gesproken. Zo was er in een schuilkelder niemand die commentaar had na de uitzending van de toespraak van Hitler, waarin die bekendmaakte dat hij de Stauffenberg-aanslag overleefd had. Uit het donker kwam dan de stem van een vrouw: ja, het ware toch niet slecht geweest als ze hem te grazen hadden genomen. KERSHAW:Ik heb het in verband met Hitler - in navolging van Max Weber - over een charismatische heerschappij. Daarmee wordt niet bedoeld dat de heerser de uitstraling van een filmster heeft, maar charisma is iets wat ontstaat in de ogen van de aanhangers. Ze verwachten van een leider welhaast bovenmenselijke dingen. Typisch genoeg ontstaat charismatische heerschappij in tijden van crisis. KERSHAW: In Duitsland bestond de naïe- ve verwachting dat een groot man door heroïsche daden het land zou kunnen redden. Als er dan succesmeldingen komen, zijn die voor de aanhangers het bewijs van de 'roeping' van de leider. En Hitler heeft in de jaren dertig triomf na triomf, succes op succes behaald. KERSHAW: Het geloof in de leider nam haast religieuze vormen aan, ontwikkelde bijna tot een soort volksgodsvrucht. De mensen geloofden echt dat hij persoonlijk de economie aangewakkerd had en de werkloosheid verholpen. En toen het hem lukte om zonder oorlog het Rijnland, het Saarland en Sudetenland te winnen, scheen Hitlers mythe tot in het onmetelijke te groeien. Maar met de eerste Rusland-winter begon de ketting van mislukkingen. En mislukkingen onder- mijnen de charismatische heerschappij, want ze zetten de roeping op de helling. KERSHAW: De bommentapijten hoorden zeker tot de belangrijkste factoren voor het tanen van zijn aanzien. De Führer was naar het oordeel van de grote massa van de bevolking immers de hoofdverantwoordelijke voor de catastrofes bij de deur, omdat hij - van wie ze alles verwachtten - hen niet kon beschermen. KERSHAW: Het algemene oorlogsmoreel kreeg door de bombardementen inderdaad een knauw. Niettemin was de strategie van de geallieerden volkomen verkeerd, want het naziregime kon er niet door ten val worden gebracht. KERSHAW: Ja, naar het einde van de oorlog toe was het uiterst gevaarlijk je openlijk tegen de nationaal-socialisten uit te spreken. Op elke hoek stonden de fanatici. Zelfs in de laatste dagen van het regime kon een onverholen opmerking tot een doodsvonnis leiden. Er had een volksopstand georganiseerd moeten worden, maar dat was onder de gegeven omstandigheden ronduit onmogelijk. De meeste mensen berustten of reageerden apathisch. Ze bekommerden zich om hun eigen overleven en hoopten dat Amerikanen of Britten hun gebied zouden bezetten - en niet het Rode Leger. KERSHAW: Zo was het nu net niet. Weliswaar waren er drie groepen die Hitler meer dan normaal trouw bleven: soldaten, jongeren en natuurlijk partijleden. Het aandeel van diegenen die zich in de laatste fase van de oorlog van de dictator afwendden, was ook in die groepen zeer groot. Ik wil geen zwart-witbeeld schetsen. KERSHAW: Dat deden ze ook gedeeltelijk. Maar ze werden in dat systeem gesocialiseerd. Wie aan het einde van de oorlog 15 jaar was, had vrijwel alleen de nazitijd meegemaakt. KERSHAW: De groepsethiek speelde een grote rol, maar ook de eed op de Führer, en het echte patriottisme. Overigens bleek vooral in het oosten de voortdurende propaganda aan te slaan, de oproep ter verdediging van het vaderland tegen de zogenaamde rode horden. Zelfs onder de gevangen soldaten aan het westelijk front, die zich in Britse of Amerikaanse handen bevonden, geloofde een groot aantal nog altijd in Hitler, in januari 1945 bijna twee derde. Ik vermoed dat die de behoefte hadden om in iets te geloven om de eigen situatie te verklaren. KERSHAW: Neen, het toont veel meer welke verbazingwekkende reserves Hitlers imago had, tot wat men hem nog allemaal in staat achtte. Anderzijds lieten veel soldaten zich er, vooral in het Westen, niet van weerhouden om te deserteren. Zelfs draconische straffen schrikten hen niet af. KERSHAW: Aan het westelijk front zeker tienduizenden, misschien meer. Men kan spreken van honderdduizenden die zich tegen het regime keerden, als men de burgerbevolking meetelt. Ondanks strenge verbodsbepalingen werden aan vele huizen witte vlaggen gehesen. Talrijke eenheden van de weermacht vochten niet werkelijk om hun posities, heel wat hebben zich overgegeven. Veel partijmensen gooiden hun uniformen weg. In het oosten waren er ook duidelijke verschijnselen van verval, maar in beduidend mindere mate. KERSHAW: Ja. Maar voorstellen in die zin, bijvoorbeeld van SS-chef Heinrich Himmler, wees Hitler af. KERSHAW: Bewapeningsminister Albert Speer heeft in zijn memoires geschreven dat ze er samen bij Hitler hadden moeten op aandringen om de oorlog te beëindigen. Dat was natuurlijk zinsbegoocheling. Hitler had hen altijd tegen elkaar uitgespeeld; ze waren allemaal bang voor elkaar. Een gemeenschappelijke actie was volledig uitgesloten. KERSHAW: In de leidende kliek werkte de Hitler-mythe tot op het einde. Allen zeiden: ja, als de leider dat beslist, moeten we gewoon gehoorzamen. En natuurlijk moest iedereen ook rekening houden met de aanhoudende macht van Hitler. Die had nog tot helemaal op het eind mensen die zijn bevelen uitvoerden. KERSHAW: Ik geloof dat hij in de laatste fase slechts aan zijn plaats in de geschiedenis dacht. KERSHAW: Als grote held. Hitler heeft van het begin af altijd gezegd dat er geen herhaling van 1918 zou zijn, dus geen capitulatie zoals in de Eerste Wereldoorlog. Hij ging ervan uit dat na enkele jaren het nationaal-socialisme of iets analoogs opnieuw zou opleven, en dan zouden de mensen zeggen: de leider heeft tot op het eind voor het vaderland gevochten. KERSHAW: Dat zie ik niet zo. Hitler was een totaal egocentrisch mens. Hem was het alleen te doen om zijn beeld in de geschiedenis. Hij wilde in geen geval capituleren, en de Duitsers moesten met hem mee vechten. Als dat hun ondergang betekende, was hij daar op de koop toe toe bereid. Hij had geen medelijden met de bevolking - maar de vernietiging van Duitsland heeft hij niet nagestreefd. KERSHAW: Daarmee wilde Hitler slechts op Duits grondgebied de tactiek van de verschroeide aarde voortzetten, die de weermacht bij de terugtocht toegepast had in het oosten. Dat was een logisch gevolg van zijn wil om vol te houden. KERSHAW: Dat overtuigt me niet. Waar zijn dan de bewijzen voor zoiets? Toen Hitlers minister van Propaganda Joseph Goebbels na de verwoesting van Dresden begin 1945 voorstelde om geallieerde krijgsgevangenen neer te schieten, was Hitler daar onmiddellijk voor; later dacht hij er dan anders over. Maar eerst was hij woedend. Van bevrediging kan in het geheel geen sprake zijn. Anderzijds blikte hij vaak graag terug op de 'gelukkige tijd' voor de oorlog. KERSHAW: Ook Hitler heeft eens gezegd dat de verwoesting van de steden voordelig was omdat ze kans op nieuwe opbouw bood - maar dat kan men niet als bevrediging beschouwen. Hij heeft zaken gewoon mooigepraat. Indien Hitler werkelijk Duitsland wilde vernietigen, waarom heeft hij dan geen chemische wapens ingezet? KERSHAW: Dat is geen tegenspraak. Hitler weifelde tussen extreme gevoelens, wat onder de gegeven omstandigheden niet verrassend is. Van zodra er ook maar geringe terreinwinst was, geloofde hij meteen dat een triomf misschien toch nog mogelijk was. Zelfs irreële tekenen van hoop wekten altijd weer zijn levensgeesten. Maar diep vanbinnen wist hij natuurlijk dat de oorlog verloren was. En dan was er voor hem maar één mogelijkheid: zelfmoord. KERSHAW: Om de geschiedenis in te gaan als grote nationale held wilde hij de mythe, dat hij tot het laatste schot gevochten zou hebben. De prijs daarvoor betaalden anderen. © Der Spiegel'Hitler was een mens. Daar zullen we mee moeten leven.'Joachim Fest (Hitler-biograaf)