INFO : Leonard Nolens, Een dichter in Antwerpen, Querido, Antwerpen/ Amsterdam, 82 blz., euro 17,95 Stefan Hertmans, Kaneelvingers, De Bezige Bij, Antwerpen/ Amsterdam, 59 blz., euro 16,50 Erwin Mortier en Lieve Blancquaert, Uit één vinger valt men niet, De Bezige Bij, Antwerpen/ Amsterdam, 102 blz., euro 24,90 Peter Holvoet-Hanssen, Spinalonga, Prometheus, Amsterdam, 80 blz., euro 15
...

INFO : Leonard Nolens, Een dichter in Antwerpen, Querido, Antwerpen/ Amsterdam, 82 blz., euro 17,95 Stefan Hertmans, Kaneelvingers, De Bezige Bij, Antwerpen/ Amsterdam, 59 blz., euro 16,50 Erwin Mortier en Lieve Blancquaert, Uit één vinger valt men niet, De Bezige Bij, Antwerpen/ Amsterdam, 102 blz., euro 24,90 Peter Holvoet-Hanssen, Spinalonga, Prometheus, Amsterdam, 80 blz., euro 15Poëzie lezen is een vorm van spoorzoeken, waarbij het niet erg is om te verdwalen. Er zijn verschuivingen merkbaar in het landschap dat aan je voorbijglijdt als je de verschillende bundels leest. Het gaat dan, eeuwig en altijd, om de manier waarop de dichter het lyrische 'ik' een prominente stem geeft, of dat 'ik' eerder laat verdwijnen in een soort gestaltes. Meestal heeft dat ook gevolgen voor de vorm: opbouw, rijm, ritme. Een reis via enkele belangrijke bundels van Vlaamse dichters. Leonard Nolens maakt veelvuldig gebruik van het lyrische ik, maar hij doet dat niet op een onbevangen manier. Zijn poëzie pendelt voortdurend tussen de uitdrukking van dat 'ik' en het zijnsverlies dat daarmee gepaard gaat. Het is een voortdurend genuanceerde en daarom zo fascinerende poging tot definiëring. In Een dichter in Antwerpen en andere gedichten gaat Nolens letterlijk op zoek naar zijn geboortebewijs: in de eerste afdeling van de bundel, Beginnen, gaat hij terug naar zijn oorsprong. Maar een nostalgische terugblik, op zoek naar harmonie, is het niet. Wel is het een noodzakelijke plaatsbepaling. Het is alsof de navelstreng opnieuw doorgeknipt wordt: 'Mijn bloedende navel bestreek het schreeuwende centrum/ Van de wereld in deze kamer.' Nolens maakt een beweging naar het verleden om zijn bestaan vandaag aanvaardbaar te maken: 'Herhaaldelijk word ik als alleman langzaam en donker geboren/ In 1947 vanmorgen en langzaam en donker vanavond in 2005.' Het gaat om gelijktijdigheid van tijd en plaats. En om meerstemmigheid. De eerste afdeling opent met de regels: 'Net jij,/ Net als jij,/ Net als jij die me leest/ Zoals ik het niet kan'. We zijn bevoorrechte getuigen, want het is inderdaad onmogelijk voor de dichter om buiten zijn lichaam te gaan staan en zo zijn herkomst echt van een afstand te beschouwen. Veel gedichten in de eerste afdeling staan trouwens in de wij-vorm. Het is een vorm die we al kennen uit afdelingen in eerdere bundels, typerend voor de gedichten die Nolens later wil samenbrengen in een bundel die Bres zal heten. Een poging om de kloof tussen 'ik' en 'jij' te dichten moet dat zijn, om tot een wij-vorm te komen, ver verwijderd van het wij-gevoel van religies of ideologieën. Die 'jij' kan synoniem zijn voor de moeder, voor de geliefde, maar bij uitbreiding ook voor de wereld. De beweging naar buiten is trouwens een opvallende trend in het werk van Nolens. Het gaat uiteindelijk altijd om de ander, vanaf het moment dat we voor het eerst het licht zien. En met-een gaat de verbondenheid met de ander ook verloren: 'Ik hoorde ons allemaal aan als de stem/ Van een schaar en ik hoorde mijn aanvang/ Verknipt.' Hoe begin je trouwens aan het begin? 'Niemand weet zich heelhuids te beginnen/ Men weet om te beginnen van geen kanten. / Men weet om te beginnen van geen kanten/ Waar men begint.' In de tweede afdeling, Een dichter in Antwerpen, wordt de queeste nog groter. We zien hoe de dichter zichzelf als een vreemde bekijkt en beschrijft hoe hij in Antwerpen als jonge kerel belandt, vervreemd, want afkomstig uit een andere provincie, maar gretig tegelijk. De dichter moest nog zichtbaar dichter worden in Antwerpen. We zien hem zich een weg banen langs vrienden, kennissen en geliefden. En dat doet hij vaak door straten en pleinen waar hij woonde of nachten op café doorbracht, te vermelden. Niet dat het hem duidelijkheid verschaft: 'Leien en pleinen en namen/ Van leien en pleinen zijn feiten/ Die mij het zicht op de waarheid benemen,/ Mijn waarheid.' Net zoals in de eerste afdeling valt op hoe hij heden en verleden met elkaar tot gelijktijdigheid samenbrengt. Het is een erg dubbelzinnige, veelzijdige liefdesverklaring aan de stad als metafoor voor een reeks bestaansvormen, voor een leven dat dankzij anderen vorm heeft gekregen. Daarom kun je je alleen maar steeds verder 'inlezen' in deze bundel, want als lezer voel je je nauw betrokken. Maar dat alles brengt geen volledige vervulling, meldt Nolens ons met een verwijzing naar Van Ostaijen: 'In grote lijnen ga ik dagelijks deemoedig uit/ Van vader en moeder, de plaatsen waar zij samenliggen/ Ten oosten van mijn hand, in grote lijnen// Begraaf ik hen dagelijks dieper in ons/ Als ik opsta, mijn pak aantrek om de stad in te gaan/ Met hun goede manieren van mij. // Maar vannacht werd ik hier bloot/ En klein in wat lakens en dekens verloren. / Vannacht word ik in deze kamer aangetroffen/ Door niemand. // Het oude centrum klinkt gelijk dat lege bed/ Van de reus, het is/ Geen zoetekoeksdozeke, Paul.' Een plattegrond, een spiegel om genadeloos in te verdwijnen is deze bundel. Even genadeloos, want pijnlijk liefkozend zijn de gedichten van Stefan Hertmans. De bundel Kaneelvingers lijkt wel een aaneenrijging van sensuele ervaringen. Je voelt dat hij organisch gegroeid is, volgens een even eenvoudig als ongenadig mechanisme: sommige ervaringen wil je onthouden, andere vergeet je het liefst. 'Some dance to remember. Some dance to forget,' luidt een van de motto's. Kaneelvingers, die helemaal gevuld is met gedichten waarin vingers en handen een cruciale rol spelen, is zo'n fascinerende oefening in vergeten én herinneren. Hertmans schrijft vanuit de onmogelijkheid van de echte aanraking. Het is tasten in een leegte, zoals het motto van Van Ostaijen al aangeeft: 'Over de randen van mijn handen/ tasten mijn handen/ naar mijn andere handen/ onophoudelik.' Het is een pijnlijke ervaring, omdat Van Ostaijen hier de dood lijkt te voorvoelen. De onmogelijkheid om de echte ervaring onder woorden te brengen is pijnlijk vergelijkbaar met het schillen van uien: 'Je sneed ze zacht alsof ze leefden,/ eerst dwars en dan de ringen,/ maar het deed pijn daar/ waar de schil je huid kon raken. // We moeten nu niet praten/ had je nog gezegd. / Je ogen prikken maar het stelpt/ de woorden niet.' Het valt op dat veel gedichten vaak over verwondingen gaan, fysieke gewaarwordingen die symbolen worden, evocaties van een niet minder schrijnende pijn die je niet onder woorden kan brengen. De wereld is nu eenmaal niet louter talig, zoals de deconstructivisten ons wilden doen geloven. In een van de meest geslaagde, want zinnelijkste gedichten van de bundel, Bramenvingers, haken een beeld uit de natuur en een lichamelijke ervaring niet zonder schrammen in elkaar: 'Zwart is het trosje/ dat bloed lost, een druppel,// amper genoeg voor smaak,// het loskomen van heel ver,/ noem het een einder/ aan dit ogenblik// waarop je, vinger in de mond,/ geschrokken naar me staart// met paarse ogen,/ zo heel erg lang/ geleden, het glanzen// van geplette vruchten/ op de lippen van je buik.' Je zou de bundel Kaneelvingers kunnen omschrijven als schrijnende vingerwijzingen naar het bestaan. De geliefde staat centraal, maar er zijn ook bijzondere plaatsen voor de moeder en de zoon. De onmogelijke verbinding met de moeder, na het doorknippen van de navelstreng, bijvoorbeeld: ' Je stak er twee de lucht in,/ ik als kind op het schaakbord/ van oude tegels zat/ en lachte,// je wist dat het er/ twee moesten zijn,// jij en ik,// en je kaneelvingers/ in de troebele waas/ van mijn gezicht. // Hoe ik van je hield,/ iets voor je ogen hield,// dat wat je nooit voor/ kinderen kunt zijn.' Sensuele vingerwijzingen naar het bestaan vind je ook in Uit één vinger valt men niet van Erwin Mortier. Hij schrijft vaak over een vergeten wereld, om hem in herinnering te roepen, maar ook om aan te tonen hoe relatief het begrip 'voorbij' is. Niet alleen mensen, maar ook dingen raken door taal opnieuw bezield. Dat gebeurt hier zeker in deze bundel. De mooie foto's van Lieve Blancqaert, die zij maakte in het door de geestelijken verlaten klooster van de minderbroeders in Gent, vormden het uitgangspunt. Een stukje zeep, een doos met knopen of sleutels, een bed met een gerimpelde matras, een kussen of flesjes met verzorgingsmiddelen: het zijn allemaal stille getuigen die een stem krijgen. Mortier doet dat niet door letterlijk gedichten bij de foto's te schrijven, al worden de voorwerpen die erop te zien zijn wel vaak een soort personage. Die meerstemmigheid, de geest die waait waarheen hij wil, maakt Uit één vinger valt men niet tot het grootste waagstuk uit Mortiers oeuvre tot nu toe. Het is, om een groot woord te gebruiken, een herstelpoging van de zijnsverlorenheid, terwijl alles toch rest en rommel blijkt te zijn: 'Komt, gezegenden,// vult de laden van de grondlegging/ der wereld, alles/ daarbeneden staat te huur. / De dingen draaien nog/ maar in hun draden geeuwt een/ engel zonder oorsprong// eindeloos het spijt ons/ dit nummer bestaat niet.' Niet alleen dingen, maar ook woorden vist Mortier terug op: 'Mijnwerkerswoorden als carboon/ zwart van de punt van de stift// toen ik ze vroeger spaarde en op zolder/ in het schrift met grijze lijnen/ in een sprei van broderie anglaise// opborg isomorf kwadratuur/ heliogabalus.' De taal is de moedertaal, de klankkleur van zijn jeugd. In het centrum van het bestaan gapen eenzaamheid en leegte. Want: 'als in de taal niet alles is waar/ dan wel?' De taal is de erfzonde. We zitten er maar mee. De onontkoombare dood wordt aanbeden, want de zich aan de taal vastklampende mens is een rondwandelend, vlezig stuk vergankelijkheid: 'Laat de doden (de dood/ die wij zijn) zich in ons// keren zonder jordaan, die heldere,/ zonder zich ooit/ geheiligd te weten door woorden/ nog onbesproken.' Vroegere bewoners krijgen een stem, de mystieke Hadewijch komt zelfs aan het woord, maar dan in briefvorm, met de vraag om op te gaan in de Liefste: ' Blijf, trek het laken der firmamenten/ niet van mij af. Laat uw naakte hemel// en diens hemisferen als een dakloos/ raadsel op mijn ogen rusten. // Leg een vinger op mijn lippen Liefste. / Uit één vinger valt men niet.' Net zoals de mystica Hadewijch de grenzen van de taal opzocht, doet Mortier dit hier ook. Er valt veel te lijmen, te herstellen en weer tot leven te wekken in deze boeiende bundel vol verschillende stijlregisters van Erwin Mortier en je voelt de lijfelijke, zinnelijke drang daartoe, maar dan met het besef van vergeefsheid. Want wij, de lezers, lijken het wel te zijn die in deze regels aan tafel aanschuiven: 'Onze kaken/ wachten op hypothesen/ om te verbijten te weerstaan/ of halvelings weg te grijnzen in het licht/ van niets nirwana/ eeuwigheid.'Schoonheid en pijn rijmen ook in Spinalonga, de nieuwe bundel van Peter Holvoet-Hanssen. Zijn gedichten zijn avontuurlijk en daardoor krijg je de indruk dat de dichter een groot vertrouwen heeft in de taal, maar uiteindelijk schiet ze tekort als het om troost gaat. Blijmoedig zingend naar het graf, zo zou je de gedichten in deze bundel vol toverij misschien kunnen typeren. Romantiek en moraal worden geweerd. Dat maakt deze bundel hard, ongenadig, al zoekt de stem van de dichter voortdurend naar lucht en vrijheid. In de bundel dragen twee afdelingen de titel Naar de vaantjes. De stad is een plaatsbepaling, maar ook de dood van zijn moeder: 'Verstilde sneeuwbloemverzen aan de stengel van de roos/ dus doe die onderzoekshandschoenen uit, de maskers af/ en weg die monitor, de bloeddruk van mijn moeder blijft/ op nul - ik mag niet klagen zei ze steeds, al kromde ze/ van pijn - ze vliegt weg in een vissenschool die vuurwerk maakt'. De tijd wordt erdoor ontwricht. Bij uitbreiding heeft de dichter ook oog voor de rampen in de wereld: 'Daar sta je dan met je mond vol tanden, gevlucht naar U-A-A/ met je spiegelspel en je poëticaal verantwoorde kijk op de dingen/ te staren naar het mooie woord tsunami of verkies je een/tsoenami, kaperskop'. Het maatschappelijk bewustzijn van Holvoet-Hanssen is trouwens groot in deze bundel: het gedicht Waar is, daar was is een troubadourslied voor het Lappersfortbos en De duivelskwint klaagt de arrogantie aan van de man die een weg voor zijn vrachtwagens met zand door het D'Hoppebos in Vloesberg wil aanleggen. Belangrijk in deze bundel is de poging om de beperkingen van tijd en ruimte te overstijgen, alsof het een symbool is van vogels die in formatie naar een nieuwe bestemming vliegen. Zoals in deze regels, uit de afdeling Ierse V-gedichten: ' Er hing zon in de lucht toen ik de verzen schreef/ er stak een V-riem onder mijn hart, ik hoorde water/ onder de stenen stromen.' De afdelingen Spina en Longa versterken elkaar, een verwijzing naar de lichamelijke afwijking spina bifida, de 'open rug', waarbij de ruggenwervels als doornen uitsteken, maar ook naar het voormalige leprozeneiland Spinalonga, waar de dichter niet alleen letterlijk vertoeft: 'Dwaal rond op het kerkhof van Spinalonga. / Granaatscherven van letters, ze komen tot leven. / Ik leef in het woord. Vorm de zinnen die je bekoren. / Het wachtwoord dat de wachter bij de poort vermoordt. / Visualiseer de wind, zo ontsnap je- scheer je boven dat scheepje.' Die ontsnappingspoging, of noem het een synthesemoment, om het met een filosofische term te omschrijven, is te vinden in de dodendans Spinalonga, een ironische verdwijntruc uit de wereld vol vergankelijkheid, die eerder een wals met de werkelijkheid vormt, want aan de realiteit kan zelfs een dichter niet ontkomen. Dat besef maakt de lectuur van de bundel Spinalonga tot een huiveringwekkende leeservaring: ' en de wind walst door de wereld - spookmarionetten van Spinalonga, dit is de wereld.' Door Paul Demets