Ja, hoe ontstaat dat, zo'n rubriekje in een blad? Meestal en stoemelings. En zo is het ook met het Woord Vooraf in Knack gegaan. Op die plek vooraan in het blad stond eerst een rubriekje van de uitgever-stichter van het blad, dr. Willy de Nolf: huismededelingen aan de achtbare lezer van Knack, met daarbij een fotootje van het statige pand, Tervurenlaan 153 in Brussel, waar Knack altijd kantoor heeft gehouden, op een onderbreking van een paar jaar na.
...

Ja, hoe ontstaat dat, zo'n rubriekje in een blad? Meestal en stoemelings. En zo is het ook met het Woord Vooraf in Knack gegaan. Op die plek vooraan in het blad stond eerst een rubriekje van de uitgever-stichter van het blad, dr. Willy de Nolf: huismededelingen aan de achtbare lezer van Knack, met daarbij een fotootje van het statige pand, Tervurenlaan 153 in Brussel, waar Knack altijd kantoor heeft gehouden, op een onderbreking van een paar jaar na. En dan, in het 33ste nummer van nog altijd de eerste jaargang, 16 augustus 1972, stond daar op bladzijde 3 een fotootje van de nieuwe hoofdredacteur (want Knack heeft er in den beginne zo wel een paar versleten), Frans Verleyen. Het leek ook weer een soort kattebelletje, om te zeggen dat verderop in het blad veel te lezen zou staan over de aanstaande Olympische Spelen. Maar het begon als een verhaaltje: "De redactie zat ineengedoken boven haar dossiers en tijdstabellen." Het leek alsof er een moord stond te gebeuren, of dat aanstonds, plotsklaps, een bom zou ontploffen. In alle geval ging het om iets ernstigs, zoals die dossiers en tabellen al suggereerden. Maar nee, het ging erom waar die redactie mee bezig was, heel serieus en niet over één nacht ijs schaatsend dus, en het eindigde met enige bespiegelingen daarover. Over de keerzijde van de journalistieke bedrijvigheid, de mediatisering van de sport waar die redactie aan meewerkte door in dossiers en tabellen te duiken, en over al dat andere dat ook nog doorging. Wie door de Spelen in beslag was genomen, zo ineengedoken, zag de rest van de wereld niet, de andere waarheden die toch ook niet konden worden vergeten. Dat zou op die Spelen - München, 1972 - inderdaad spoedig blijken. Zo schreef Frans Verleyen zijn eerste commentaar en hij zou dat ruim een kwarteeuw volhouden, week na week, het alleen in de zomer al eens aan iemand anders overlatend, wanneer ook hij vakantie nam. Tussendoor kwamen die commentaren wel eens uit verre landen, waar de actualiteit hem naartoe dreef, één keer zelfs, naar Verleyen meedeelde, "van boven de boomgrens". De teksten arriveerden dan per telefoon, telex, fax of modem, als het moest met de Poney Express of de postduif.HERFSTBLADEREN AAN DE SCHOENENHet Woord Vooraf kwam niet altijd in de beste omstandigheden tot stand. Want hoofdredacteur, later redactiedirecteur Verleyen wou ook verslaggever blijven, iemand die met herfstbladeren aan zijn schoenen op de redactie kwam binnengewaaid. Maar zijn commentaarstukken waren handig om er de professionele restjes in kwijt te kunnen, de gedachten en bezwaren en twijfels, het bezinksel van de journalistieke activiteit dat niet echt op zijn plaats stond in een reportage. Daar hoorde dan een fotootje bij om er geen twijfel over te laten bestaan dat het hier een persoonlijke mening betrof. Het was meteen een uitnodiging aan de lezer om er het zijne van te denken. Verleyen schreef dat Woord Vooraf niet altijd even graag, want het was natuurlijk een klus, elke week zo'n pagina. Een rokertje en een stevige whisky wilden dan nog wel eens helpen. In de laatste jaren van zijn leven maakte de kwaal die hem teisterde hem het werken almaar lastiger. Het Woord Vooraf was het laatste wat Verleyen bleef schrijven, tot een week voor hij stierf. Hij schreef het meestal op zondagavond, dan was het keurig op tijd op de redactie, voor de deadline van maandagavond. Dan belde hij nog eens hier en daar, om nog wat cijfers of feiten te controleren, soms op zoek naar een second opinion ook, kwestie van zeker te zijn dat het juist was wat hij ging beweren. Maar het ding was na enige tijd ook een instituut geworden, en instituten moeten met eerbied worden behandeld. Vlaanderen heeft altijd een schoolmeesterstraditie gekend, waarbij iemand, die geacht werd met kennis van zaken te spreken, eens kon uitleggen hoe de dingen in elkaar zaten. Wegwijzers voor de persoonlijke meningsvorming. Verleyen had wel eens het gevoel dat hij voor de klas stond. Zijn Woord Vooraf was het schoolbord, waarop hij met een krijtje moest uittekenen hoe het volgens hem met de wereld was gesteld. Toen Verleyen bij Knack begon, hadden de Vlaamse perscommentaren nog betekenis en gezag. Dat kwam vooral omdat Vlaanderen toen, in de vroege jaren zeventig, nog altijd met een verzuilde pers opgescheept zat. Die stukjes, in slecht Nederlands editorialen genoemd, stonden prominent in de krant en hun auteurs schreven er minder hun eigen bedenkingen in neer, dan wel wat werd gedacht in de partijen en zuilen waartoe ze behoorden. Ze hadden gewicht, niet omwille van zichzelf, maar omdat ze een door partijen en belangengroepen officieel goedgekeurde mening bevatten. Echte journalistiek was dat niet. Verleyen wees er graag op dat de commentaren in de kranten in die tijd allemaal, zonder uitzondering, werden geschreven door parlementsleden - zoals Tenax (senator Hubert Leynen) in Het Belang van Limburg en Jos Van Eynde in Volksgazet - of lieden die op de betaalrol van het parlement stonden - Manu Ruys in De Standaard of Karel De Witte in Gazet van Antwerpen. Dat gold niet voor hem en hij was daar trots op. Hij was alleen van zichzelf. OMKIJKEN IN VERWONDERINGZich zelf een mening vormen en niet die van belanghebbenden napraten, achtte Verleyen ook de taak van Knack, Vlaanderens eerste nieuwsmagazine. Het was geen instrument van de macht en het wou niet ten dienste staan van een politieke of andere belangengroep maar wel van de lezer. In een tijd waarin de politiek zowel de gedrukte als de audiovisuele berichtgeving bevoogde, hielpen Verleyen, Knack en het Woord Vooraf om Vlaanderen uit de verzuiling los te wrikken. Dat is, zo kan men vandaag vaststellen, omkijkend in verwondering, allemaal toch nog niet zo verschrikkelijk lang geleden. Men kan dat, wat Knack betreft, eerlijkheidshalve ook vanuit een andere hoek bekijken. Knack ontstond niet als een politiek project, maar vanuit een commerciële optiek. Over de commercialisering wordt, met name door zich verongelijkt voelende politici, tegenwoordig veel kwaads gezegd. Soms terecht. Maar de evolutie heeft een positieve kant. Een blad dat zijn geld moet opbrengen, moet op grond van zijn journalistieke merites aan de man worden gebracht, niet omdat het het juiste gedachtegoed verspreidt. Het moet zijn lezers verdienen, en die lezers dus ernstig nemen. Omdat het in de pers allemaal zo om politiek draaide, hebben politieke journalisten er altijd het hoge woord gevoerd. Niet de literaire recensent, maar de Wetstraatjournalist werd hoofdredacteur. Het waren ook politieke journalisten die in de hiërarchie van de publieke omroep opklommen - de managers kwamen pas in de jaren negentig aanzetten. Ook Verleyen had een Wetstraatachtergrond, maar zag zijn functies als hoofdredacteur en redactiedirecteur eerder als een schone kunst, wars van valse ernst of boekhoudersmanieren. Afgezien van het feit dat hij er ook absoluut geen talent voor had, vond hij management geen verheffende menselijke activiteit. Creativiteit liet zich volgens hem niet verzoenen met planning, keurslijven of werkreglementen. Laat maar waaien, de bloemen bloeien het mooist in een wilde tuin. De journalisten op zijn redactie waren zijn collega's, niet zijn ondergeschikten. Die mentaliteit weerspiegelde zich ook in zijn Woord Vooraf; de rubriek was tenslotte een zuivere expressie van zijn geest. Maar ook door die distantie begon de politiek hem gaandeweg te vervelen, zelfs te ergeren. Hij had het allemaal al eens gezien en meegemaakt, en als er al iets veranderde, was dat volgens hem in de verkeerde zin. Hij verschoof zijn aandacht naar de wereld van de cultuur, die zich volgens hem dynamischer, genereuzer en inventiever toonde dan de politiek, en de mensen meer te vertellen had.GEESTELIJK LOONFrans Verleyen was géén telg van '68. Daarvoor was hij net een jaar of twee te vroeg van de universiteit weggegaan. Ook dat heeft een vorm van distantie gecreëerd. Dat hij niet bij de achtenzestigers hoorde, en dus ook hun ideologische en andere zekerheden niet deelde, bezorgde hem tegelijkertijd een neiging tot argwaan én een onvermogen om ernstig te zijn. Hij prefereerde de twijfel. Zoiets maakt een mens tegendraads en het behoedt hem voor goedgelovigheid. Verleyen was een honnête homme, in de achttiende-eeuwse betekenis van die term. Frans Verleyen had zich op eigen kracht, bijna kwansuis geëmancipeerd uit de kleinsteedse flamingantisch-katholieke burgerlijkheid waarin hij was opgevoed. Hij werd daarbij geholpen door de relatieve luxepositie waarin hij verkeerde. Want wie in de jaren zestig een universitair diploma op zak had, kon kiezen waar hij ging werken. Flierefluiters, behept met nieuwsgierigheid, maar onbekwaam voor echt werk, moesten maar in de journalistiek gaan. Niet dat het zo goed betaalde, maar het leverde vrijheid op. "Geestelijk loon", hij hield het voor aan elke redacteur die bij hem kwam mopperen dat de journalistiek toch niet echt een vetpot is. Zo ontdekte Verleyen geleidelijk wat hem allemaal niét was verteld en aangeleerd. Het leverde hem een groot en permanent respect voor de jeugd op, want nu weet en kan die alles wat hij indertijd graag had geweten en gekund. Hij vond dus niét dat het vroeger beter was, integendeel, en zag met welgevallen dat de jongeren vandaag overal naartoe kunnen reizen, boeken in vele talen kunnen kopen en lezen, over goedkope geluidsdragers kunnen beschikken, zonder complexen of angsten met seks kunnen omgaan, weten hoe ze hun weg in de wereld moeten vinden en zo meer kansen hebben om gelukkig te worden, meer kansen dan hij ooit had. Politiek leverde hem dat een progressief-liberale kijk op de dingen op. Politiek is er om de mensen van dienst te zijn, om hen te bevrijden van alles wat hun waardigheid en ontplooiingskansen en dus hun geluk in de weg staat. In een democratie overheerste voor hem de contractgedachte, steunend op een permanent publiek debat. Daarin hoorden politici, de dienaars van het volk, duidelijk te maken wat zij zinnens waren te doen en waarom. Dan kon de kiezer uit die voorstellen zijn keuze maken. En de belastingen betalen om die uit te voeren. Verleyen verwachtte veel van de nieuwe generatie politici (Wilfried Martens, Karel van Miert, Hugo Schiltz) die in de jaren zeventig haar opwachting maakte. Zij zou de politiek moeten bevrijden van de oude dwangbuizen en gewoonten en de hypotheken moeten lichten die beletten dat het echt essentiële aandacht kreeg. Daarom koos Knack in de jaren zeventig zo duidelijk voor het zogeheten Egmontpact, omdat het beloofde eens en voorgoed komaf te maken met de communautaire troebelen. Daarom werd het Woord Vooraf een forum waarop altijd een fatsoenlijke liberalisering van abortus werd bepleit. Daarom koos Verleyen in de rakettenkwestie van de vroege jaren tachtig de kant van de vredesbeweging. Want de Koude Oorlog zag hij als een instrument waarmee zijn geliefde Europa met zijn christelijke erfgoed - dat voor hem dus tot aan de Oeral reikte - werd verdeeld, geknecht, ontoegankelijk gemaakt en onder Amerikaanse of Sovjetrussische voogdij gebracht. DE STAAT VERKNECHTGaandeweg groeide ook Verleyens wantrouwen tegen de staat en zijn bemanning. Hij percipieerde de staat als parmantig: een bemoeizuchtig, arrogant, duur en inefficiënt apparaat, dat de burger absoluut geen waar voor zijn (belasting)geld verschafte. Het personeel van de staat ervoer hij als aanmatigend en leugenachtig. Politici, constateerde hij tot zijn verdriet, waren meer geïnteresseerd in carrièreplanning dan in publieke dienstbaarheid. Ze veranderden even makkelijk van mening als van ondergoed. Ze vertelden nooit eens de waarheid, legden nooit verantwoording af, maar hoopten dat de kiezer wel zou kunnen worden misleid met steeds gigantischer, altijd maar corrupter gefinancierde verkiezingscampagnes. De staat werd Verleyens centrale thema. Hij vond dat de sociaal-democratie over de beste adelbrieven beschikte om de staat weer geloofwaardig te maken en om te vormen tot een democratisch instrument dat het primaat van de politiek en dus van de volkswil kon herstellen. De zaak was dringend, want het ontbrak niet aan usurpatoren die de staatsmacht wilden kapen: de Wetenschap bijvoorbeeld, die niemand verantwoording verschuldigd was, of supranationale organen als de Europese Commissie of de Navo, en vooral de kapitalistische economie. Verleyen hield SP'ers graag de geschriften van Emile Vandervelde over de staat voor. Tot daar Guy Verhofstadt met zijnneoliberale ideeën kwam aanzetten, die daarvoor dikke en moeilijke boeken had gelezen. Een politicus die ook iets anders las dan kabinetsrapporten, de van de klassieke humaniora doordesemde Verleyen zag dat graag. Hij bleef Verhofstadt altijd verdedigen, op het partijdige af, zowel tegen politiek-correct links, dat hem een rechtse, asociale baby- Thatcher noemde, als tegen Dehaene of Tobback, die Verhofstadt systematisch verkeerd begrepen om niet met hem in gesprek te moeten treden en hun eigen positie veilig te stellen. Dat de politieke vernieuwing het onderwerp van zijn laatste Woord Vooraf was, is daarom niet echt een toeval. Dat het de titel "Alles moet weg" meekreeg, is dat zeker ook niet. Met zijn Woord Vooraf heeft Frans Verleyen zich ongetwijfeld meer vijanden dan vrienden gemaakt. Hij verdedigde vaak minderheidsstandpunten en ideeën die moeilijk in bestaande politieke denkpatronen konden worden ondergebracht. En toch. Terwijl de krantencommentaren verzandden in vrijblijvende praatjes of voorspelbare meninkjes, bleef het Woord Vooraf een veelgelezen en hooggewaardeerde rubriek. Verleyen kreeg altijd meer fanmail dan de rest van de redactie samen. Daar waren twee redenen voor. Vooreerst valt niet te ontkennen dat Verleyen de beste stilist van zijn generatie was. Gemakshalve werd zijn stijl als "barok" omschreven en dat is niet helemaal juist. Maar men was het nu eenmaal niet gewend dat politieke commentaren ook in een rijk, soepel, beeldrijk en inventief Nederlands konden worden geschreven. Anders dan de meeste van zijn collega's gebruikte Verleyen zijn commentaren niet om er gecodeerde boodschappen naar de Tweekerkenstraat of de Keizerslaan mee te versturen. De tweede reden voor die blijvende belangstelling voor het Woord Vooraf, lag in de argumentatie van Verleyen. Die bevatte altijd iets verrassends, ook voor wie zijn conclusies niet deelde. Want er was over nagedacht. Verleyen mopperde wel eens dat hij het liefst verlost had willen zijn van die ellendige rubriek. De lezer zou dat nooit geaccepteerd hebben, maar dat was natuurlijk Verleyens eigen dikke schuld.GEESTELIJK TESTAMENTVan zijn Woord Vooraf vond Verleyen dat het te vaak te haastig geschreven plichtwerk was en dat weekbladkopij niet de pretentie moest hebben om de eeuwigheid te willen trotseren. En toch verdient het Woord Vooraf een langer leven. Omdat het getuigt van de eigenzinnige, rusteloze, kritische, door en door democratische geest die onder ons is geweest. Het is het geestelijk testament van een man, die nooit genoegen heeft genomen met de waan van de dag en het parlement bijvoorbeeld veel ernstiger nam dan veel parlementsleden zelf. De commentaren van Verleyen bevatten ideeën die vandaag en morgen nog altijd het overwegen waard blijven. Ze hebben vaak een prognostische waarde gehad, door argumenten voor te leggen die pas jaren later gemeengoed zijn geworden. En ze blijven een plezier om te lezen, natuurlijk.Frans Verleyen, "Woord vooraf", Roularta Books, 280 blz., 795 fr. Bovenstaande tekst is de (bekorte) versie van de introductie die Marc Reynebeau schreef bij de bloemlezing uit de commentaren van Frans Verleyen.Marc Reynebeau