Soms dringt het verleden zich nog eens op.
...

Soms dringt het verleden zich nog eens op. Vorige week dinsdag overleed de Luikse onderzoeksrechter Martine Doutrèwe (42), die in 1995 was belast met het onderzoek naar de verdwijning van Julie en Mélissa. Haar houding in die zaak en in de onderzoekscommissie- Dutroux, zo schreef de krant De Morgen donderdag, leverde haar "in de media" de bepaald niet vleiend bedoelde bijnaam "de ijskoningin" op. Was dat zo? Ja, in de zin dat het De Morgen zelf was die haar zo noemde - de krant gaf haar ook eens de omschrijving "de ijsprinses" mee. Die lieflijkheden dateren uit de hoogdagen van de commissie-Dutroux, eind '96, begin '97. Commissievoorzitter Marc Verwilghen (VLD) maakte toen de blitz door Martine Doutrèwe en rijkswachtadjudant Jean Lesage ervan te beschuldigen dat een van hen niet de waarheid sprak. Tot Doutrèwe op 10 februari 1997 voor lange tijd uit circulatie verdween. Ze was ziek. Voor De Standaard was het duidelijk: Doutrèwes "niet onverwachte" ziekte was ingegeven door "tactische motieven". De Morgen ging nog verder. Deze krant wist wel zeker dat Doutrèwe als een spijbelend schoolkind onder valse voorwendselen een ziekenbriefje had bemachtigd, teneinde zich op een schandalige manier aan haar verantwoordelijkheid te onttrekken. Dat Doutrèwe toen wel degelijk ernstig ziek was, wilden deze bladen niet geloven. Nochtans had zij dat zelf al aan de commissie meegedeeld, al bleef ze begrijpelijkerwijs discreet over de details. Als een onversneden Pontius Pilatus beweert Marc Verwilghen nu evenwel (in Gazet van Antwerpen): "Ik wist niets af van haar toestand." Misschien niet goed geluisterd in zijn eigen commissie? Maar Martine Doutrèwe had de schijn tegen. Of liever: het vooroordeel. Want sommigen toonden zich, achteraf bekeken, niet echt geïnteresseerd in de ware toedracht van de complexe en delicate affaire-Dutroux. Nee, ze hadden de waarheid al in pacht en wilden zelf rechter spelen en de goeden scheiden van de slechten. Voor hen was Doutrèwe het Barbertje dat moest hangen. Dat bracht vooral de Vlaamse media, De Morgen voorop, ertoe om Doutrèwe in verband met haar ziekteverlof als een huichelaar af te schilderen. Maar al op12 februari verschenen berichten in de Franstalige pers die wezen op de ernst van haar ziekte. De stemmingmakerij ging zo ver dat de onderzoeksrechter zich op 22 februari verplicht zag om haar privacy op te geven en in een interview met La Dernière Heure details publiek te maken over haar kwaal. De Standaard nam snel gas terug en erkende op 14 februari ootmoedig dat de onderzoeksrechter inderdaad "zwaar ziek" was. Vandaag noemt de krant de reacties van februari '97 op Doutrèwes ziekteverlof "beschamend", al zwijgt ze zedig over wat ze toen zelf schreef. De Morgen publiceerde nooit enig excuus voor de onjuist gebleken aantijgingen. En de krant blijft consequent in haar voorgewende onwetendheid: vorige week beweerde ze geheel ten onrechte dat "toen nog niet geweten" was dat de onderzoeksrechter aan kanker leed, een kwaal die ze nu kies "een slepende ziekte" noemt. Die kiesheid komt een beetje laat.Marc Reynebeau