De milieu-inspectie mag optreden tegen de afvaloliesector. Dat zegt de Raad van State in een voor minister van Leefmilieu Theo Kelchtermans hoogst vervelend arrest.
...

De milieu-inspectie mag optreden tegen de afvaloliesector. Dat zegt de Raad van State in een voor minister van Leefmilieu Theo Kelchtermans hoogst vervelend arrest.?De CVP houdt de Schotense afvaloliebaron Maes-Eelen de hand boven het hoofd en het kabinet van leefmilieuminister Theo Kelchtermans (CVP) versoepelde de vergunning van het bedrijf.? Deze uitspraak zette vorig jaar kwaad bloed bij de Christelijke Volkspartij. Enkele medewerkers van Kelchtermans waren in alle staten. Ze dreigden met ontslag uit het kabinet en zelfs uit de partij. Want dat de beschuldiging uitgerekend uit de mond van een partijgenoot werd opgetekend, was hen van het goede te veel. Het was inderdaad Paul Staes (CVP) die een nieuwe episode schreef in het lange verhaal van Aftap Maes-Eelen, een afvaloliebedrijf aan het Albertkanaal. De Schotense senator klaagde de praktijken van de onderneming in zijn gemeente al vele jaren aan, eerst als milieuactivist, later als Agalevpoliticus. Ook na zijn ophefmakende overstap naar de CVP, spaarde hij zijn kritiek op de afvalolieverwerkers niet en hij wees zijn nieuwe partijgenoten op hun verantwoordelijkheid. Toenmalig partijvoorzitter Johan Van Hecke steunde de CVP-verruimer aanvankelijk, maar trok onder druk van het kabinet-Kelchtermans zijn staart weer in. Het kabinet was dus ontstemd over de beschuldiging van Staes. Kort daarna schorste Kelchtermans evenwel de exploitatievergunning van het bedrijf. Maar omdat daarbij vormfouten werden gemaakt, kreeg Maes-Eelen later gelijk van de Raad van State. Het kon voortwerken. Niet voor lang, want de Schotense onderneming staat alweer centraal in een controverse, nu tussen de Vlaamse milieu-inspectie en het kabinet van Leefmilieu. Volgens sommigen overstijgt de inzet de werking van de Antwerpse afvaloliezuiveraar ; zij vrezen dat het kabinet de autonomie van de milieu-inspectie op de helling zet en dat de overheid de milieunormen wil versoepelen, zodat het leveren van afvalolie als brandstof kan doorgaan. Het moment is goed gekozen. De bedrijfswereld klaagt al langer over een te strenge en te rigide reglementering en vindt daarbij een luisterbereid oor bij de Vlaamse regering een onafhankelijke milieu-inspectie is hinderlijk. En het publiek krijgt dagelijks een schandaal geserveerd, waardoor de aandacht voor het leefmilieu nog verslapt. GEEN ENKEL MONSTER VOLDEEDBedrijven zoals Maes-Eelen verzamelen afgedraaide olie van garages en verkopen die na bewerking aan, vooral, tuinbouwers die er hun serres mee verwarmen. De afvaloliesector heeft een kwalijke reputatie en kwam sinds de jaren zeventig geregeld in opspraak. Onder meer toen de dood van een jong meisje in Boechout aan het gif van verbrande recyclingolie werd toegeschreven. Geregeld werden bedrijfsleiders opgepakt. Een gewetenloze ondernemer kon in geen tijd kruiwagens vol geld verdienen. Het volstond dat hij de olie aan een serrist leverde zonder ook maar de minste zuivering toe te passen, of dat hij de olie, die in een industriële verwerkingsinstallatie zoals die van Indaver (Antwerpen) moest belanden, zelf verbrandde. Ongezuiverd. Met alle gevolgen daarvan voor de omgeving. Onder meer gezien de slechte ervaringen uit het verleden, zette de milieu-inspectie van de Vlaamse administratie Leefmilieu (Aminal) eind 1995 een planmatige controle van de afvaloliesector op poten. De sector zou van 1 januari 1996 af systematisch onder de loep worden genomen. De datum was niet toevallig gekozen, want van dan af golden de nieuwe normen van het Vlaams reglement op de milieuvoorwaarden (Vlarem-2). Volgens dat reglement is afvalolie een bijzondere, gevaarlijke afvalstof die in speciaal daartoe uitgeruste installaties, met zogeheten rookgaszuivering, moet worden verwerkt. Op die regel bestaat echter ook een uitzondering. Afgewerkte olie die aan strenge samenstellingscriteria voldoet en niet te veel zware metalen en zwavel bevat mag nog als brandstof worden gebruikt in serres, asfaltbedrijven of transportondernemingen. In eerste instantie nam de milieu-inspectie stalen bij 25 transportbedrijven die hun eigen, afgewerkte olie gebruikten voor de verwarming van de bedrijfsgebouwen. Acht ondernemingen die afgewerkte olie aankochten voor de productie van asfalt, werden eveneens gecontroleerd. Het resultaat was verbijsterend : geen enkel monster voldeed aan alle samenstellingscriteria. De milieu-inspectie stelde vast dat de afvalolie stoffen bevatte die er niet mochten inzitten. Omwille van de volksgezondheid en het leefmilieu mocht de afvalolie niet worden verbrand in de kleine en technisch beperkte installaties van de tuinbouwers. En toch gebeurde dat op grote schaal. VAN NORMEN EN VALSE ATTESTENIn 1996 ging de milieu-inspectie een stapje verder. Ze bezocht de leveranciers die de gezuiverde olie als brandstof op de markt brengen. De controles bij acht inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie leverden vorig voorjaar eenzelfde, negatief, resultaat op. Niet één staal van de behandelde afgewerkte olie voldeed aan de criteria. Bij alle verwerkers overschreden het zwavelgehalte en het gehalte aan zware metalen de criteria van Vlarem-2. Uit de inspecties bleek dat de zuiveraars heel goed wisten dat de door hen behandelde olie niet (volledig) aan de normen voldeed. Wat ze niet belette om het product te verkopen. In de meeste gevallen leverden de vermeende zuiveraars er zelfs een attest bij, waaruit kopers verkeerdelijk konden opmaken dat de brandstof wel aan de normen voldeed. Zo bevatte de gerecycleerde brandstof bijna vier keer meer zware metalen dan toegelaten. Omgerekend zou dat betekenen dat de vijftig miljoen liter afgewerkte olie die jaarlijks als brandstof wordt gebruikt 11.550 kilogram in plaats van de 3.000 kilogram toegelaten zware metalen lost. Dat is een honderdvoud van een middelgrote oven voor huishoudelijk afval en bijna 200 keer meer dan de jaarlijkse uitstoot van de industriële verwerker Indaver. Van de acht verwerkers beslisten er twee (in Londerzeel en Aarschot) de behandeling van afgewerkte olie te staken. Revos in Hemiksem en Stevor in Genk mochten nog olie verkopen op voorwaarde dat de normen werden gerespecteerd. Drie andere bedrijven kregen eind 1996 een absoluut leveringsverbod. Dat gold, behalve voor Maes-Eelen, ook voor de West-Vlaamse bedrijven, Recup Oil (met twee vestigingen in Ingelmunster) en Recyc Oil (Wielsbeke). De milieu-inspectie deed dus waarvoor ze werd opgericht. Ze controleerde, vroeg de betrokkenen om de wetten te respecteren, legde saneringsplannen op en legde uiteindelijk sancties op, omdat de bedrijfsleiders ostentatief weigerden de wetten na te leven en te investeren in de kwaliteit van het leefmilieu. Maar voogdijminister Kelchtermans zag het helemaal anders. Van hem kon er geen schouderklopje voor de milieu-inspectie af. Hij lanceerde een eigen interpretatie van de wetgeving, die de bedrijven goed uitkwam en de actie van de milieu-inspectie juridisch onderuit moest halen. Overigens had eerder een Kortrijkse rechter in kort geding beslist om de zegellegging van de milieu-inspectie bij Recup Oil op te schorten tot er een uitspraak kwam over een afwijking van de norm of de minister het beroep behandelde. Volgens de afvaloliesector zijn er namelijk andere normen geldig. En die gaan pas per 1 januari 1999 in, en niet per 1 januari 1996, zoals de milieu-inspectie zegt. In het jargon : het gaat om emissie- en constructienormen, niet om de samenstellingscriteria die de milieu-inspectie volgt, omdat zij ervan uitgaat dat het om een secundaire grondstof gaat. Afdelingshoofd Robert Baert van de milieu-inspectie werd in zijn stelling bijgetreden door specialisten als Luc Lavrysen (referandaris Arbitragehof) en de auteurs van de Afvalgids, Paul Morrens en Paul De Bruycker. Afvalolie moet de leefmilieutoets kunnen doorstaan, zo klonk het. Het gaat om de kwaliteit van het leefmilieu. Van hun kant vonden de bedrijven steun bij Kelchtermans, die zich verschuilde achter leidend ambtenaar van Aminal, Jean-Pierre Heirman, een trouw CVP-soldaat die vorig jaar ook al aan de vergoedingen van de milieu-inspecteurs wou raken. ZOALS HET HOOG COMITEOp 3 februari zette Heirman zijn stelling op papier. Op 5 februari schaarde de minister zich achter de leidend ambtenaar, en zette hij de milieu-inspectie in de wind. Van dan af mocht die in dit dossier niet meer bewegen. Waarop twintig toezichthoudende ambtenaren van de milieu-inspectie, betrokken bij de campagne in de sector van de afgewerkte olie, meedeelden dat het standpunt van de minister hen met verstomming had geslagen. Vervolgens was Kelchtermans weer kwaad, want ook Robert Baert, hoofd van de milieu-inspectie, tekende de brief en dat vond de minister naar insubordinatie rieken. Waarmee de vraag gesteld is : kan de milieu-inspectie controlecampagnes opzetten zonder instemming, toezicht of bijsturing van het kabinet ? Inhoudelijk kreeg de milieu-inspectie alvast de steun van de Raad van State. Die Raad ging op 20 februari niet in op het verzoek van Maes-Eelen om het dwangbevel van 22 januari ongedaan te maken. Het bedrijf mag dus niet voortwerken. De Raad vertrekt daarbij van dezelfde uitgangspunten als de milieu-inspectie : voor het hergebruik van afvalolie zijn de criteria geldig vanaf 1 januari 1996 (en niet vanaf 1999, zoals Heirman en Kelchtermans beweerden). De overheid mag niet van de eigen regels afwijken. Op zijn beurt staat de minister van Leefmilieu in zijn hemd. Op een mondelinge vraag van Vlaams parlementslid Johan Malcorps (Agalev) antwoordde Kelchtermans twee weken geleden dat hij zijn politieke verantwoordelijkheid opnam door het standpunt van Heirman te volgen. Hij viel zijn milieu-inspectie publiek af, maar kreeg ongelijk. De normen die voor Maes-Eelen gelden, gelden ook voor de andere bedrijven. In het Afvalstoffenplan 1991-1995 van toenmalig minister van Leefmilieu Kelchtermans stond dat tijdens de planperiode de kleinschalige afvalolieverbranding zou worden aangepakt. Er stond ook dat tegen 1995 ?de afvoer voor verbranding naar tuinders en dergelijke dient verboden te worden.? Parlementslid Malcorps stelt vast dat er van de mooie plannen van Kelchtermans niets in huis kwam. Na de rel tussen de minister en Staes leek het erop alsof Kelchtermans de afvalsector, en concreet Maes-Eelen wou aanpakken. Daar denkt de groene politicus vandaag anders over. ?De moeilijkheden begonnen toen ook de West-Vlaamse bedrijven werden aangepakt en vervolgens een rechtbank de verzegeling opschortte tot Kelchtermans kleur zou bekennen. Toen koos Kelchtermans inhoudelijk de zijde van de afvaloliebedrijven. Hij vreesde wellicht niet alleen de afvalolieboeren, maar ook de wegenbouwsector en de Boerenbond, want de boeren stoken de vuile, goedkope olie. In feite past dit, breder bekeken, in een poging van Kelchtermans om het milieubeleid van zijn voorganger Norbert De Batselier (SP) terug te schroeven. We hadden kritiek op De Batselier, maar hij timmerde tenminste aan de weg. Deze regering ondermijnt dat beleid. Dat gebeurt onder impuls van de CVP. De SP staat erbij en kijkt ernaar. Het integraal waterbeheer zit in de lade, het bodemdecreet moet worden uitgehold en het mestactieplan is tweeslachtig. En eindigt straks de milieu-inspectie zoals het Hoog Comité van Toezicht ? Neen, de rel rond de afvalolie is geen geïsoleerd feit.? Peter Renard Parlementslid Johan Malcorps (Agalev) vindt de rel rond Maes-Eelen (in beeld) en de afvalolie geen geïsoleerd feit. Het milieubeleid wordt teruggeschroefd.