Haar specialisatie is jonge Amerikaanse kunst. Op haar rekent Jan Hoet om Gent een eerste mega-injectie van jeugdige artistieke energie te geven, complementair aan de opties van het SMAK. Als de avontuurlijke Casino 2001-tentoonstelling (vanaf 27 oktober) slaagt, wordt ze de eerste van een reeks Quadriënnales die het vuur in en om het SMAK brandend moeten houden.
...

Haar specialisatie is jonge Amerikaanse kunst. Op haar rekent Jan Hoet om Gent een eerste mega-injectie van jeugdige artistieke energie te geven, complementair aan de opties van het SMAK. Als de avontuurlijke Casino 2001-tentoonstelling (vanaf 27 oktober) slaagt, wordt ze de eerste van een reeks Quadriënnales die het vuur in en om het SMAK brandend moeten houden. Door elkaar geschud door de verwoestende aanslag op de Twin Towers in haar stad, gaf Jeanne Greenberg de tentoonstelling in laatste instantie een andere toon. Over het gesprek met haar, bij een avondmaal in het Gentse Café Parti, lag de schaduw van 11 september en het vermoeden van een lang en gewelddadig vervolg. Jeanne Greenberg: Het gaat om lui die Hollywood, zijn strategieën en zijn gevoel voor special effects doorhadden. Ze spraken ons in onze taal toe. Maar de realiteit verschilt heel erg van de film. Dat heb ik wel gesnapt. De onmiddellijkheid van wat gebeurde, is zoveel aperter dan een Hollywoodfilm. Films vlakken de dingen af, net zoals televisie. Maar de massa, de driedimensionaliteit ervan en het verlies van echte mensen, geven een totaal ander gevoel. Ik ben blij dat de tentoonstelling zeer geconcentreerd is op speciale effecten en op de manier waarop Hollywood ons aangetast heeft. Greenberg: Dat is een zeer goede vraag. De jongste weken trok Hollywood al zijn films met enig terrorisme terug. Eergisteren ging ik naar een film, en de WTC-torens waren er al uit gedigitaliseerd. Ze wilden de mensen de pijn niet opnieuw laten voelen, want het was een romantische prent. Ik denk dat mensen over het algemeen zeer kort van geheugen zijn. Nu willen ze twee of meer torens op dezelfde plek oprichten. Wat zullen de mensen zich over vijf jaar herinneren? Mensen zullen hun intrek nemen in die nieuwe gebouwen, en doorgaan. Ik ben bang dat het met Hollywood en de filmindustrie hetzelfde is. Greenberg: Ik weet het niet. Ik denk dat de blockbuster zal doorgaan. Greenberg: Ik was in geen half jaar meer naar de bioscoop geweest. Maar nu hadden mijn echtgenoot en ik behoefte om een film te gaan zien. We zaten elkaar op te vreten, we hadden het te zwaar te pakken. Dus lieten we ons huis achter, kochten popcorn en keken naar de film. En ik ben blij dat we het gedaan hebben. Ja, ik denk dat de blockbuster een zeer belangrijke escapistische activiteit is. Greenberg: Neen. Hij schort hem alleen op, voor een paar uur. Greenberg: Dat is een kanjer van een vraag. Als ik naar het werk in de tentoonstelling kijk, krijg ik kippenvel. Ofwel gaan we naar het reële, of we gaan naar een fantasie-extreem. Misschien gaat het gefingeerd narratieve eruit... De nieuwe technologie heeft ons in staat gesteld om alles reëel te doen lijken. Kunstenaars hebben de imitaties van het leven gebruikt, wat zullen ze met het echte leven doen? In de tentoonstelling zit een pak echt leven. Ik probeer je vraag te vatten... Is Picasso's Guernica echt? Greenberg: Juist. Als dát de vraag is, denk ik dat de kunstenaars zullen reageren en hun eigen Guernica's maken. Allicht. Drie dagen geleden kreeg ik een werk te zien dat bloedreëel was. Lane Twitchal, een kunstenaar die in Brooklyn woont, had het stof van het ingestorte gebouw verzameld dat op zijn venster viel. Hij vormde er de datum mee, 911, elf september. 911 is in Amerika ook het noodoproepnummer. Als je met de microscoop in een klein doosje keek, zag je het stof en de 911. Weet je, we hebben periodes gekend waarin kunst absoluut veranderde als gevolg van een evenement. De aidsepidemie veranderde de kunst grondig. Greenberg: Ja, in Amerika. Het bracht de figuur terug in de kunst, het lichaam en de lichaamssappen, en het intense onderzoek van onze lichamen in kunst. Tevoren hadden we voornamelijk minimalisme, we hadden... een doos. Ik geloof dat externe elementen kunst veranderen. En jij gelooft dat vast ook, want je schrijft voor een magazine dat zich vooral met politiek en actuele zaken bezighoudt. Greenberg: Er is helemaal geen verwarring. Iemand die een journalist heet te zijn, kan ook een kunstenaar zijn. Iemand die een modefotograaf wordt genoemd, kan een kunstenaar zijn. En iemand die een filmregisseur wordt genoemd, kan eveneens een kunstenaar zijn. Het is zeer zeldzaam. Maar een goede kunstenaar zijn, is nu eenmaal zeldzaam. Is de zangeres Björk dan geen kunstenares? Greenberg: Ja. Op heel verschillende plaatsen. Als je het ziet, weet je het. Als je het hoort, weet je het. En dat is een zeer zeldzaam ding. Gelukkig hebben we musea als het SMAK die heel wat jonge kunstenaars een plaats geven om mogelijkheden te creëren. Maar soms gebeurt het buiten de museumruimte, buiten de witte doos. Greenberg: Ja. Het gevoel voor de voortekenen is kunstenaars, schrijvers en creatieve mensen aangeboren. In de tentoonstelling zitten veel intuïtieve inzichten. Ze geven je het gevoel dat er iets te gebeuren staat, dat er iets opborrelt. Als het geweld zelf nog niet aan de oppervlakte gekomen is. Twee schilders schilderden ontploffingen voor de tentoonstelling, zuivere ontploffingen. En op vraag van Lars Larsen verzamelden mijn medewerkers Hollywoodbeelden van explosies en vliegtuigcrashes. Hij had een voorgevoel. Ik zei hem dat zijn essay een beetje profetisch was, maar dat hij het misschien kon actualiseren. En hij was niet de enige. Het gaat in velerlei opzichten om een 'polsshow'. Het neemt de polsslag van wat er gaande is. Het blijft niet aan de zijlijnen. Ik ben niet naar Timboektoe geweest, bij wijze van spreken. Ik heb alleen gekeken naar wat er in belangrijke grootstedelijke ruimten aan de gang was en ik toon dat. In Gent is Jan Hoet zo goed in het vinden van andere dingen. Hij trekt als het ware het bos in en snort de kunstenaar op die er leeft. Ikzelf ben dus heel stedelijk gebleven. Voor de catalogus vroeg ik elke kunstenaar om me enkele beelden te geven die van invloed waren op het werk dat hij voor de tentoonstelling maakt. Drie kunstenaars, uit verschillende hoeken van de wereld, gaven me beelden van Columbine, die schietpartij op een Amerikaanse school. Hoe dan ook, er was een onderbuik van geweld.Greenberg: Het casino is een plek waar je een verschrikkelijke verslaving kan opdoen. De ene zal er zich een avondje amuseren en twintig dollar verteren. Maar de tweede kan er verslaafd raken, zijn hele familiefortuin verliezen en in iets afschuwelijks verstrikt raken. Een casino verenigt die twee mogelijkheden in één plaats. In die zin gebruikte ik het als model. Dat vond ik er interessant aan. Greenberg: Een beet. Een beet. Er is altijd een beet in kunst, mag je hopen. Dit is geen tentoonstelling over schoonheid. Zeker, ze kijkt naar glamour, en ze kijkt naar de onderkant ervan. Ik wilde dat de kunstenaars me meegaven wat ze over visuele informatie dachten. Bij sommigen trok ik letterlijk spullen van de muur van hun atelier, fotografeerde ze en gaf ze dan terug. Ik geloof namelijk niet dat die kunstenaars allemaal frivool zijn. Dit zijn geen glamoureuze supersterren in een glossy magazine. Het is gecompliceerder dan dat. Greenberg: Ze zijn allemaal verenigd in het feit dat ze in het hier en nu leven. Ze leven in deze cultuur. Ze leven niet aan de zelfkant, ze leven niet als eremieten in het bos. Zij waren degenen die me het meest interesseerden. Ik zocht de plekken op waar ik dat soort kunstenaars kon vinden. Greenberg: Ik ben geboeid door de leisure society. De afgelopen tien jaar is een ongelooflijke weelde gecreëerd, met een hele groep van mensen die 's morgens naar kunst gaan kijken, in het museum lunchen en 's avonds naar de bioscoop gaan. Die groep van mensen, die al die dingen samen doen, interesseert me. Dat is luilekkerland. Greenberg: Het zal wel dat ze erdoor verrijkt worden. Kunst is de jongste tijd erg barok geworden. En wat er gebeurt, is dat ze niet zoveel aan de verbeelding overlaat. Neem Matthew Barney, wellicht een van de bekendste kunstenaars van vandaag. Hij geeft je alles in zijn werk: een sterk persoonlijke intrige, beelden die overvol zijn, met weinig ruimte om je verbeelding te laten werken. In zekere zin is hij briljant, omdat hij je in zijn wereld vasthoudt. Dat is ook gevaarlijk, want het is niet erg genereus voor de kijker. Maar de kijker in luilekkerland verwacht dat hij een boel informatie in de schoot geworpen krijgt. Gaandeweg wordt hij gesofisticeerder. Een kunstenaar als Matthew Barney speelt daar perfect op in. Greenberg: Nee. Dit is een nieuwe generatie kunstenaars die meer ruimte laten aan de kijker. Greenberg: Er zitten zestig kunstenaars in de tentoonstelling. Elk doet het op zijn manier. Greenberg: Niet zoveel werken in de tentoonstelling vertellen een specifiek verhaal. Mentaal en geografisch heb ik de tentoonstelling in secties verdeeld. Eén sectie gaat over marketing en branding, een andere toont veeleer de keerzijde, de onderbuik waarover we het hadden, het geweld. Er is ook een sectie met het plastische aspect: wat er met de sculptuur gebeurd is als gevolg van de passie van onze maatschappij voor wassen beelden. Het wassen beeld als popicoon. Greenberg: Niet al te specifiek. Maar hij zei wel dat hij geen thematische tentoonstelling wou. Hij gelooft daar niet in. Ik heb een Amerikaans of Germaans getrainde geest, die naar conclusies wil toewerken, de vinger op iets leggen. Hij gaf me de vrijheid om de zaken open te gooien. Dat is quasi een vereiste voor een tentoonstelling van opkomende kunstenaars. Als gevolg daarvan zal ze zwakheden tonen, maar ook sterke kanten. Als iemand door twee, drie werken geraakt wordt, zal ik het gevoel hebben dat ik mijn doel bereikt heb. Greenberg: Tegelijk verwerpt en omarmt ze het spektakel. Ze gaat er op een persoonlijke manier mee om. De idee wordt opengegooid. Vandaag wordt kunst met spektakel geassocieerd, zelfs van onze musea wordt verwacht dat ze een aspect van spektakel hebben. Denk aan het museum van Frank Gehry in Bilbao. Greenberg: SMAK op een andere, minder evidente manier. Het SMAK wordt gedragen door het imago van Jan Hoet, iets ongelofelijks. Toen ik de job aanvaardde, zei David Hammons mij: 'Jeanne, Jan Hoet is de ster van al zijn tentoonstellingen.' In zekere zin heeft hij gelijk. Hij doorziet de macht van het imago. Hij is ook mis, omdat Jan een van de meest genereuze curatoren voor jonge kunstenaars ter wereld is. Daarom word ik door hem en zijn museum aangetrokken. Hij heeft zoveel energie gecreëerd. Hij heeft een natuurlijk charisma dat mensen naar zijn plek trekt. De architectuur van het museum heeft dat niet. Jan heeft een museum gecreëerd dat een gevoel heeft, een sensibiliteit. Greenberg: Het SMAK moet de energie oppikken die een Quadriënnale zal geven, en die reproduceren, veranderen en muteren. Ik vertegenwoordig maar een klein gezichtspunt in dit alles. Ik hoop dat het museum wat ik gedaan heb, gebruikt en doet groeien. In tienvoud. En dat ze het veranderen en eruit leren. Op die manier zal het museum in leven blijven. Eerst het idee omhelzen, en er de energie uithalen. Greenberg: Dat weet ik niet. Ik ben geen Belg, ik leef niet in Gent. De SMAK-staf heeft ongelooflijk hard gewerkt. Ik hoop dat ze er plezier aan beleefd hebben en aandringen om het over te doen. Meer kan ik niet doen. Greenberg: Ik heb ze gemaakt om hen in te wijden in iets wat ze nog niet gezien hebben. Of ze ervan zullen houden, weet ik niet. Ik heb aardig wat tijd in het SMAK doorgebracht. Uit de collectie spreekt een zeer specifieke attitude _ die trouwens met mijn eigen wortels te maken heeft. Zoals de Joseph-Beuysruimte, die tijdens de tentoonstelling ook geïnstalleerd zal zijn. Of de expo van Mirosolav Balka die nu loopt, een van de ontroerendste tentoonstellingen die ik ooit in een museum gezien heb. Maar juist daarom heb ik besloten om iets anders te brengen, een andere attitude. Dat gaf me mijn structuur, mijn grenzen. Ik moest dit publiek iets geven wat het nog niet kende, iets met een hoog popgehalte: populaire cultuur, de vrijetijdsmaatschappij, marketing en merken, handel en kapitalisme. Greenberg: Ik hoop het. Ik weet alleszins waar ík naar hunker: tentoonstellingen moeten me nieuwe ideeën, nieuwe visuele codes aanreiken. Dat is opwindend. Dat was mijn leidraad. Greenberg: Dat is voor de catalogus, die een even autonoom werk wordt als de tentoonstelling. In mijn artikel staat waarom ik de kunstenaars naar beelden uit hun persoonlijke collecties vroeg. Greenberg; Ja, want het nostalgische object is niet meer dan een persoonlijke zaak. Ook jij hebt thuis persoonlijke dingen waar ik overheen zou kijken als ik bij je zou komen. Zoiets alledaags als een steen, die je van een strand opgeraapt hebt. Dergelijke persoonlijke zaken zul je op de tentoonstelling niet vinden. Mij ging het erom dat dit museum een collectie van vooral één man is. Een curator en een directeur die de jongste dertig jaar van zijn leven kunstwerken verzameld heeft, en tegelijk in z'n dooie eentje een kabinet van curiositeiten, van nostalgische voorwerpen bijgehouden heeft. In essentie is dat een zeer Europese notie, erg gelieerd met verzamelingen en musea die een lange geschiedenis hebben. Ik keerde me onmiddellijk tegen die notie, net zoals de kunstenaars in deze tentoonstelling doen. Omdat ze nieuwe geschiedenis willen maken, een geschiedenis die niet zo persoonlijk is. Greenberg: Als een ankerpunt om je bij het kiezen van kunst tegen af te zetten. In mijn achterhoofd had ik altijd de collectie van het SMAK en Jan Hoet en zijn eigen persoonlijke curiositeitenkabinet. Het volgde me overal waar ik ging. Daarom vroeg ik aan een kunstenaar om een foto van zijn kabinet te nemen. Ik gebruikte het als een model in de catalogus, en verwierp het tegelijk. Men zal tegelijk zijn geschiedenis respecteren en ondergraven. Greenberg: Het gaat helemaal om jonge en opkomende kunst die op haar tijd inspeelt. Dit is geen precieuze kunst, ze heeft geen conservator nodig en ook geen groep kunsthistorici om ze te catalogiseren. Het is jonge, nieuwe kunst. Ik vond het nodig om iets te veranderen. Ik heb veel in galeries gewerkt, en daar kun je snel reageren. In een museumsituatie is dat erg zeldzaam, maar hier kon dat wel. Ik belde een paar kunstenaars die specifieke in situ-installaties maken. Ik liet hen weten dat de gebeurtenissen me aangegrepen hadden, en als dat ook voor hen zo was, dat ze de kans hadden om erop te reageren. Greenberg: Katharina Grosse maakt een grote spray painting in het museum. Ik vroeg haar of ze haar zwarte verf meegebracht had. 'Nee Jeanne,' zei ze, 'maar er zal meer vuiligheid in het werk zitten, meer stof. Het zal minder helder zijn, meer bewolkt.' Greenberg: Ja. Je stelt het je in een ander licht voor. En de dingen wijzen zichzelf uit. Zo heb ik na de gebeurtenissen de catalogus anders geschikt, de foto's en de essays. In de kunstenaarspagina's eindigde ik met de jonge kunstenares Katy Grannan, die naar Rusland gegaan was om jonge soldaten te fotograferen die net van de oorlog in Tsjetsjenië terugkwamen. Om de een of andere reden wou ik met die soldaten eindigen. En we weten nu waarom. Jan BraetCasino 2001, van 27 oktober tot 13 januari. SMAK, Citadelpark in Gent en Bijlokemuseum, Godshuizenlaan 2, Gent. Elke dag behalve op maandag open van 10 tot 18 u.'Het gevoel voor de voortekenen is kunstenaars aangeboren.''Een beet. Er is altijd een beet in kunst.''Deze kunstenaars willen nieuwe geschiedenis maken.'