Kunstenaar Hans Haacke speelt gastconservator in Boijmans Van Beuningen : kunst komt nooit alleen.
...

Kunstenaar Hans Haacke speelt gastconservator in Boijmans Van Beuningen : kunst komt nooit alleen.HET LIEDJE is zoetjesaan bekend. Kunstenaars als gastconservatoren laten optreden was een tegengif voor het onbehagen dat velen onder hen besloop wanneer hun werken weer eens ondergeschikt gemaakt waren aan het globale concept van een tentoonstellingsmaker en diens Gesamtkunstwerk in de ruimte. In het Rotterdamse museum Boijmans Van Beuningen grasduinden cineast en beeldend kunstenaar Peter Greenaway en theatermaker Bob Wilson al in de vaste collectie en distilleerden er visueel opwindende tentoonstellingen uit. De nieuwe Boijmans-directeur Chris Dercon inviteerde Hans Haacke (60), vaandeldrager van de politieke kunst. Deze maakte een persoonlijke keuze uit de verzameling en vertelt er een eigen verhaal mee. Haacke heeft zijn strepen al ruim verdiend. De in Keulen geboren New Yorker staat bekend als verdediger van de emancipatorische waarde van het modernisme. Zijn artistieke interesse ging sedert het begin van de jaren zestig uit naar de studie van anorganische, later biologische en ten slotte maatschappelijke systemen. Na in het werk Ant Co-op het socialiseringsproces bij mieren te hebben onderzocht, ging hij een consequent politieke kunst ontwikkelen. De basis was een analyse van de rol van kunst in de bewustzijnsindustrie, zoals die vervlochten zit in het sociaal-politieke en economische netwerk. Een vast mikpunt in zijn strategie is het blootleggen van dubieuze verwevenheden van kunstsponsors, mecenassen en directeuren met de reële wereld buiten het strikt artistieke veld. Wanneer hij uitgenodigd wordt om een tentoonstelling te maken, verricht Haacke een grondige research naar het doen en laten van al wie een invloed heeft op het beleid van het museum in kwestie. Soms komen er schandalen naar boven, vrijwel altijd kan hij aantonen dat kunst gebruikt wordt als middel om publiciteit voor een firma te maken, om aanzien te verwerven of het imago van een onderneming te verbeteren. Kunst als sociaal smeermiddel. Uit die gegevens puurt Haacke dan een case, waarvoor hij een geschikte plastische vorm kiest. Die vorm is ontleend aan het idioom van de conceptual en minimal art van zijn generatiegenoten. SLUMLORDS.Vijfentwintig jaar geleden deed Haacke soms stof opwaaien. In 1971 bedacht hij voor het Guggenheim museum in New York een installatie van 40 foto's en technische beschrijvingen van woonpanden in de stad die door slumlords met opzet aan de verkrotting prijsgegeven werden. Haacke, die de immobiliënmaatschappij bij naam ( Shapolsky et al Manhattan) noemde, maakte dat Guggenheim-directeur Thomas Messer zich in zijn thee verslikte. Die gelastte de tentoonstelling af, luttele weken voordat ze moest opengaan. Bovendien ontsloeg hij zijn curator Edward Fry, die zich prompt als vast theoreticus van Haacke ontpopte. In 1974 was het weer prijs, toen het Wallraf-Richartz Museum in Keulen in de gaten kreeg dat Haackes research gevaarlijk dicht in de buurt van een minder fraaie bladzijde uit het verleden van het museum kwam. Speurend naar de geschiedenis van een doek van Manet uit de vaste collectie, kwam de kunstenaar aan de weet dat de milde schenker van het schilderij een hooggeplaatste figuur van de met Adolf Hitler heulende Deutsche Bank was. Bang dat Haacke dit feitje wel eens zou kunnen opblazen, schrapte het museum de tentoonstelling voor het te laat was. Maar de hoge milieus leerden dat het voor hun imago verkieslijker was om zelfs harde kritiek stoïcijns te verdragen dan erover te janken. Terwijl Hans Haacke geen millimeter van zijn werkwijze afweek, drong hij door tot belangrijke kunstpaleizen van het westen, rake klappen uitdelend. Vooral kunstsponsors die zaken deden met het toenmalige apartheidsregime in Zuid-Afrika kregen de wind van voren. In 1980 maakte hij zijn opwachting in het Gentse Museum van Hedendaagse Kunst voor de tentoonstelling Kunst in Europa na 1968. Daarin nam hij de wapentrafiek van FN-Herstal naar dubieuze regimes op de korrel. Een hoogtepunt in zijn oeuvre kwam in 1993 toen hij het Duitse Paviljoen op de Biënnale van Venetië in handen kreeg. Een foto van de Führer en een gouden Deutschmark prijkten aan de ingang, binnen had Haacke de reusachtige vloer uitgebroken. Op de muur stond in koeien van letters gegrift : GERMANIA. Klaar, Haacke had z'n huiswerk gedaan : in 1934 bezocht Hitler de Biënnale in het gezelschap van Benito Mussolini en beval het toenmalige paviljoen te vervangen door een veel groter, ?das grosse Deutschland? waardig. Met het toen pas herenigde Duitsland voor ogen wilde Haacke in Venetië oude demonen bezweren. Maar zijn landschap van schots en scheef geslagen tegels deed ook denken aan de ijszee op het beroemde schilderij van de Duitse romanticus Caspar David Friedrich. Die link gaf Haacke later zelf prijs aan de New York Times (9.12.94) : in een wel zeer persoonlijke interpretatie omschreef hij Friedrichs schilderij als een ode aan een vrijheidslievend Duitsland. En hij voegde er in één adem aan toe : ?Ik ben een romanticus op mijn manier, zoals Friedrich, hoewel veel mensen dat niet willen geloven.?SJAH.In Boijmans is hij niet voor één gat te vangen. De politieke dimensie staat natuurlijk voorop. Om daar geen twijfel over te laten bestaan confronteert hij de bezoeker meteen bij het binnenkomen met twee exemplarische werken van eigen hand. Het eerste is een triptiek van lichtbakken uit 1978/79 waarin we een Philips-directeur parmantig zien uitleggen waarom zaken doen met het apartheidsregime helemaal in orde is. En op een wandtapijt uit 1978 staat een woord van dank vanwege het Eindhovense electro-concern aan de sjah van Iran, zoals het ooit in een grote krant in Teheran verscheen naar aanleiding van de invoering van het eenpartijstelsel. Zowel het drieluik als het wandtapijt zijn dragers uit een tijd waarin het kunstwerk een centrale ondersteunende rol in het religieus en maatschappelijk systeem vervulde. Door precies die dragers te gebruiken laat Haacke zien dat hij kunst opnieuw in een zinvol verband met de wereld wil zetten. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want in de postmoderne cultuur werkt het alleenzaligmakende verband, het unieke perspectief niet meer. In de plaats daarvan is een veelvoud van versnipperde gezichtspunten gekomen. In dat labyrint dreigt misschien vooral de kritische politieke kunst het noorden te verliezen, al was het maar omdat zij zich niet bij een subjectief relativisme wil neerleggen. Dat is buiten gastconservator Hans Haacke gerekend. De onzichtbare draden die hij naar de oppervlakte woelt, stalt hij niet kris kras uit. De vele gezichtspunten die hij aanreikt leiden niet naar nergens. Hij structureert het resultaat op een logische en inzichtelijke manier, onder de titel Boven : ter inzage. Zo lijkt de onoverzichtelijkheid plots beheersbaar te worden. Het kritische verstand krijgt greep op de chaos. De tentoonstelling strekt zich uit over de hele bovenverdieping met zijn grote middenblok en de twee er in overlopende zijdelen. In de centrale zaal bootste Haacke het museumdepot na, met rijen van metalen rekken waaraan de schilderijen dicht naast en onder elkaar gestouwd zijn. In het hart van dit depot heeft hij de pc met het registratiesysteem van de collectie opgesteld, gebruiksklaar voor de bezoeker. Die merkt snel dat hij deze zoekweg beter overlaat aan de kunstwetenschappelijke analyse. Op zijn verdere tocht door de gangen van het depot krijgt hij kippenvel bij het aanschouwen van enkele rijen ongeëtiketteerde, ongeremd lyrische en abstracte doeken : kunst als verkenning van het psycho-inferno, zoiets. In een andere gang ziet hij werken, van de Middeleeuwen tot heden, waarin kunstenaars zichzelf of hun mecenassen afbeelden. Die zijn wel al voorzien van labels. Met reden : zij leggen de, soms pittige, clues bloot. Dit alles onder de lege blik van stichter Van Beuningen zelf, gebeeldhouwd door Hildo Krop. HONDENKAR.Hoog aan de wanden van de middenzaal is een fries van lege lijsten aangebracht. Daaronder defileren allerlei hoogwaardigheidsbekleders in portretvorm. Plots wordt deze kunst van het flikflooien onderbroken door een sterke groep schilderijen, lang niet allemaal meesterwerken, van volksmensen aan de arbeid of anderszins aan de slag. Van Van Goghs ?Interieur met wever aan zijn getouw? tot aan ?De hondenkar? van Bart van der Leck. In de zijzalen heeft Haacke hechte ensembles gemaakt van plastisch en inhoudelijk op elkaar inspelende werken. De ene kant is opgebouwd rond de thema's fysieke en spirituele extase, naaktheid en omhulling, tooi en tastzin, terwijl in de tweede zaal het kijken zelf, licht en duister, blindheid en gezichtsvermogen, perspectief, spiegel en frame aan de orde zijn. Het is een hartverwarmende ode aan de kunstenaar als ziener (wees gegroet Duchamp en Broodthaers), aan de kunst van het zien, van de primitieve camera obscura (een echte !) tot de ronde ?Spiegel n 4? van Roy Lichtenstein. Lust door en voor het oog. Maar Haacke zou Haacke niet zijn als tekstpanelen niet evengoed als beelden de ogen zouden openen. Tegenover de fotogalerij van alle Boijmans-directeuren hangt een beknopte geschiedenis van het museum, met speciale aandacht voor zijn rol in de bewustzijnsindustrie. Het is een ontnuchterend relaas met een conclusie die voor de hand ligt : ?Zoals overal dreigt de strategie van grote bedrijven om door associatie met de kunsten hun publieke imago te bevorderen de instituties (opgezet en gesteund door de belastingbetalers) te veranderen in een instrument voor public relations : voor belangen die traditioneel geen deel uitmaken van de missie van het museum.?Jan Braet Tot 18.8, Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Open van di. tot za. 10-17 u. Zon- en feestd. 11-17 u. Delen van de tentoonstelling Boven : ter inzage van gastconservator Hans Haacke, Museum Boijmans Van Beuningen : niet voor één gat te vangen.