E r was in Kosovo dan toch nog voldoende reden voor een bescheiden feestje vorige week. Op donderdag 9 oktober erkenden twee buurlanden, Macedonië en Montenegro, officieel de Kosovaarse onafhankelijkheid. Servië, dat Kosovo nog steeds als zijn provincie beschouwt, kon niet meer doen dan diplomatiek protesteren: het zette prompt de Macedonische en de Montenegrijnse ambassadeur het land uit.
...

E r was in Kosovo dan toch nog voldoende reden voor een bescheiden feestje vorige week. Op donderdag 9 oktober erkenden twee buurlanden, Macedonië en Montenegro, officieel de Kosovaarse onafhankelijkheid. Servië, dat Kosovo nog steeds als zijn provincie beschouwt, kon niet meer doen dan diplomatiek protesteren: het zette prompt de Macedonische en de Montenegrijnse ambassadeur het land uit. Een dag eerder, op woensdag 8 oktober, had Servië nog een morele overwinning behaald. In New York nog wel, waar de Verenigde Naties een Servisch verzoek inwilligden om de wettelijkheid van de Kosovaarse onafhankelijkheid te toetsen bij het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in Den Haag. Dat internationale rechtsorgaan oordeelt in conflicten tussen staten, en mag daarom niet worden verward met het Joegoslaviëtribunaal, dat zich uitspreekt over misdaden gepleegd tijdens de burgeroorlogen van de jaren 1990 in het voormalige Joegoslavië. De uitspraak van het ICJ is niet bindend, maar kan één of twee jaar op zich laten wachten. Verwacht wordt dat veel landen nu dat oordeel zullen afwachten alvorens Kosovo te erkennen. Tot nu toe hebben nog maar50 landen Kosovo officieel als onafhankelijk land aanvaard. Daarbij weliswaar 22 van de 27 Europese lidstaten, en de Verenig-de Staten, wat de Kosovaren enigszins geruststelt. Maar het blijft vervelend dat 142 andere VN-lidstaten, toch een vrij duidelijke meerderheid, nog op het lijstje ontbreken. Kosovo worstelt niet alleen met dat gebrek aan internationale erkenning, maar ook met interne problemen. De bevolking van Kosovo (2 miljoen) bestaat wel voor 90 procent uit Albanezen, in de gebieden die door de Servische minderheid worden gedomineerd, heeft de centrale overheid in Pristina weinig of geen zeggenschap. Ook de Europese politie- en justitiemissie EULEX raakt niet op toerental. Die missie had vier maanden geleden alop volle kracht moeten draaien, maar door allerlei politieke en logistieke obstakels zijn nog maar 350 van de 1900 internationale rechters, politiemensen en andere functionarissen in Kosovo aangekomen. Ook zij zijn trouwens niet in staat om in het door de Serviërs bevolkte noorden van Kosovo te func-tioneren. Behalve EULEX zijn in Kosovo nog een resem internationale missies actief, die nauwelijks weten wat ze mogen of kunnen doen. Officieel is VN-resolutie 1244 uit 1999 namelijk nog altijd van kracht, en volgens die resolutie valt Kosovo onder jurisdictie van Servië. Pogingen om Kosovo een nieuw statuut te geven, en de rol van de EU en de VN te herdefiniëren, botsen in de VN steevastop een njet van Rusland - een bondgenoot van Servië. Het gebrek aan internationale supervisie over het jonge ministaatje laat zich voelen. Politiek machtsmisbruik wordt in Kosovo niet bestraft, oppositieleiders worden omgekocht en de partijen die aan de macht zijn, vullen de bestuursraden van staatsbedrijven met hun eigen mannetjes, die op zijn zachtst gezegd niet altijd over de nodige professionele kwaliteiten beschikken. Toch is het plaatje niet louter negatief. Bijna elke week wordt een nieuwe school geopend. En ook diplomatiek is er vooruitgang. Sinds juli, toen een nieuwe, meer pro-Europese regering aantrad in Servië, houden Kosovaarse ministers en Servische functionarissen gezamenlijke vergaderingen, zonder buitenlandse bemiddelaars, om praktische problemen aan te pakken. De Servische president Boris Tadic heeft ook nieuwe mensen aangesteld in het ministerie dat zich met Kosovo bezighoudt. De belangrijkste functionarissen daar zijn nu Serviërs uit Kosovo die niet vijandig staan tegenover hun gesprekspartners. De nieuwe minister, Goran Bogdanovic, maakte ooit nog deel uit van een voorlopige Kosovaarse regering, die werd geleid door Bajram Rexhepi. Een andere topfunctionaris, Oliver Ivanovic, spreekt vloeiend Albanees en zat ooit als volksvertegenwoordiger in het voorlopige Kosovaarse parlement. Rexhepi, die nu burgemeester is van de Albanese helft van de verdeelde stad Mitrovica, zegt dat die officieuze gesprekken op zich natuurlijk onvoldoende zijn om de relaties met Servië te normaliseren. Toch kunnen ze volgens hem een groot verschil maken. 'We lossen zo toch al heel wat problemen op', zegt hij. 'Al is het dan zonder te veel publiciteit.' © The Economist/G.M.