De uitvinders van vandaag scheppen de mysteries van morgen. Vooral de nieuwigheden die vlot wennen en gedachteloos toegepast worden, plaatsen het nog denkend restant van de menselijke geest voor diepe raadsels. Haast ongemerkt is het leven gaan drijven op een virtuele zee van computerberichten en multimediabeelden. Deze cyberspace spreidt zich als een hypervloeibare laag van beweeglijke verschijnselen uit over die andere, lomere werkelijkheid van hout, steen en koperdraad waarin het leven zich tot dan toe afspeelde. Vertrouwde beelden doven uit als geuren die opdrogen, oude stemmen zwijgen, on line voorbijgestoken door gigabytevreters en internetsurfers.
...

De uitvinders van vandaag scheppen de mysteries van morgen. Vooral de nieuwigheden die vlot wennen en gedachteloos toegepast worden, plaatsen het nog denkend restant van de menselijke geest voor diepe raadsels. Haast ongemerkt is het leven gaan drijven op een virtuele zee van computerberichten en multimediabeelden. Deze cyberspace spreidt zich als een hypervloeibare laag van beweeglijke verschijnselen uit over die andere, lomere werkelijkheid van hout, steen en koperdraad waarin het leven zich tot dan toe afspeelde. Vertrouwde beelden doven uit als geuren die opdrogen, oude stemmen zwijgen, on line voorbijgestoken door gigabytevreters en internetsurfers. Maar hoe werkelijk is al dat virtueel geraas? Niets is zo vinnig als de bits die opduiken uit het onzichtbare netwerk dat de wereld omspant, maar waar komen ze vandaan? Niet uit het niets. Wat op het scherm verschijnt, werd afgelezen uit een geheugen van een computer, een harde schijf ergens ter wereld, en gedownload op weer een andere harde schijf. En wat staat op zo'n schijf? Dat kunnen de meest uiteenlopende files zijn, databestanden, digitale beelden, teksten, programma's, alles te bekijken of te activeren door het geopende venster van een browser. Wat is een venster? Niets is zo makkelijk te openen of te sluiten, maar wat is het? Op het scherm is een geopend venster een vernuftige compositie van oplichtende pixels die bij de gebruiker de illusie wekt dat hij door een venster kijkt. Het is maar een illusie, al werkt het wel echt. De werkelijkheid die erachter schuilt, is een reeks binaire instructies, magnetisch geschreven op een harde schijf, een deel van het besturingsprogramma. Uiteindelijk is een venster dus een rij magnetische puntjes. Elk puntje stelt een nul of een één voor. De computer weet wat hij ermee moet aanvangen, dank zij andere rijen nullen en enen.De vraag wat iets is, dreigt de steller in een existentiële crisis te storten. De wereld verschijnt op zijn scherm, levendiger dan ooit, maar verpulvert tot nietszeggende cijfers zodra hij haar wil begrijpen of zelfs maar lokaliseren. Niets wat een computer doet of toont, heeft een andere substantie dan het mengsel van nullen en enen. Het is een onthutsende ervaring een harde schijf te bekijken om te zien wat er werkelijk op staat, niet door een venster van het besturingsprogramma, maar gewoon met het blote oog. Daarvoor is een dissectie nodig, een delicate operatie in het inwendige van de opengeschroefde computer (een ingreep die waarschijnlijk de laatste is die men met het betreffende exemplaar uitvoert). Verborgen in een platte anatomische holte temidden van veelpotige chips en andere micro-elektronische organen, treft men het ronde glimmende dingetje aan dat eruit ziet als het blikken dekseltje van een ouderwets snoepdoosje. Men kan er zich in spiegelen, maar er is verder niets op te zien. Een dun, verlamd armpje bengelt over het schijfje, het is de naald die er vóór de operatie in slaagde van dit plaatje de miljarden bits te lezen die de computer tot leven brachten. Een archief vol teksten, beelden en geluiden ligt hier bewaard. Maar er is niets van te zien. Niets te voelen. De vinger die er zachtjes over strijkt, merkt niets. Voor de computer zelf is het anders. Alles is (of was, vóór de inspectie) perfect uitleesbaar, en ook veranderbaar en zelfs uitwisbaar. Het archief staat er dus wel degelijk op, en zodanig zelfs dat elk stuk desnoods ook kan verdwijnen. Met een eenvoudig delete-bevel, wist men elk bestand uit. Maar wat verdwijnt er als een bestand verdwijnt? Eigenlijk niets. De naald wijzigt enkele bits in het adressenbestand van de schijf, en verder blijft alles wat het was. Niets wordt uitgeveegd of opgeruimd. Alleen kan de computer voortaan niet meer lezen wat in het 'gewiste' bestand staat; hij vindt het niet eens meer en stelt de ruimte beschikbaar voor ander gebruik. Wat weg moet, wordt niet uitgewist, maar vergeten. Bestaan al die virtuele bestanden en bewerkingen dan wel echt, of is alles één grote zinsbegoocheling? Wie zal het zeggen? Cyberspace is geen 'space', een venster is geen venster, wissen is niet wissen, en surfen is niet surfen, alleen maar bits over de wereld verplaatsen. Het is niet voor het eerst dat de truc wordt toegepast om te doen uitschijnen dat er meer is dan er is. De eerste virtuele werkelijkheid die de mens schiep, was die van de taal. Door een woord uit te spreken, roept men een realiteit op, ook als die niet aanwezig is, of zelfs niet bestaat. Door 'paard' te zeggen, roep ik het beeld op van een paard en maak het tot een onderwerp van beschouwing alsof het voor me stond. Door 'draak' te zeggen, doe ik hetzelfde met een dier dat niemand ooit heeft gezien.Maar de taal gaat nog subtieler te werk. Zonder één grammaticale regel te schenden kan zij woorden invoeren waarvan de woordsoort niet beantwoordt aan de hoedanigheid van hetgeen ermee genoemd wordt. Wie zich dan afvraagt, wat het is waarover hij spreekt, ontdekt dat hij met zijn woordgebruik boven een metafysische afgrond zweeft. Wat is, bijvoorbeeld, tijd? Op de vraag naar de betekenis van dit allergewoonste woord vond niemand ooit een bevredigend antwoord. Dat komt omdat het woord zelf het probleem is. 'Tijd' is een zelfstandig naamwoord, en de werkelijkheid waaraan het woord beantwoordt, heeft de aard van een werkwoord. Tijd is het 'aan de gang zijn', de stroming van de werkelijkheid, het bewegen of veranderen. Er kan geen tijd zijn zonder verandering en er is geen verandering zonder tijd. Maar moeiteloos maakt de taal er een zelfstandig object van door het substantief te construeren. En zo speelt het leven zich in de tijd af, zoals een boom in de wind staat, terwijl het alleen maar waait. Bestaat de tijd dan niet? Natuurlijk wel, maar als 'ding' alleen in de virtuele ruimte van de taal, de ruimte die we betreden als we spreken. Daarom zeggen we dat we tijd hebben, alsof tijd een bezit kan zijn, of dat we de tijd doden, alsof we er te veel van kunnen hebben. Maar er sterft evenmin iets wanneer we de tijd doden, als er iets verdwijnt wanneer we een computerbestand uitwissen. Of wanneer een fata morgana vervliegt.Gerard Bodifée