Aan massamoord en genocide is niets unieks meer. Racistische vooroordelen kunnen altijd worden uitgebuit. Daniel Goldhagen legt de schuld voor de holocaust bij het Duitse volk in zijn geheel.
...

Aan massamoord en genocide is niets unieks meer. Racistische vooroordelen kunnen altijd worden uitgebuit. Daniel Goldhagen legt de schuld voor de holocaust bij het Duitse volk in zijn geheel. IN een oorlog is veel mogelijk. Het is een grenssituatie, of liever een verzameling van grenssituaties, en als de omstandigheden ernaar zijn, gaat het overschrijden van grenzen haast vanzelf. Zeker de Tweede Wereldoorlog geeft daar tal van voorbeelden van. Zo bleek het zelfs voor een eenvoudig, doorsnee burger niet bijzonder moeilijk om een kille massamoordenaar te worden, wanneer hij daartoe in de gelegenheid werd gesteld. De Amerikaanse historicus Christopher Browning toonde dat aan in zijn boek ?Ordinary Men?, een ondertussen klassiek geworden studie over het optreden van het Duitse politiebataljon 101 in het door de nazi's bezette Polen. De bijna vijfhonderd soldaten van deze eenheid kregen de opdracht om werk te maken van de zogeheten Endlösung, zijnde de fysieke liquidatie van de joodse bevolking. En dat deden ze dus ook. Tussen juli 1942 en november 1943 waren zij verantwoordelijk voor de dood van tenminste 83.200 joodse Polen, direct doordat zij zelf het moorden voor hun rekening namen, of indirect door het organiseren van de deportatie van joden naar uitroeiingskampen. Toch beantwoordden de soldaten in kwestie nauwelijks aan het beeld van de clichématige, duivelse nazi-misdadiger. Niets in hun voorgeschiedenis wees op enige voorbeschiktheid voor onmenselijke brutaliteiten in dienst van het nationaal-socialisme ; velen waren zelfs afkomstig uit een traditioneel antifascistisch arbeidersmilieu. Zij waren geen doorgewinterde nazi's ; slechts één op drie was lid van de nationaal-socialistische partij. Ideologisch fanatieke of moreel verblinde jongeren die van niet beter wisten, waren ze al evenmin ; ze zaten op de schoolbanken vóór de nazi-indoctrinatie daar de geesten begon te vergiftigen. Wie weigerde aan de moordpartijen of deportaties mee te werken, werd daar niet voor gestraft. Hoe kwamen ze er dan toe om het toch te doen ? Omdat het hen gewoon bevolen was, omdat ze geen persoonlijke, morele verantwoordelijkheid wensten op te nemen, omdat ze zich niet buiten de groepsdynamiek wensten te plaatsen. VIJANDBEELD.Browning hechtte in zijn verklaring voor het optreden van het bataljon 101 veel belang aan die druk van de collectiviteit en de neiging tot conformisme, wat zeker in een politiestaat niet ongewoon was zelfs wanneer die, in dit geval, rechtstreeks tot massamoord leidden. Maar hij voegde daar ook aan toe dat dit hele proces werd vergemakkelijkt doordat de soldaten in kwestie de individuele menselijkheid van hun slachtoffers weigerden te erkennen. Voor joden konden zij niet het gewone menselijke respect opbrengen, omdat zij ten aanzien van hen een uitgesproken racistisch vijandbeeld koesterden. Deze dimensie van de jodenvervolging, de antisemitische achtergrond ervan, gold voor Browning als een bijkomend verklaringselement. Een andere Amerikaanse historicus, de in de politicologie gevormde Daniel Jonah Goldhagen, maakte daarvan evenwel de centrale thesis in zijn visie op de jodenvervolging. Hij doet dat in een eerder dit jaar verschenen boek, dat zopas ook in Nederlandse vertaling verscheen, ?Hitlers gewillige beulen?. Het boek is nog niet in Duitse vertaling verschenen de Nederlandse editie is de eerste niet-Engelstalige uitgave , maar heeft in Duitsland toch al voor een hevige controverse gezorgd. Het boek steunt immers op één, met grote hardnekkigheid verdedigde stelling : dat er een collectieve schuld bestaat die het Duitse volk in zijn geheel te dragen zou hebben, de erfzonde van het antisemitisme. Dat lag volgens Goldhagen in het verlengde van de eeuwenoude anti-joodse christelijke traditie en bleef ?endemisch [aanwezig] in de Duitse cultuur? en ?in alle sociale klassen en sectoren van de Duitse samenleving.? Volgens hem wist het Duitse volk voldoende van de jodenvervolging af en vertoonde het een grote, bijna spontane bereidheid om de holocaust te accepteren en om eraan mee te werken. Vandaar dat met de titel van het boek niets teveel is gezegd : aan gewillige beulen geen gebrek. Niemand kon zeggen es nicht gewußt te hebben, niemand moest ertoe worden gedwongen, niemand deed het uit banale bureaucratische onverschilligheid. Ze deden het allemaal willens en wetens, vrijwillig en zelfs met enthousiasme. Joden waren immers, zo wou het vooroordeel, een destructieve, demonische kracht in de samenleving, die alleen onschadelijk kon worden gemaakt door de fysieke eliminatie van het volk, het ras, dat geacht werd de drager ervan te zijn. Zodoende groeide het voornemen om de joden uit te roeien, aldus Goldhagen, uit tot ?een nationaal project?. Adolf Hitler en de zijnen namen dat elimineren letterlijk ; ze bedoelden : fysiek uitroeien, ausrotten. En zo geschiedde. Het heeft zes miljoen joden het leven gekost en bij ontelbare anderen voor onnoemlijk veel lijden gezorgd. HEKSENPROCESSEN.Het onthutsende aan Goldhagens conclusie is dat hij de schuldvraag beantwoordt door op een niet te miskennen inquisitoriale toon het Duitse volk in zijn geheel met de vinger te wijzen. Dat verantwoordt hij precies aan de hand van het diepgewortelde antisemitisme en met name van de manier waarop de nazi's dat hadden geactualiseerd en geoperationaliseerd. In feite negeert Goldhagen daarmee een belangrijk deel van de holocaust-historiografie. Deze impliciete en sterk moraliserende notie van de collectieve schuld wordt sinds de jaren vijftig immers nauwelijks nog verdedigd. Alleen onmiddellijk na het einde van de oorlog kende ze enige aanhang, deels uit begrijpelijke wraakzucht, deels op wetenschappelijke grond, vooral in psychologenmiddens in de Verenigde Staten. De idee van de collectieve schuld lag onder meer aan de basis van de denazificeringsprogramma's, waarmee de Amerikanen de Duitsers wilden heropvoeden. De latere socialistenleider Willy Brandt, die de oorlog in ballingschap had doorgebracht, omschreef deze (overigens weinig succesvolle) programma's als ?gebureaucratiseerde heksenprocessen?. Maar al op de processen van Nürnberg, waar de ergste oorlogsmisdadigers voor een internationaal tribunaal werden gedaagd, werd de idee van de collectieve schuld al niet meer geaccepteerd. Het had ook moeilijk anders gekund, aangezien de beklaagden die er voor de rechter werden gebracht, daar allemaal ten individuelen titel stonden. Over de holocaust bestaat al een bijzonder uitgebreide literatuur. Naar Goldhagens mening werd daarbij tot nu toe echter vooral veel aandacht besteed aan ideologie of structuren, te weinig aan de werkelijke daders, de velen die het antisemitisme in de praktijk brachten. Dit is het interessante aan de vraagstelling, niet alleen omdat het uitgangspunt ervan correct is, maar ook omdat de uitkomst van zo'n onderzoek helderheid kan verschaffen over de concrete dagelijksheid van de holocaust. Want het is tenslotte daar, in die alledaagse werkelijkheid, dat de feiten zich voltrokken. Goldhagen richt zijn aandacht daarbij op drie elementen. Vooreerst bestudeert hij de legereenheden die in Oost-Europa met het moorden begonnen door er op grote schaal joden neer te schieten. Vervolgens concentreert hij zich op de werking van de uitroeiingskampen. Hij wijst er onder meer op dat het uithongeren, mishandelen en ombrengen van joden de Duitse oorlogsmachine, zeker naarmate de oorlog vorderde, beroofde van werkkracht die ze best voor haar eigen doeleinden had kunnen gebruiken. Daarmee wil Goldhagen benadrukken dat het hem met de jodenvervolging vooral te doen was om de uitroeiing van de joden als zodanig, niet in de eerste plaats om hun uitbuiting. Tenslotte heeft hij het uitvoerig over de zogeheten dodenmarsen aan het eind van de oorlog, op het ogenblik dat de Sovjettroepen alsmaar verder richting Duitsland oprukten en uiteindelijk onvermijdelijk de kampen op hun weg zouden vinden. De overlevenden van de concentratiekampen werden toen door hun Duitse kwelgeesten gedwongen om in bijzonder barbaarse omstandigheden lange tochten in westelijke richting te ondernemen, voor de opmars van het Rode Leger uit. Deze dodenmarsen vormen het sluitstuk van Goldhagens redenering : ze leverden het ineenstortende Duitsland niets nuttigs op en mobiliseerden zelfs middelen die het Duitse leger, vanuit zijn eigen ratio, veel zinniger voor militaire operaties had kunnen gebruiken. Conclusie : Duitsland gaf ?het nationale project? van het antisemitisme de hoogste prioriteit en bleef dat tot het allerlaatste moment uitvoeren. EXCESSEN.Goldhagen benadrukt zijn centrale thesis zelfs met een zekere neiging tot monomanie, bijvoorbeeld wanneer hij geregeld onderstreept dat de daders in kwestie ?zich uitleefden? in de jodenvervolging, dat ze er meer bepaald een even intens als pervers en sadistisch genoegen in vonden om joden te vermoorden, ook vrouwen, kinderen, bejaarden of zieken. Dat verklaart volgens hem ook de brutaliteit waarmee de Endlösung gepaard ging. Veel van die moordenaars voltrokken hun misdaden zonder morren en in een eerste fase gebeurde dat, in Oost-Europa, als het ware op een ambachtelijke manier : de te elimineren joden waren één voor één met een kogel omgebracht. Bovendien vonden veel van die Duitsers het nodig om hun slachtoffers eerst nog te sarren, te folteren en te vernederen alvorens hen van het leven te beroven. Tot zulke excessen waren ze niet verplicht (er is zelfs een geval bekend van een officier die zijn manschappen vermaande omdat ze zich aan allerlei wandaden tegen hun joodse slachtoffers te buiten waren gegaan). Toch laat Goldhagen niet na erop te wijzen dat dit ?handwerk? bij de moordpartijen waarbij beul en slachtoffer elkaar letterlijk in de ogen konden kijken na verloop van tijd voor de daders psychisch toch te belastend uitviel. De gaskamers, waar meer dan de helft van de holocaust-slachtoffers om het leven kwam, boden daarvoor de uitkomst : het moorden kon ermee als het ware klinisch en afstandelijk worden voltrokken. Enigszins verrassend voegt Goldhagen daaraan toe dat de gaskamers hierin, in het creëren van een afstand tussen beul en slachtoffer, zelfs belangrijker waren dan het feit dat het moorden ermee op een industriële schaal kon gebeuren, sneller en efficiënter. Er schuilt een merkwaardige paradox in Goldhagens centrale thesis. Hij meent dat de historiografie tot nu te weinig aandacht heeft opgebracht voor de talloos vele individuen die, kennelijk zonder tegen te pruttelen, mee de holocaust ten uitvoer hebben gebracht. Volgens hem legt het courante wetenschappelijke onderzoek te veel nadruk op de verantwoordelijkheid van de kleine nazi-elite rond Hitler en de zijnen en op het functioneren van bureaucratische structuren. Daardoor worden de werkelijke daders, de feitelijke uitvoerders van de moordpartijen, zij die er hun handen dagelijks aan vuil maakten, door de geschiedenis te weinig ter verantwoording geroepen. En ze waren wel degelijk talrijk ; tenslotte telde het Derde Rijk niet minder dan tienduizend kampen en getto's, waarvan het functioneren, met inbegrip van de hele machinerie daarrond, toch al gauw enige honderdduizenden mensen in het getouw bracht. Goldhagen schat het aantal van deze gewillige moordenaars op minimaal een half miljoen. Dat is inderdaad een niet gering aantal, al is het natuurlijk wel nog altijd minder dan één procent van de toenmalige Duitse bevolking van tachtig miljoen mensen. INDOCTRINATIE.Maar tegenover deze verpletterende schuld staat een andere noodzakelijke conclusie en daar ligt de paradox. Wanneer al die honderdduizenden beulen inderdaad allemaal werden gedreven door zo'n alles overheersend en alles verterend antisemitisme, dan relativeert dat hun individuele verantwoordelijkheid. Als ze op dat specifieke moment in de geschiedenis in die specifieke context allemaal kennelijk overtuigd waren van de nefaste gevolgen van de joodse aanwezigheid in de Duitse samenleving, dan was het in zekere zin ook ?normaal? dat ze er alles aan deden om dat gevaar af te wenden. Als het klopt wat Goldhagen stelt, deden ze niet meer dan hun maatschappelijke plicht. In Goldhagens theorie waren de beulen van de jodenvervolging immers verblind door het racistische vooroordeel. Het antisemitisme was hen tenslotte van kindsbeen af meegegeven, zoals het in heel Duitsland al eeuwen van generatie op generatie overging, in een altijd weer gemoderniseerde, aan de tijd aangepaste en dus ?geloofwaardige? vorm. Het moet overigens gezegd dat Goldhagens beschrijving van de ontwikkeling van het antisemitisme behoort tot de beste bladzijden van zijn boek. Maar als dat antisemitisme op zo'n evidente wijze een plaats vond in de ?cultuur? van Hitlers beulen, dan kunnen zij daar moeilijk een volledige, ongedeelde persoonlijke verantwoordelijkheid voor opnemen. Als gevolg van de permanente en, aldus Goldhagen, obsessionele indoctrinatie verkeerden ze immers eigenlijk in een situatie van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Even paradoxaal is overigens dat de uitkomst van Goldhagens zoektocht naar de concrete daders van de genocide, toch weer een sluier trekt over de schuldige individuen, aangezien zij weer verdwijnen in de antisemitische collectiviteit en abstractie en zelfs onderling verwisselbaar schijnen. Het spreekt natuurlijk vanzelf dat het antisemitisme een noodzakelijke voorwaarde is om de holocaust te kunnen verklaren. Maar of het daar ook een voldoende voorwaarde voor is, lijkt allerminst vast te staan. Aan het opstellen van de lijst van noodzakelijke én voldoende voorwaarden komt Daniël Golhagen in zijn ?Hitlers gewillige beulen?, hoe gedetailleerd het boek soms ook uitvalt, zelden toe. Daarvoor grijpt hij te vaak terug naar veralgemeningen en hanteert hij te grove categorieën. Daarin ligt het problematische karakter van dit boek. Doordat Goldhagen kennelijk op zoek was naar één dominante krachtlijn in het historische verschijnsel dat hij tot zijn onderwerp koos, en die heeft hij gevonden in de eeuwenoude antisemitische traditie, heeft hij te weinig oog voor de ontzaglijke complexiteit daarvan en komt hij er niet toe om die uiteen te rafelen. Het blijft tenslotte een cruciale vraag waarom de holocaust zich net op dat moment in dat land voordeed. Het lijkt zelfs alsof Goldhagen in die vraag niet is geïnteresseert, waardoor evenwel het historische karakter van het verschijnsel zelf wordt aangetast. EINSTEIN.Goldhagens eenzijdige aandacht voor het antisemitisme in Duitsland roept, bijvoorbeeld, meteen de vraag op naar de jodenhaat die onmiskenbaar ook in andere Europese landen aanwezig was. De manier waarop het vooroordeel tegen de joden zich ontwikkelde, loopt zelfs grotendeels parallel met het Duitse antisemitisme. Waar ligt dan de uniciteit van nazi-Duitsland, waarom kon het nazisme het vooroordeel exploiteren op de manier waarop het dat heeft gedaan, waarom kreeg het elders niet de gevolgen die het daar wel had en hoe valt dat te verklaren ? De enige manier om hierop met zekerheid een antwoord te krijgen, ligt in een grootschalig comparatief onderzoek van het Europese antisemitisme, en daar is Goldhagen nu eenmaal niet aan begonnen. Dat relativeert alvast de wetenschappelijke waarde van zijn diagnose. Alleen al het feit dat, om een voorbeeld dicht bij huis te nemen, in het België van de jaren dertig openlijk kon worden opgeroepen tot discriminerende maatregelen tegen de joden, dat de wetenschapper Albert Einstein zijn vredesboodschap niet op een vooroorlogse IJzerbedevaart mocht brengen, louter en alleen omdat hij een jood was, dat collaborerende organisaties hun misbegrepen flamingantisme na de Duitse inval haast vanzelfsprekend konden verbinden aan de strijd tegen het bolsjevisme en het jodendom of dat, in het algemeen, het courante Nederlandse taalgebruik het jodendom tot de dag van vandaag met allerlei onheuse, vooringenomen opvattingen connoteert, wijst erop dat die vermeende Duitse antisemitische uniciteit best enige relativering verdient. Zeker Oost-Europa kende een lange traditie van pogroms ; in Polen werden er zelfs kort nà de Tweede Wereldoorlog nog georganiseerd tegen holocaust-overlevenden. En het volstaat om het dagboek van Isaak Babel te lezen om vast te stellen dat ook het revolutionaire Rode Leger van kort na de Oktoberrevolutie er helemaal niet immuun voor was. Op sommige plaatsen die in de loop van de oorlog werden bezet, was het grofste werk in de jodenvervolging al gedaan vooraleer de Duitsers er aankwamen. In Bukovina hadden, bijvoorbeeld, de Sovjets en de Roemenen al deportaties en moordpartijen voor hun rekening genomen. Berucht is ook dat, bijvoorbeeld, Nederlandse of Franse politiekorpsen niet altijd van veel gewetensproblemen blijk gaven toen ze tijdens de Duitse bezetting werden opgevorderd om mee te werken aan de deportatie van hun joodse landgenoten. In Litouwen hadden sommigen zelfs niet het geduld om te wachten op de bezetting van hun land door Duitse troepen om alvast zelf met het vermoorden van joden te beginnen. In het algemeen ontbrak het de nazi's in de landen die ze hadden veroverd, zelden aan medewerkers bij de uitvoering van hun criminele plannen, ook die tegen de joden. Het lijkt wel alsof collaborateurs uit de Oekraïne of de Baltische landen zoals de Hilfswillige (de Hiwi's of Trawniki, genoemd naar de plaats in Polen waar deze vrijwilligers hun summiere opleiding kregen) zelfs het vuilste werk verrichten en zich daarbij niet zelden door hun wreedheid tegenover hun slachtoffers onderscheidden. Terwijl het al genoemde politiebataljon 101 niet alleen uit Duitsers bestond, maar ook een dozijn Luxemburgers in zijn rangen telde. Het belangrijkste verschil is wel dat nazi-Duitsland als enige staat heeft geprobeerd om het racistische vooroordeel ook op de meest radicale manier in de praktijk te brengen. Toch is het maar de vraag of dit volstaat om hieruit een Duitse collectieve schuld te kunnen afleiden. Bovendien ligt onder deze veronderstelling de idee dat het antisemitisme zich in Duitsland zozeer had ontwikkeld dat het een plaats zou hebben gekregen in een Duits ?volkskarakter?. Dat laatste is een al even problematische notie. De idee dat een groep mensen binnen een bepaalde (staats)grens zich door zo'n ?typisch?, eeuwig en onvervreemdbaar karakter of volksaard zou kenmerken, is allerminst vanzelfsprekend. Zulke veralgemeningen leiden, in dit geval met een tragische ironie, overigens al snel tot vooroordelen. WIE WIST WAT ?Het zou voor de hand liggen om de holocaust niet alleen in verband te brengen met het antisemitisme in Duitsland, maar ook met het dictatoriale nazi-regime dat de holocaust tot een officieel objectief maakte. Dan moet er echter rekening mee worden gehouden dat dit regime, voor zo ver dit meetbaar is, nooit over een democratische meerderheid beschikte. En kunnen er al bezwaren worden geopperd tegen Goldhagens algemene, impliciete of expliciete hypothesen over het Duitse volkskarakter of de Duitse collectieve schuld, in de kennis van de precieze opvattingen van de Duitse bevolking liggen de concrete problemen van het historische onderzoek. Herhaaldelijk roept Goldhagen, zowel in zijn boek als in interviews, zijn critici op om het bewijs van zijn ongelijk te leveren. Geheel correct is zo'n handelwijze niet ; volgens de falsificatie-methode is het aan de auteur om zijn hypothesen te verfijnen door zelf te zoeken naar argumenten die ze kunnen tegenspreken. En door hun algemeenheid kunnen veel van Goldhagens hypothesen wel een krachtige indruk wekken, dat betekent niet noodzakelijk dat ze ook voetstoots aan te nemen zijn. Was, zoals hij beweert, de Duitse bevolking goed op de hoogte van de praktijk van de jodenvervolging en heeft geen enkel significant bevolkingssegment daar bezwaar tegen gemaakt ? Het is onmiskenbaar dat de nazi-elite de Duitsers over de ware omvang van de jodenvervolging in het ongewisse liet en zich in haar propaganda bediende van allerlei eufemismen als Endlösung (?definitieve oplossing?) waar ze massamoord bedoelde. Tenslotte ging het hier om een officieel geheim en op het verraad daarvan stond de doodstraf. Heinrich Himmler, de opperste politiefunctionaris van nazi-Duitsland, meende zelfs, geheel in de lijn van zijn elitaire opvattingen, dat de nazi-leiding dat geheim maar in haar graf moest meenemen, als ging het met de uitroeiing van de joodse bevolking om een historische taak die ze te vervullen had ten dienste van een volk dat zich van de noodzaak daartoe onvoldoende bewust was. Er bestaan bovendien wel degelijk aanwijzingen dat sommige Duitsers bezwaar maakten tegen de jodenvervolging en dat het ?spontane? antisemitisme niet de omvang kreeg die de nazi's hadden gehoopt. Het ?natuurlijke? antisemitisme bleek uiteindelijk niet te volstaan om de holocaust te verantwoorden, ook niet voor hen die daar in de praktijk voor moesten instaan. Daarom werd dan maar naar bijkomende legitimaties gezocht. Zo werd geregeld verwezen naar de geallieerde bombardementen op de Duitse steden, die ook veel weerloze burgers het leven kostten en die werden voorgesteld als het werk van het internationale jodendom, hetzelfde dat in door Duitsland gecontroleerd gebied diende te worden uitgeroeid. Het historiografische probleem dat zich daarbij stelt, is dat het antisemitisme in deze context een onderzoek naar concrete kennis, waarden en opinies veronderstelt (wie wist wat en wat dacht men erover ?), waarbij het in een context van oorlog, censuur en propaganda uiterst moeilijk is om de representativiteit van verspreide opinies correct in te schatten. Alle bezwaren die tegen ?Hitlers gewillige beulen? kunnen worden ingeroepen, nemen natuurlijk de realiteit van de holocaust niet weg. De belangrijkste waarde van het boek blijft dan ook dat Goldhagen het antisemitisme ermee kan voorstellen als een mentale voedingsbodem voor de grootste verschrikking van de nu aflopende eeuw. Ze is helaas niet uniek gebleven want elders en in recentere tijden, van Cambodja tot Ruanda, is ze herhaald geworden. Goldhagens boek is daarom een discussie waard, al was het maar omdat het feit dat grote bevolkingsgroepen op basis van een racistisch vooroordeel voor een genocide kunnen worden gemobiliseerd, altijd een bron van zorg moet blijven. Marc Reynebeau Daniel Jonah Goldhagen, ?Hitlers gewillige beulen?, Standaard/Van Reemst, Antwerpen/Houten, 593 blz., 1195 fr.Daniel Goldhagen : collectieve schuld.Auschwitz : een moordinstituut.In de holocaust liepen structurele en individuele wreedheid altijd parallel.De verbrandingsovens : eindoplossing. Na het neerslaan van de opstand van het getto van Warschau : een historische taak voor de nazi-elite.