Jan Braet
Jan Braet Jan Braet is redacteur cultuur bij Knack.

Roger Raveel kreeg van Stéphane Beel een museum naar zijn beeld en gelijkenis. Op de maat van het dorp en de hemel.

Hij is er geboren en getogen, hij woont er en maakt er moderne kunst. Bij leven heeft hij er nu ook z’n eigen museum. Het dorp Machelen- aan-de-Leie stelde zich allesbehalve provinciaals op, nadat de vrienden van de kunstenaar er in de jaren tachtig in geslaagd waren om de Vlaamse Gemeenschap de bouw van een Roger Raveelmuseum aan te praten. Machelen bood een perceel in volle dorpskern aan, tussen kerk en school en hoofdstraat in. Nu, meer dan tien jaar later, is het dorp beloond met een buitengewoon mooi museum dat het oog van de meest veeleisende internationale architectuur- en kunstliefhebber streelt, zonder dat van de argeloze dorpeling te ergeren, of andersom.

De bouw van Stéphane Beel met z’n evenwichtig gesneden volumes in enfilade, subtiel overgaand in het gerenoveerde pastorijgedeelte, is naar hartelust gedifferentieerd en toch nooit verbrokkeld: eenheid in verscheidenheid. Het moet een aftasten vanuit de grootste eenvoud geweest zijn, want het vergde kijken en zich oriënteren naar de noden, de schaal van de omgeving, ook naar de eigenschappen van het gebeuren binnen, en niet in het minst naar de verbindende elementen tussen beide. Zoals Raveel het dorp binnenhaalt in zijn beelden, en de blik veelvuldig naar buiten afleidt, net zo doet Beel in zijn bouw. Hoe deze onderlinge wisselwerkingen tussen kunst en architectuur elkaar in vlam zetten, is absoluut uniek om te ervaren.

Beels Machelen-architectuur is veel meer voel- dan zichtbaar: in de maat en de sferen die hij elk van de opeenvolgende ruimten meegeeft. Kleiner, groter, lichter, donkerder, hoger, lager, warmer, kouder, meer open of gesloten, strenger, ijler of intiemer – de kamers houden het klimaat van de schilderijen vast. En in de manier waarop het nieuwe en het gerenoveerde gedeelte in elkaar overvloeien, elkaar spiegelen en uiteindelijk loslaten om als autonome gestalten te verschijnen, ligt de bezegeling van het mystieke huwelijk tussen Beel & Raveel. Het lokale, particuliere en enkelvoudige bij beiden vloeit uit in het universele, het verschillende en het meervoudige.

Eigenlijk gaat het zelfs om een ménage à trois. Voor de selectie en de ophanging van de werken was een man verantwoordelijk die de literaire tweelingziel van Raveel mag genoemd worden. Dichter en criticus, nu ook nieuwbakken conservator Roland Jooris, zorgde voor een beheerst parcours in de ruimte. Hij blikt in dat werk van Raveel als in een heldere spiegel. Met zijn nuchtere en poëtische kijk wist hij uit het beschikbare materiaal – 300 schilderijen, 2500 tekeningen en het complete grafische oeuvre – een sterke keuze te maken.

DE GEVREESDE ZIEKTE

Het is vooral de gooi naar de perfectie die van de vraag naar de zin van een openbaar eenmansmuseum nu een veeleer theoretische gewetensoefening maakt. In principe is het immers politiek niet evident dat een kleine gemeenschap opdraait voor het leeuwendeel van de bouwkosten van een museum, gewijd aan een enkele kunstenaar – tachtig van de honderd miljoen frank. Ex-cultuurminister Patrick Dewael (VLD) en zijn adviseur beeldende kunsten Karel Geirlandt droegen er de politieke verantwoordelijkheid voor, terwijl ze met lange tanden de nog onder Frans Van Mechelen (CVP) aangegane verbintenis voor een museum Felix De Boeck in Drogenbos nakwamen. Een banale bouw en een ongefilterd bijeenbrengen van stukken uit het zeer ongelijkmatige oeuvre van De Boeck deden diens reputatie en die van het Vlaamse beeldende kunstenbeleid geen goed. Een nieuw fiasco kon iedereen dus missen als de gevreesde ziekte.

Ook in louter artistiek opzicht zijn er, algemeen gesproken, nogal wat risico’s verbonden aan een eenmansmuseum. Een sokkel bouwen voor het oeuvre van één kunstenaar komt onvermijdelijk neer op het vastleggen van een centraal referentiepunt van waaruit alles tot in lengte van dagen zal worden bekeken, en het wegzuigen van mogelijkheden om het werk op voet van gelijkheid in wisselende contexten te confronteren met dat van anderen. Pas op die manier kunnen nieuwe inzichten en verrassende verbanden ontstaan, zodat het werk altijd levendig blijft.

Roland Jooris houdt rekening met dat gevaar, door van meet af aan te benadrukken dat hij geen mausoleum wil, maar juist “diverse en wisselende invalshoeken”, confrontaties met “de kunst van tijd- en generatiegenoten” en een “internationale context” om het werk “te laten dialogeren met hedendaagse strekkingen”. Maar doordat alle wegen onveranderlijk naar de huiskunstenaar moeten lopen, komt het in de regel tot een versneld historiseren van diens oeuvre.

Jooris moet geen gevaren vrezen. Beter verandert hij geen flikker aan wat er nu staat, want het is perfect. Als hij de schilderijen en het gebouw maar goed conserveert, dan zal de frisheid die ervan afstraalt, binnen honderd jaar nog aanstekelijk werken. Hier immers, in zijn eigenste Machelen, wordt de achtenzeventigjarige Roger Raveel voor het eerst getoond in al zijn staten. Hij mag ons en de dorpelingen bij de hand nemen en zeggen “Ziedaar het oeuvre”, daarna op z’n lauweren rusten als hij wil.

Hij is al voldoende op voet van gelijkheid in wisselende contexten opgevoerd met tijd- en geestesgenoten van de Nieuwe Visie, dat het stilaan tijd werd om het volstrekt unieke van zijn werk eens en voorgoed in de verf te zetten. Het was bekend dat hij, vooral van zijn werk uit de jaren vijftig en begin zestig, een aanzienlijke verzameling voor zichzelf had opgebouwd. Het begon ermee dat hij zich miskend wist, en toen de erkenning in Vlaanderen in de volle jaren zestig eindelijk volgde, ging hij er gewoon mee door.

IETS VREEMDS MET EEN KARRETJE

Frisheid, vanaf de eerste blik op de Gele man met karretje (’52) dat als een programma in de inkomhal hangt. Van de rug af gezien, zo’n lichtjes geschifte boerenfiguur in knalgeel gestreept bajespak, uit het raam gestapt en in de wereld van de akker en het dorp terechtgekomen, iets vreemds in z’n schild voerend met een karretje – het voorlopertje van het ding waarmee de kunstenaar later de hemel zou vervoeren. Nieuw realisme? Doorheen een voorzichtig maar consequent abstraheren van de werkelijke dingen, maakt de kunstenaar alles concreet, in kleur, vlak en contouren, strak bemeten.

In het hart van de kunst van Roger Raveel bloeien weelderig de paradoxen. Zo luidt de wellicht langste titel ooit aan een schilderij gegeven: Een mens ten voeten uit, in vrijheid gevangen gevoelens, wiskundig betekend, krachtig machteloos, rijk in schamelheid, tijdelijk voor eeuwig geboren, roepend naar verzadiging in de leegte (’95). De kop van die mens is een maagdelijk wit vierkant: geest en rede. Op het in wit ziekenhuisplunje gestoken lijf, onder grote blote voeten, zijn nog twee witte vierkanten geschilderd, bedekt met een patroon van glinsterende spiegeltjes uit synthetisch glas: hart en geslacht als ijdel speelse broers.

Verscholen achter een muur zit een trap die uitkomt op een ijle nieuwe ruimte als een waterlelieplas van Monet vol oceanische uitbreidingen van blauwe en groene verfstromen met magisch blippende vierkanten. Vandaar gaat het recht naar de pastorie, naar de pastorale sfeer van kamers met oude kleine ramen en houten vloeren, bewaarde schoorsteenmantels, waar de schilderijtjes hangen die over boereninterieurs, naaikamertjes, vaderherinneringen en rustig over de landweg wandelende jongens handelen.

Maar die trap merk je pas op wanneer je uit de laatste zaal van de nieuwbouw weergekeerd bent, duizelend van de daar gemaakte associaties tussen Goden en Scheppers (van de vrouw, van kunst en literatuur), wandelend over een lang hellend vlak, via de kamersuites terug naar het begin.

In de allereerste kamer nu is het licht zacht, de zoldering laag, de muren licht en wit in contrast met de grijze betonvloer, de opening naar de volgende ruimte donker en smal. Zo wordt de blik gestemd als een gevoelig snaarinstrument dat de eerste partituren van Raveel moet spelen. Lof van de handenarbeid ( Stukadoors) en het staren uit het raam, lof van het kaarten met Gust De Smet, van het schilderen als lichtjes geïllumineerd recreëren van de werkelijheid rondom.

Neem nu een doodgewone Vrouw met opsmukspiegeltje (’53). Hoe die bij Raveel zo’n gezette matrone wordt met rood-zwart geblokt gezicht, een witte en een gele kous en een breed gestreept kleed. Hoe die een minuscuul handspiegeltje voor zich uit ziet zweven, temidden van het in geometrische patronen oprukkende decor, opzichtig van kleur. Wie dergelijke visioenen kreeg, ging zich nooit vervelen: de jonge David Hockney niet, in het grijze Bradford, en de jonge Raveel in Machelen, roerloos als de Leie, al evenmin. Popart hing in de lucht.

En toch, midden de jaren vijftig drongen machtige vierkanten op. Een tijd lang slokten ze de hele Machelse figuratie met huid en haar op, vrij in het diep van het beeldvlak zwemmend, brede uitstortingen van smeuïge kleurvelden en vegen rondom veroorzakend. Het zelfbewust gemarkeerde schildersgebaar is dubbel: lyrisch expressionistisch als dat van Willem de Kooning, rudimentair lineair en hevig strak als Vlaams suprematisme, zuigende Malevitsj. Waar konden de Witte Aanwezigheid en aanverwante werken met hun mengeling van metafysische verrukking en mystiek sperma beter hangen dan in de tweede kamer, met zijn hoge zoldering en hevig licht uit een breed raam aan de zijkant boven? Met al hun voeten op de grond evenwel, de Metselaars (’53) en hun komische gevangene.

DE VERVOERING VASTHOUDEN

In de volgende kamer, klein en donker, wordt de vervoering nog even vastgehouden, in negatief. Een zwart zuigend vierkant uit 1958. Nerveus en tastend naar de abstractie, “I’ll rather go blind”. Ineens, een visuele explosie met een duizelingwekkende Rode Aarde (1959-60).

De orkaan ging liggen, de contouren van de vertrouwde omgeving keerden terug. De teruggevonden concreetheid werd zo intens omarmd dat sommige dingen zich in hun werkelijke, driedimensionele vorm een weg naar het schilderij baanden. Het gordijntje (’63) opent nog op een enigmatisch beeld dat evengoed panoramisch als frontaal kan zijn. Maar de verwarring is helemaal voorbij in kamer zes, om plaats te maken voor Het verschrikkelijke mooie leven (’65), een drieluik. Het is een ode aan de concrete abstractie van de dingen door het raam aan de achterdeur. Een toch nog knap in onaards blauw zwelgende muur, een tot op het gazon gezonken rode zon met een poes ervoor, de duif van de geest die opwiekt uit een witte leegte. Maar in het midden, tegen een geel omkranst aureool, zitten twee kanarievogels, zo echt als het kooitje op het schilderij waarin ze, waarschijnlijk niet eens tegen hun zin, gevangen zitten. Soms zitten ze gewoon te fluiten.

Gildestraat 2/8, Machelen-Zulte. Open van wo. t/m zo. van 11 tot 17 u. Gesloten op ma. en di. en tussen kerst en nieuw.

Jan Braet

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content