Op 21 maart 2002 legde de Belgische wielrijdersbond Frank Vandenbroucke een schorsing op van zes maanden. Dat was het gevolg van de vondst van epo, morfine en clenbuterol een maand eerder bij hem thuis. Vandenbrouckes advocaten Luc Deleu en Johnny Maeschalck vochten de beslissing aan bij het Tribunal d'Arbitrage du Sport in Lausanne. Met succes: op 25 juni maakte het TAS de schorsing ongedaan. Een paar dagen later boog de Vlaamse Gemeenschap zich over de zaak. Zij bedacht Vandenbroucke met een schorsing van achttien maanden, waarv...

Op 21 maart 2002 legde de Belgische wielrijdersbond Frank Vandenbroucke een schorsing op van zes maanden. Dat was het gevolg van de vondst van epo, morfine en clenbuterol een maand eerder bij hem thuis. Vandenbrouckes advocaten Luc Deleu en Johnny Maeschalck vochten de beslissing aan bij het Tribunal d'Arbitrage du Sport in Lausanne. Met succes: op 25 juni maakte het TAS de schorsing ongedaan. Een paar dagen later boog de Vlaamse Gemeenschap zich over de zaak. Zij bedacht Vandenbroucke met een schorsing van achttien maanden, waarvan zes maanden effectief en twaalf voorwaardelijk. De renner tekende hiertegen beroep aan. De behandeling van dat beroep gebeurt normaal binnen de maand, in de loop van augustus dus. JohnnyMaeschalck: Wat er met Frank Vandenbroucke voor de disciplinaire commissie van de Vlaamse Gemeenschap is gebeurd, zit me diep. Het zal nog niet vaak voorgevallen zijn in onze rechtsgeschiedenis, dat iemand op basis van een onvolledig en nog niet afgerond strafdossier - op het moment van de uitspraak zat Frank zelf bij de federale politie voor verdere onderzoeksdaden - veroordeeld wordt. Bovendien had de verdediging van de betrokkene nog geen toegang tot het strafdossier. De administratie daarentegen wel, precies één dag al nadat zij erom gevraagd had. Bovendien kon ze met een ongelooflijke precisie aanduiden welke stukken ze nodig had. Dat kan geen enkele advocaat. Dat deze stukken vervolgens gebruikt werden in een tuchtprocedure, en geen strafprocedure, is een non-argument. Gelden daar dan eigen regels misschien, afhankelijk van de naam van de betrokkene? Mogen dan echt alle rechten en juridische principes zomaar aan de kant worden geschoven? Heeft de wet-Franchimont niet bepaald dat iedereen met gelijke wapens moet kunnen strijden? Maeschalck: Dat weet ik niet. Misschien omdat de gretigheid te groot was om Frank Vandenbroucke te pakken. In die gretigheid om te be- en veroordelen ligt ook de dreiging van een vervagend juridisch normbesef. Ik heb het er bijzonder moeilijk mee dat iemand op grond van een partieel dossier, dat hij niet mag aanvullen met zijn eigen argumenten en stukken, kan worden veroordeeld. Als er dan vervolgens in de wandelgangen lustig wordt geciteerd uit het strafdossier, terwijl de verdachte slechts vrij is onder de voorwaarde dat hij er niet over spreekt met derden, is voor mij de maat vol. Wat met het geheim van het vooronderzoek? En de rechten van verdediging? Maeschalck: Maar daar mogen wij op dit ogenblik niks over zeggen! En of men mij nu het etiket van procedurepleiter opkleeft of niet, ik zal mij door niemand laten tegenhouden. Ik geloof in de rechten van mijn cliënt, onvoorwaardelijk. Daar wil ik mijn handen voor vuilmaken en voor vechten. Omdat het mijn verdomde plicht is. J.H.